id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:
Art. 42
, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 - 08-08-1980 - Art. 11, eerste lid - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.1 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen:
Art. 42
, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 43
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Bijzondere Wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 - 08-08-1980 - Art. 11, eerste lid - 02 ELI link Pub nr 1980080801 Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.6.1 - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Fiche 4 De aanvoering dat de rechter op een foto iets niet ziet dat er is of iets wel ziet dat er niet is, levert geen miskenning van de bewijskracht van akten op indien de miskenning enkel is gesteund op de foto los van om het even welke tekst die deze foto zou illustreren; de miskenning van de bewijskracht van een foto, los van de desgevallend bij de foto behorende tekst, is immers niet mogelijk, aangezien een foto geen geschrift is waarvan de bewijskracht kan worden miskend
(1).
(1)Cass. 16 november 2021, AR P.21.1410.N, AC 2021, nr. 726, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211116.2N.18; Cass. 7 november 2017, AR P.17.0039.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.2, AC 2017, nr. 615. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijskracht Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.18 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Fiches 5 - 6 Volgens artikel 16.3.25, eerste lid, DABM, heeft het proces-verbaal van de toezichthouders die milieumisdrijven vaststellen bewijswaarde tot het tegendeel is bewezen; de toepassing van die bepaling houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Geschriften - Bewijswaarde Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.3.25, eerste lid - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Thesaurus CAS: MILIEURECHT Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Gemeenschap van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid - 05-04-1995 - Art. 16.3.25, eerste lid - 57 ELI link Pub nr 1995035716 Fiches 7 - 8 De verdeling van de rechtsplegingsvergoeding bij toepassing van artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding tussen partijen die door eenzelfde advocaat worden bijgestaan, is slechts van toepassing wanneer die partijen zich in eenzelfde gerechtelijke band bevinden ten aanzien van de partij die de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, vijfde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 ... - 26-10-2007 - Art. 1, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2007009900 Fiches 9 - 10 Een burgerlijke partij die voor de strafrechter van een beklaagde schadevergoeding vordert op grond van een bepaald misdrijf, bevindt zich ten aanzien van die beklaagde niet in eenzelfde gerechtelijke band in de zin van de voormelde bepalingen als een burgerlijke partij die voor dezelfde strafrechter van diezelfde beklaagde schadevergoeding vordert op grond van een ander misdrijf. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Fiche 11 Om na te gaan of er een strafverzwaring is in de zin van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering, moeten in de eerste plaats de door de eerste rechter en het appelgerecht opgelegde hoofdstraffen worden vergeleken; indien het appelgerecht een lagere hoofdstraf uitspreekt dan deze die werd opgelegd door de eerste rechter, is er geen strafverzwaring in de zin van de voormelde bepaling, en dit ongeacht de uitgesproken bijkomende straffen en hun maat; het appelgerecht dat de door de eerste rechter opgelegde hoofdstraf vermindert maar een verbeurdverklaring oplegt die de eerste rechter niet had opgelegd, dient dan ook niet met eenparigheid van stemmen te oordelen
(1).
(1)Cass. 7 maart 2023, AR P.22.1680.N, AC 2023, nr. 175, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0700.N
- W. A. V., beklaagde,
- L. A. V., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Joost Van Damme, advocaat bij de balie Gent, tegen
- VOGELBESCHERMING VLAANDEREN vzw, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Walburgstraat 37, burgerlijke partij,
- Ph. G., burgerlijke partij,
- A.-M. C., burgerlijke partij,
- T. G., burgerlijke partij,
- J. G., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 april
- De eiser 1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, tien middelen aan. De eiser 2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, acht middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser 2
- Het arrest ontslaat de eiser 2 van rechtsvervolging met betrekking tot de telastlegging C.1 in zoverre deze betrekking heeft op twintig veerklemmen. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep van de eiser 2 bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eisers 1 en 2
- De middelen voeren schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: door zonder eenparigheid van stemmen de eiser 1 te veroordelen tot een effectieve gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete, terwijl de eiser 1 in het beroepen vonnis werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden waarvan vijf maanden met uitstel van tenuitvoerlegging voor een periode van drie jaar en een geldboete, en door de eiser 2 te veroordelen tot een effectieve gevangenisstraf van drie maanden en een geldboete, terwijl de eiser 2 in het beroepen vonnis werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden met uitstel van tenuitvoerlegging voor een periode van drie jaar en een geldboete, is het arrest niet naar recht verantwoord; door het geheel of gedeeltelijk weglaten van het uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf wordt die laatste verhoogd, zodat het appelgerecht slechts met eenparigheid van stemmen een beklaagde kan veroordelen tot een hogere effectieve straf dan de eerste rechter; die eenparigheid moet uitdrukkelijk worden vastgesteld, wat niet blijkt uit het arrest noch uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan.
