id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:
Art. 25
- 01 ELI link Pub nr 2013009534 Wet 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de
Art. 26
- 01 ELI link Pub nr 2013009534 Wet 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de
Art. 143
/1, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 2013009534 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 88, § 1, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 90, eerste, tweede, derde en vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 Uit de bepalingen van artikel 143/1, eerste lid, van de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en van de artikelen 88, §1, eerste lid en 90, eerste tot vierde lid, zoals respectievelijk gewijzigd door de artikelen 25 en 26 van de wet van 1 december 2013, blijkt weliswaar dat een overeenkomst tussen een voorzitter van een rechtbank van eerste aanleg en een procureur des Konings bij die rechtbank, waarin buiten het toepasselijke kader van artikel 88, § 1, Gerechtelijk Wetboek een regeling wordt overeengekomen of in stand gehouden die verband houdt met de toebedeling van zaken aan correctionele kamers of die een bepaald zittingsbeheer en binnen dat kader bepaalde wetsinterpretaties door correctionele kamers vooropstelt, geen rechtsgrond heeft; daaruit volgt echter niet dat het loutere bestaan van een dergelijke overeenkomst van aard is om bij de partijen of bij het publiek een objectieve schijn te verwekken dat geen enkele correctionele rechter nog in staat zou zijn enige hem toebedeelde zaak op een onafhankelijke en onpartijdige wijze te behandelen wegens de verdenking dat de procureur des Konings mee de correctionele rechters kiest of dat die rechters de wet niet naar eigen inzicht mogen toepassen, aangezien dergelijke overeenkomsten een voorzitter immers niet beletten te handelen volgens de behoeften van de dienst die hij zelf vaststelt en zij evenmin individuele rechters binden bij de behandeling of de beoordeling van de hen toebedeelde zaken, met inbegrip van de interpretatie van straf- of procedurewetten die zij zelf passend achten, zodat dergelijke overeenkomsten het niveau van louter intentieverklaringen of aanbevelingen niet overstijgen. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Wet 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de
Art. 25
- 01 ELI link Pub nr 2013009534 Wet 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de
Art. 26
- 01 ELI link Pub nr 2013009534 Wet 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de
Art. 143
/1, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 2013009534 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 88, § 1, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 90, eerste, tweede, derde en vierde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0736.N I-II-III N. E.H., beklaagde, verzoeker tot wraking, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen het arrest nr. 2023/2783 van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 24 april
- Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest nr. 2023/2784 van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 24 april
- Het cassatieberoep III is gericht tegen het arrest nr. 2023/2786 van het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, van 24 april
- De eiser voert in drie memories die aan dit arrest zijn gehecht, telkens een gelijkluidend middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen Tweede onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van artikel 90, derde lid, Gerechtelijk Wetboek en voor zoveel als nodig artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek: de arresten oordelen dat de wrakingsgronden ongegrond zijn, ook in de hypothese dat er tussen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen en de procureur des Konings bij die rechtbank een overeenkomst werd afgesloten en dat “ook de convenant van 2008 (…) voor [de gewraakte rechter] in de gegeven omstandigheden geen aanleiding of reden kon zijn om zich te onthouden van kennisneming van het onderhavige geschil”; het is echter uitsluitend de voorzitter die de toebedeling aan de rechter diende te doen, terwijl de toebedeling hier gebeurde op grond van de “convenant” van 2008, zoals naderhand gewijzigd.
- Artikel 143/1, eerste lid, van de wet van 1 december 2013 tot hervorming van de gerechtelijke arrondissementen en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op een grotere mobiliteit van de leden van de rechterlijke orde bepaalt dat, in afwachting van de bijzondere reglementen bedoeld in artikel 88 Gerechtelijk Wetboek, de bijzondere reglementen van de rechtbanken die van toepassing zijn op de dag voor de datum van inwerkingtreding van deze wet, dit is 1 april 2014, van toepassing blijven in de afdeling of de rechtbank tot de aanneming van een beschikking die het nieuwe bijzonder reglement vaststelt door de voorzitter van de rechtbank, en uiterlijk drie maanden na de indiensttreding van de korpschef.
- Artikel 88, § 1, eerste en tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 25 van de vermelde wet van 1 december 2013, bepaalt: “Het bijzonder reglement voor elke rechtbank wordt bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank vastgesteld na advies van, naar gelang van het geval, de eerste voorzitter van het hof van beroep of de eerste voorzitter van het arbeidshof, van de procureur-generaal en, naar gelang van het geval, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, van de hoofdgriffier van de rechtbank en van de stafhouders van de Orde of Ordes van advocaten van het arrondissement. (…) Dit reglement bepaalt het aantal kamers en hun bevoegdheid, de dagen en de uren van hun zittingen en van de inleiding van de zaken. Het bevat de aanduiding van de kamers die in de rechtbank van eerste aanleg onderscheidenlijk met drie, met een rechter of met een rechter en twee assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank zitting houden. (…).”
