← België

D. contra T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230609.1N.7 Rolnummer: C.22.0347.N Zaak: D. contra T. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-09-26 Raadplegingen: 981 - laatst gezien 2026-06-15 20:57 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Gezien het bewijs tegen ondernemingen in de zin van artikel I.1, eerste lid, WER kan worden geleverd door alle bewijsmiddelen, behalve in de uitzonderingen die vastgesteld zijn voor bijzondere gevallen en voor natuurlijke personen die een onderneming uitoefenen ter zake van het bewijs van rechtshandelingen die kennelijk vreemd zijn aan de onderneming, verantwoordt de appelrechter die voor het bewijs van een handelshuurovereenkomst en een overdracht van een handelsfonds tegen de vermeende huurder hetzij een geschrift vereist, hetzij een begin van bewijs door geschrift dat is aangevuld met andere bewijsmiddelen, zonder na te gaan of deze huurder een onderneming is in de zin van artikel I.1, 1°, WER en of de overeenkomst niet kennelijk vreemd is aan die onderneming, zijn beslissing niet naar recht. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.11, § 1, eerste en derde lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Annotaties Publicaties: TBH-Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht - 2024, nr. 5, p. 543-

  1. - VANWALLEGHEM, Isabelle; APPERMONT, Niels; Noot'Begin van bewijs door geschrift en ondernemingsbewijs als uitzondering op het gereglementeerd bewijsstelsel' Tekst van de beslissing Nr. C.22.0347.N R.D., eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen P.T., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 6 april
  2. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel
  3. Krachtens artikel 8.11, § 1, eerste lid, Burgerlijk Wetboek kan het bewijs tegen ondernemingen in de zin van artikel I.1, eerste lid, WER worden geleverd door alle bewijsmiddelen, behalve in de uitzonderingen die vastgesteld zijn voor bijzondere gevallen. Artikel 8.11, § 1, derde lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt: “De in het eerste lid opgelegde regel is evenmin van toepassing op natuurlijke personen die een onderneming uitoefenen ter zake van het bewijs van rechtshandelingen die kennelijk vreemd zijn aan de onderneming”.
  4. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - wat de beweerde handelshuurovereenkomst en overeenkomst tot overdracht van een handelsfonds betreft, geen onderhandse akte voorligt die voldoet aan de vereisten van de artikelen 1325 en 1341 Oud Burgerlijk Wetboek; - de eiser twee geschreven akten voorlegt, waarvan niet wordt betwist dat deze werden ondertekend door de verweerder, en die de voormelde overeenkomsten waarschijnlijk maken; - dit begin van schriftelijk bewijs, bij gebrek aan vermoedens en getuigenverklaringen, niet wordt aangevuld tot volwaardig bewijs; - bijgevolg geen handelshuurovereenkomst en evenmin een overeenkomst tot overdracht van een handelsfonds is bewezen.
  5. De appelrechter die aldus voor het bewijs van een handelshuurovereenkomst en een overdracht van een handelsfonds tegen de vermeende huurder, hetzij een geschrift, hetzij een begin van bewijs door geschrift dat is aangevuld met andere bewijsmiddelen vereist, zonder na te gaan of deze huurder een onderneming is in de zin van artikel I.1, 1°, WER en of de overeenkomst niet kennelijk vreemd is aan die onderneming, belet het Hof zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen en verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 9 juni 2023 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230609.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.