- Volgens artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering kan het appelgerecht slechts met eenstemmigheid een tegen een beklaagde in eerste aanleg uitgesproken straf verzwaren.
- Het appelgerecht dat een door de eerste rechter opgelegde straf vermindert, maar het voor deze straf geheel of gedeeltelijk verleende uitstel niet langer toekent, verzwaart de straf niet en moet bijgevolg die beslissing niet eenstemmig nemen. De middelen die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen naar recht. Tweede middel van de eiser 1 en derde middel van de eiser 2
- De middelen voeren schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de eisers op de rechtszitting verklaarden nog steeds te jagen, al doen ze dat niet meer in Vlaanderen maar in Wallonië of in het buitenland, is de beslissing over de aan de eisers opgelegde bestraffing en de weigering van de appelrechters om in te gaan op de door hen gevraagde opschorting van de uitspraak van de veroordeling of het door hen gevraagde uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf, niet naar recht verantwoord; het uitoefenen van een legale jachtactiviteit houdt geen misdrijf in maar betreft een legitieme activiteit en kan dan ook niet in het nadeel van de eisers worden uitgelegd en als zodanig in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de straf of de beoordeling van een vraag tot opschorting of uitstel.
- Het arrest stelt vast dat de eisers op de rechtszitting verklaarden nog steeds te jagen, al doen ze dat niet meer in Vlaanderen maar in Wallonië of in het buitenland, maar interpreteert die verklaring niet in het nadeel van de eisers. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Derde middel van de eiser 1 en vierde middel van de eiser 2
- De middelen voeren schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 780 Gerechtelijk Wetboek: de schuldigverklaring van de eisers aan het bij zich hebben van veerklemmen, namelijk zes veerklemmen en vier veerklemmen wat de eiser 1 betreft (telastleggingen C.2 en C.3) en vier veerklemmen wat de eiser 2 betreft (telastlegging C.3), is niet regelmatig gemotiveerd; het arrest antwoordt niet op het in de grievenschriften en in de appelconclusie van de eisers ontwikkelde verweer dat zij in het bezit mochten zijn van veerklemmen voor de op eenieder rustende verplichting tot bestrijding van ratten, waarbij het gebruik van elke soort klem toegestaan is.
- Artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in strafzaken. In zoverre de middelen schending van die bepaling aanvoeren, falen ze naar recht.
- De middelen specificeren niet welke andere bepalingen van artikel 780 Gerechtelijk Wetboek het arrest schendt. In zoverre zijn de middelen bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk.
