← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:

Art. 422

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 422

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 422

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 422- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.0393.N Ch. L. K beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sander Van Hulle, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 13 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. In zoverre gericht tegen de gedeeltelijke vrijspraak van de eiser voor de telastlegging C, is zijn cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen “in dubio pro reo”, het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging B (witwassen als bedoeld in artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek) omdat het hem ongeloofwaardig acht daar hij geen bijkomende informatie tot het bewijs van zijn onschuld bijbrengt, onder meer bijkomende informatie over de persoon “Vieux Panjou” aan wie de eiser zijn bankkaart heeft uitgeleend; de bewijslast rust bij het openbaar ministerie en niet bij de beklaagde.
  4. Wanneer de wet geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, wat het geval is voor het bewijs van witwasmisdrijven, beoordeelt de strafrechter onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Daartoe behoort ook het beoordelen van de geloofwaardigheid van de beweringen van een beklaagde. Bij die beoordeling kan de rechter rekening houden met de informatie die een beklaagde bijbrengt. Daarmee miskent de rechter het vermoeden van onschuld niet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging B omdat hij te Overijse op 16 juni 2019 een bedrag van 2.500,00 euro heeft overgeschreven van zijn rekening met nummer BE (…) 0105 naar zijn rekening met nummer BE(…)
  6. Het arrest baseert die schuldigverklaring op de volgende redenen: - met betrekking tot de telastleggingen A.1, A.2, A.3 (witwassen als bedoeld in artikel 505, eerste lid, 2°, Strafwetboek) en B houdt de eiser staande dat de drie stortingen van respectievelijk 10.000,00 euro en tweemaal 2.500,00 euro op zijn rekening BE(…) 0105 op 14, 15 en 16 juni 2019, afkomstig van een rekening op naam van B., het gevolg zijn van het feit dat hij zijn bankkaart heeft uitgeleend aan een niet nader geïdentificeerde “Vieux Panjou”. Bovendien zou de wederrechtelijke oorsprong van deze gelden of de kennis daarvan door de eiser niet zijn aangetoond. De eiser zegt B. niet te kennen; - terecht oordeelde de eerste rechter dat de beweringen van de eiser niet geloofwaardig zijn; - uit niets blijkt immers dat de eiser zich vragen heeft gesteld bij de ontvangst van deze niet onbelangrijke, onverschuldigde geldsommen vanwege een volgens hem volslagen onbekende, terwijl eisers ex-partner heeft verklaard dat de eiser in mei of juni 2019, dit is zeer kort voor de ontvangst van de vermelde geldsommen, haar heeft gevraagd haar bankkaart af te geven omdat hij de zijne zou hebben verloren en hij de rekening nog geregeld gebruikte; - uit het gevoerde onderzoek blijkt overigens niet dat de eiser in de betrokken periode bij de politie of bij de bank aangifte heeft gedaan van het verlies van een bankkaart of van misbruik van zijn bankrekening; - de eiser heeft een deel van de gelden (2.500,00 euro, transacties van 16 juni 2019) overigens overgeschreven naar een eigen rekening BE(…)
  7. Indien de eiser, zoals hij ongeloofwaardig beweert, werkelijk het slachtoffer is geweest van “Vieux Panjou”, is het niet te verklaren waarom deze dan een som van 2.500,00 euro heeft overgemaakt op een andere persoonlijke rekening van de eiser. Deze laatste beweert immers niet dat “Vieux Panjou” ook over de rekening met nummer BE(…) 9486 zou hebben beschikt. De enige aannemelijke verklaring daarentegen is dat de eiser zelf de transactie van 16 juni 2019 heeft uitgevoerd of laten uitvoeren; - de eiser verschaft niet de minste informatie over de beweerde “Vieux Panjou”, die zou kunnen leiden tot diens identificatie, noch over de precieze periode waarin de bankkaart werd uitgeleend. Indien de eiser inderdaad het slachtoffer zou zijn geweest van de malafide praktijken van “Vieux Panjou”, heeft hij er nochtans belang bij dat deze laatste zou worden opgespoord; - evenmin geloofwaardig is dat de eiser, die in het midden laat of de uitgeleende bankkaart hem al dan niet werd teruggegeven, zijn rekeningen niet zou hebben gecontroleerd, al was het maar om na te gaan of deze geen negatief saldo vertoonden. Minstens moet hij kennis hebben gekregen van de uitgevoerde transacties op het ogenblik van de uitvoering van de laatste overschrijving op 16 juni 2019 van 2.500,00 euro naar een andere eigen rekening BE(…) 9486; - nu de bewering van de eiser aangaande het uitlenen van een bankkaart aan een niet nader geïdentificeerde noch identificeerbare “Vieux Panjou” volstrekt ongeloofwaardig is, staat vast dat iedere legale oorsprong van de gelden kan worden uitgesloten. De eiser stelt immers de titularis van de rekening die in zijn voordeel werd gedebiteerd, B., niet te kennen. Deze vaststelling wordt bevestigd door het feit dat de gelden meteen na de storting werden opgenomen via een geldautomaat, alsook dat een deel werd overgeschreven naar een andere rekening van de eiser; - de wederrechtelijke oorsprong van de som van 15.000,00 euro, die het voorwerp uitmaakt van de telastleggingen A en B, wordt daarenboven bevestigd door het feit dat de enige andere storting die in de loop van de maand juni 2019 op deze rekening werd verricht, afkomstig was van een rekening waarvan de toegangscode op frauduleuze wijze werd verkregen (telastlegging C).
