← België

C. contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.13 Rolnummer: P.23.0496.N Zaak: C. contra G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2023-06-22 Raadplegingen: 836 - laatst gezien 2026-06-15 08:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 De rechter die oordeelt over de burgerlijke rechtsvordering van de burgerlijke partij tegen een beklaagde miskent het beschikkingsbeginsel, zoals dit is vervat in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, indien hij meer of iets anders toekent dan werd gevorderd, of wanneer hij een betwisting opwerpt waarvan het bestaan door de partijen in conclusies is uitgesloten; uit het loutere feit dat een beklaagde, die heeft betwist een schadeverwekkende handeling te hebben gesteld, in hoger beroep geen standpunt inneemt betreffende een door de eerste rechter toegekende provisionele schadevergoeding kan niet worden afgeleid dat die beklaagde heeft ingestemd met die beoordeling van deze schadepost, zodat de appelrechters die voor deze schadepost een definitieve schadevergoeding toekennen aangezien niet verduidelijkt wordt waarom de schade voor deze schadepost nog steeds niet definitief kan worden bepaald, het beschikkingsbeginsel niet miskennen

(1).
(1)Cass. 28 april 1992, AR nr. 5230, AC 1991-92, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Burgerlijke rechtsvordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1138, 2° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0496.N J. C., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Elisabeth Vanpeteghem, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen W. R. J. G., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 februari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert miskenning aan van het beschikkingsbeginsel: het arrest heeft de door de eerste rechter toegekende schadevergoeding van 1,00 euro provisioneel herleid tot een schadevergoeding van 1,00 euro definitief, zonder dat de verweerder dit had gevorderd.
  4. De rechter die oordeelt over de burgerlijke rechtsvordering van de burgerlijke partij tegen een beklaagde miskent het beschikkingsbeginsel, zoals dit is vervat in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, indien hij meer of iets anders toekent dan werd gevorderd, of wanneer hij een betwisting opwerpt waarvan het bestaan door de partijen in conclusies is uitgesloten.
  5. Uit het loutere feit dat een beklaagde, die heeft betwist een schadeverwekkende handeling te hebben gesteld, in hoger beroep geen standpunt inneemt betreffende een door de eerste rechter toegekende provisionele schadevergoeding van 1,00 euro wegens esthetische schade, kan niet worden afgeleid dat die beklaagde heeft ingestemd met die beoordeling van deze schadepost. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de verweerder met betrekking tot de door eerste rechter uitgesproken schadevergoeding van 1,00 euro wegens esthetische schade in hoger beroep het stilzwijgen heeft bewaard. De appelrechters die de verweerder veroordelen tot betaling voor deze schadepost tot een definitieve schadevergoeding van 1,00 euro, te vermeerderen met de interesten, aangezien de eiser niet verduidelijkt waarom de schade voor deze schadepost voor feiten die dateren van 4 december 2021 nog steeds niet definitief kan worden bepaald, miskent het beschikkingsbeginsel niet. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: door enerzijds te oordelen dat de eiser door de bijtwonde ongetwijfeld beperkte esthetische schade heeft geleden en anderzijds een definitieve schadevergoeding van 1,00 euro toe te kennen, is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
  8. De in het middel vermelde redenen zijn niet tegenstrijdig. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,31 euro, waarvan 52,31 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 13 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.