- Artikel 90, eerste tot vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen door artikel 26 van de vermelde wet van 1 december 2013, bepaalt: “De voorzitter is belast met de algemene leiding en de organisatie van de rechtbank. In de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken staat een afdelingsvoorzitter de voorzitter bij in de leiding van de rechtbank en haar afdelingen. De voorzitter verdeelt de zaken overeenkomstig het zaakverdelingsreglement en het bijzonder reglement van de rechtbank. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan hij een deel van de zaken die aan een kamer zijn toegewezen, onder de andere kamers van de afdeling verdelen. Onder een behoefte van de dienst kan worden begrepen de verdeling van de werklast, de onbeschikbaarheid van een rechter, een vereiste deskundigheid, de goede rechtsbedeling of andere daarmee vergelijkbare objectieve reden.”
- Uit die bepalingen blijkt weliswaar dat een overeenkomst tussen een voorzitter van een rechtbank van eerste aanleg en een procureur des Konings bij die rechtbank, waarin buiten het toepasselijke kader van artikel 88, § 1, Gerechtelijk Wetboek een regeling wordt overeengekomen of in stand gehouden die verband houdt met de toebedeling van zaken aan correctionele kamers of die een bepaald zittingsbeheer en binnen dat kader bepaalde wetsinterpretaties door correctionele kamers vooropstelt, geen rechtsgrond heeft. Daaruit volgt echter niet dat het loutere bestaan van een dergelijke overeenkomst van aard is om bij de partijen of bij het publiek een objectieve schijn te verwekken dat geen enkele correctionele rechter nog in staat zou zijn enige hem toebedeelde zaak op een onafhankelijke en onpartijdige wijze te behandelen wegens de verdenking dat de procureur des Konings mee de correctionele rechters kiest of dat die rechters de wet niet naar eigen inzicht mogen toepassen. Dergelijke overeenkomsten beletten een voorzitter immers niet te handelen volgens de behoeften van de dienst die hij zelf vaststelt en zij binden evenmin individuele rechters bij de behandeling of de beoordeling van de hen toebedeelde zaken, met inbegrip van de interpretatie van straf- of procedurewetten die zij zelf passend achten. Bijgevolg overstijgen dergelijke overeenkomsten het niveau van louter intentieverklaringen of aanbevelingen niet. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht.
- De arresten oordelen zoals het onderdeel aanhaalt, alsook (nr. 3.12, p. 13) onder meer: “Bovendien strookt de bewering van [de eiser] dat “de rechter … door het openbaar ministerie (werd) gekozen” niet met de werkelijke toedracht van zaken. Enkel de voorzitter van de rechtbank beslist over de verdeling van de zaken tussen de onderscheiden correctionele kamers. In de praktijk wordt een door de voorzitter besliste regeling gevolgd die weliswaar de goedkeuring van het openbaar ministerie wegdraagt. Niets meer of niets anders. Het standpunt van [de eiser] dat [de gewraakte rechter] aan het hand van het dossier had moeten vaststellen dat de rechter hier door het openbaar ministerie werd gekozen, wordt bijgevolg niet bijgetreden.” Aldus de verantwoorden de arresten naar recht de beslissingen dat de “convenant” van 2008, zoals nadien eventueel bijgewerkt, bij de gewraakte rechters objectief gezien niet doet blijken van een gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid, dat hen ongeschikt maakt om te zetelen in de zaak van de eiser. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Eerste onderdeel
- De onderdelen voeren schending aan van artikel 2 Strafwetboek, de artikelen 2 en 3 Gerechtelijk Wetboek en voor zoveel als nodig het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen van 24 augustus 2022, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de niet-terugwerkende kracht van de wetten: voor de beoordeling van de wrakingsverzoeken die de eiser heeft ingediend voorafgaand aan de rechtszitting van 16 maart 2023, waarop zijn zaak opnieuw werd ingeleid voor de kamer AC8 van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, maken de arresten toepassing van het op dat moment geldend bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen van 24 augustus 2022, dat de toebedeling van zaken onder de kamers voor correctionele zaken van de afdeling Antwerpen regelt vanaf 1 september 2022; eisers zaak werd echter reeds ingeleid op 6 mei 2021 nadat de afdelingsvoorzitter op 24 juni 2020 ambtshalve had bevolen dat de zaak door een kamer met drie rechters dient te worden behandeld; aldus vond de toebedeling van eisers zaak aan kamer AC8 plaats vóór 1 september 2022 en verlenen de arresten een niet-toegelaten retroactieve werking aan voormeld bijzonder reglement van 24 augustus
- Het bijzonder reglement van een rechtbank, zoals bepaald in artikel 88, § 1, Gerechtelijk Wetboek, is een wet op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging, die op grond van artikel 3 Gerechtelijk Wetboek in de regel onmiddellijk toepasselijk is op hangende rechtsgedingen. De niet-retroactiviteit van strafwetten, zoals bepaald in artikel 2 Strafwetboek, is daaraan vreemd. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen zij naar recht.
- Voor het overige blijkt uit de redenen vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel dat het voor de beoordeling van eisers wrakingsverzoeken niet van belang is of de overeenkomst van 2008 tussen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen en de procureur des Konings bij die rechtbank al dan niet nog actueel was op het moment van de toebedeling van eisers zaak. In zoverre zijn de onderdelen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eiser tot de kosten van zijn cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 131,52 euro, waarvan elk 43,84 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 13 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div