  8. Het arrest dat met die redenen de geloofwaardigheid van eisers verklaringen beoordeelt aan de hand van de gegevens van het strafdossier, met inbegrip van de door de eiser verschafte informatie, miskent niet het recht op een eerlijk proces of het vermoeden van onschuld, maar verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 2° en 4°, Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: uit de feitelijke gegevens vermeld in het antwoord op het eerste middel kon het hof van beroep niet afleiden dat elke legale oorsprong van de gelden was uitgesloten; de eiser heeft van bij het begin aangegeven dat hij B. niet kent; uit het strafdossier blijkt dat deze persoon door de politie gekend is, maar er werd geen verder onderzoek naar deze persoon en diens aandeel in de feiten gevoerd; het loutere feit dat wordt vastgesteld dat de gelden een wederrechtelijke oorsprong zouden hebben, kan niet leiden tot de veroordeling van de eiser; de eiser betwist met klem dat hij wist of moest weten dat de gelden een wederrechtelijke oorsprong hadden.
  10. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  11. Voor het overige kan het arrest uit de feiten die het vaststelt wel degelijk wettig afleiden dat de gelden, voorwerp van de telastleggingen A en B, een illegale oorsprong hebben en dat de eiser kennis had van die illegale oorsprong. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat een in artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak kan bestaan in een verbintenis, dat het slachtoffer van de telastlegging C door middel van een bedrieglijk maneuver ertoe werd gebracht de gegevens van haar bankkaart en bijhorende code over te maken aan de afzender van de e-mail of diens kompanen en dat “Dergelijke elektronische gegevens te beschouwen [zijn] als een geschrift in de zin van artikel 496 Strafwetboek en de overhandiging aan een derde aan deze laatste de macht [verschaft] de met deze bankkaart verbonden bankrekening te debiteren en via deze bankrekening transacties uit te voeren die de titularis verbinden en potentieel kunnen schaden”; het arrest mag de telastlegging niet opsplitsen in het bedrieglijk verkrijgen van de code en bankkaartgegevens eensdeels en de gelden anderdeels; de code en de bankkaartgegevens zijn geen geschrift in de zin van artikel 496 Strafwetboek; evenmin verduidelijkt het arrest waarin het bedrieglijk opzet van de eiser zou hebben bestaan, aangezien hij wordt vrijgesproken voor de overschrijving van de gelden.
  13. Artikel 496, eerste lid, Strafwetboek bestraft degene die, met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort, zich gelden, roerende goederen, verbintenissen, kwijtingen, schuldbevrijdingen doet afgeven of leveren, hetzij door het gebruik maken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of van een denkbeeldig krediet, om een goede afloop, een ongeval of enige andere hersenschimmige gebeurtenis te doen verwachten of te doen vrezen of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen of van de lichtgelovigheid.
  14. Met een verbintenis in de zin van die bepaling wordt bedoeld elk geschrift waaruit een rechtsband kan ontstaan en waarmee schade kan worden toegebracht aan een ander, zelfs wanneer de begunstigde later geen voordeel zou hebben gehaald uit de band die te zijnen gunste werd geschapen.
  15. Een cijfercode of een bankkaart maakt het voorwerp uit van een overeenkomst tussen een bankinstelling en haar cliënt, op grond waarvan die cliënt of een door hem toegelaten derde tegen het ingeven van die cijfercode, dan wel het vertoon van die bankkaart of de mededeling van erop aangebrachte gegevens, bankverrichtingen kan uitvoeren op een door de bankinstelling beheerde rekening. Een dergelijke code of kaart kan dan ook een geschrift uitmaken dat valt onder het begrip verbintenis als bedoeld in artikel 496, eerste lid, Strafwetboek. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  16. Onder de telastlegging C is de eiser vervolgd wegens te Overijse, op 5 juni 2019, oplichting te hebben gepleegd door de overschrijving van 1.999,23 euro op zijn rekening BE(…) 0105, uitgevoerd met de codes voor het online bankieren verkregen met behulp van een vervalst e-mailbericht, ten nadele van G.
  17. Het arrest (p. 10) oordeelt: “[De eiser] dient te worden bijgetreden waar hij stelt dat de overschrijving zelf van de gelden naar diens rekening niet is geschied door [G.] en bijgevolg niet strafbaar is onder de kwalificatie oplichting. De tenlastelegging C is bijgevolg bewezen, doch enkel wat betreft de codes voor het online bankieren, die verkregen werden met behulp van een vervalst e-mailbericht, ten nadele van [G.]. [De eiser] dient te worden vrijgesproken van het overige van de tenlastelegging.”
  18. Op grond van de vermelde telastlegging en redenen kan het arrest wettig oordelen dat de aan de eiser verweten feiten van oplichting enkel bewezen zijn voor wat betreft het erin vervatte misdrijf van het zich doen afleveren van een verbintenis bestaande uit de vermelde code en bankkaartgegevens, maar niet voor wat betreft het erin vervatte misdrijf van het zich doen afgeven van de gelden die ingevolge de afgifte van die verbintenis werden verkregen. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.
  19. Het arrest oordeelt verder: “Uit de elementen van het strafdossier blijkt dat [G.] door middel van een bedrieglijk maneuver, namelijk een valse e-mail waarvan de inhoud bedrieglijk de indruk wekte uit te gaan van de bankinstelling, ertoe werd gebracht de gegevens van haar bankkaart en bijhorende code over te maken aan de afzender van de e-mail of diens kompa(a)n(en)” en “Meteen na de mededeling van de elektronische bankgegevens (…) werden gelden overgeschreven tussen de rekeningen van [G.], waarna een bedrag van 1.999,23 euro werd getransfereerd naar de rekening van [de eiser] (…). De korte tijdsspanne tussen het ingeven van de bankgegevens en de frauduleuze transacties, tonen aan dat [de eiser] betrokken was, in de zin van artikel 66 Strafwetboek, bij de frauduleuze toe-eigening van de bankgegevens, te meer nu blijkt dat nog dezelfde avond de gelden werden opgenomen via een geldautomaat in onmiddellijke nabijheid van de verblijfplaats van [de eiser].” Met die redenen vermeldt het arrest het bedrieglijk opzet van de eiser, namelijk het verschaffen aan enige persoon van middelen vereist voor het verkrijgen van toegang tot de gelden op de bankrekening van het slachtoffer. Aldus is de beslissing eveneens naar recht verantwoord.
  20. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser voor de telastlegging A; de eiser heeft bij conclusie aangevoerd dat het niet bewezen voorkomt dat hij kan worden aanzien als dader, mededader of medeplichtige van het misdrijf dat de zaken zoals bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek heeft opgeleverd, nu hij geen enkele actieve daad heeft gesteld, alsook dat de gelden in kwestie niet werden verhuld of niet traceerbaar werden gemaakt, nu er sprake was van de overschrijving van de ene rekening op naam van de eiser naar de andere rekening op naam van de eiser; het hof van beroep antwoordt niet op dit verweer en motiveert zelfs helemaal niet waarom het de eiser veroordeelt voor de telastlegging B.
  22. Het arrest verklaart de eiser niet schuldig aan het misdrijf dat de illegale vermogensvoordelen, voorwerp van het in de telastlegging A bepaalde witwasmisdrijf, heeft opgeleverd. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  23. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel beantwoordt en verwerpt het arrest wel degelijk eisers vermelde verweer op grond van de eigen redengeving die het in plaats van dat verweer stelt, zonder dat het arrest moest antwoorden op eisers aanvoeringen die slechts argumenten vormden ter ondersteuning van zijn verweer over zijn onschuld aan de hem ten laste gelegde feiten van witwassen, maar die geen zelfstandig verweer uitmaakten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel
  24. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser voor de telastleggingen A.1, A.2 en A.3, terwijl het als wetsbepaling artikel 505, tweede lid, 2°, Strafwetboek vermeldt; dit is niet de juiste wetsbepaling.
  25. Uit het geheel van de gegevens die het arrest vermeldt, onder meer de bewoordingen van de telastleggingen A en de aanduiding van het eerste lid van artikel 505 Strafwetboek bij de telastlegging B, blijkt dat de vermelding van het tweede lid van artikel 505 Strafwetboek bij de telastleggingen A een louter materiële vergissing uitmaakt. Het blijkt niet dat deze materiële vergissing enige impact heeft op de aan de eiser opgelegde straf voor de vermengde telastleggingen A.1, A.2, A.3, B en C (beperkt). Bijgevolg verbetert het Hof de vermelding “tweede lid” bij de telastleggingen A door ze te vervangen door “eerste lid”. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 13 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161122.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200609.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.