- Na te hebben geoordeeld dat er geen zekerheid is dat de in de telastlegging C.1 bedoelde veerklemmen niet waren bestemd voor het vangen van ratten, zodat de eiser 2 hiervoor wordt ontslagen van rechtsvervolging, oordeelt het arrest (p. 43-44) dat de telastleggingen C.2 en C.3 wél bewezen zijn, waarbij met betrekking tot de in die laatste telastlegging bedoelde klemmen wordt geoordeeld dat er een vierkantvormige veerklem werd aangetroffen alsook drie verschillende grotere veerklemmen, type poot- of wildklemmen, waarvan twee klemmen nog waren voorzien van oude restanten van lokaas. Met die redenen geven de appelrechters te kennen dat de in de telastleggingen C.2 en C.3 bedoelde veerklemmen niet waren bedoeld voor rattenbestrijding en verwerpen zij het in de middelen bedoelde verweer. De middelen kunnen niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiser 1 en zesde middel van de eiser 2
- De middelen voeren schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 182 en 210 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de telastleggingen B en C moeten worden verbeterd volgens de bepalingen die gelden sinds de inwerkingtreding van het decreet van 3 juli 2015 houdende de wijziging van diverse bepalingen van het Jachtdecreet van 24 juli 1991, is de bewezenverklaring van de telastlegging B (wat betreft de eiser 1) en de telastlegging C (wat de eisers 1 en 2 betreft) niet naar recht verantwoord; noch uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 17 maart 2022 noch uit enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat deze herkwalificatie, verbetering of heromschrijving van de telastleggingen B en C ter kennis van de eisers werd gebracht; de eisers hebben over deze heromschrijving geen tegenspraak kunnen voeren en werden niet gehoord in hun desbetreffende grieven.
- Het arrest (p. 35-36, nr. 4) heromschrijft de telastleggingen B en C volgens de bepalingen van het Jachtdecreet zoals die gelden sinds de inwerkingtreding van het decreet van 3 juli 2015 en stelt hierbij uitdrukkelijk vast dat van deze verbetering kennis werd gegeven op de rechtszitting, onder meer tijdens de vordering van het openbaar ministerie, en dat de tegenspraak betrekking had op de aldus verbeterde telastleggingen. De middelen missen feitelijke grondslag. Vijfde middel van de eiser 1 en zevende middel van de eiser 2
- De middelen voeren schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 182, 210 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 19, tweede lid, Jachtdecreet van 24 juli 1991, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: door te oordelen dat de eisers schuldig zijn aan het gebruik van een strop en de eiser 1 bijgevolg te veroordelen op grond van de telastleggingen C.1 en C.2 en de eiser 2 op grond van de telastleggingen C.1 en C.3, is het arrest niet naar recht verantwoord; de eisers werden slechts vervolgd voor het bezit van een strop en niet voor het gebruik van een strop, zodat de appelrechters het recht van verdediging van de eisers miskennen en de eisers veroordelen voor een ander misdrijf dan datgene wat bij hen aanhangig was gemaakt.
- Uit het arrest blijkt dat de eiser 1 niet wordt veroordeeld op grond van de telastlegging C.1 en dat de telastlegging C.2 geen betrekking heeft op een strop. In zoverre mist het middel van de eiser 1 feitelijke grondslag.
- Het arrest stelt weliswaar vast dat de in de telastlegging C.1 bedoelde strop een effectief gebruikte strop betreft, maar veroordeelt de eiser 2 op grond van de bewezenverklaarde telastleggingen C.1 en C.3 en de eiser 1 op grond van de bewezenverklaarde telastlegging C.3 niet voor het gebruik van een strop maar louter voor het bezit van stroppen, zoals bedoeld in artikel 19, derde lid, Jachtdecreet van 24 juli 1991, zoals van toepassing sinds de inwerkingtreding van het decreet van 3 juli 2015, dat bepaalt dat het verboden is om niet door de Vlaamse Regering toegestane middelen voor het doden of vangen van wild onder zich te hebben, te vervoeren, te verhandelen, te ruilen of te koop of in ruil aan te bieden (arrest, p. 36, tweede alinea en p. 43, laatste alinea). In zoverre missen de middelen eveneens feitelijke grondslag. Zesde middel van de eiser 1
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 182 en 210 Wetboek van Strafvordering en artikel 19, tweede lid, Jachtdecreet van 24 juli 1991: met het oordeel dat de eiser 1 honden heeft vergiftigd, is de veroordeling van de eiser 1 wegens een inbreuk op het in het Jachtdecreet van 24 juli 1991 omschreven verbod om gebruik te maken van giftig lokaas, omschreven in de bewezenverklaarde telastlegging B, niet naar recht verantwoord; honden zijn immers geen jaagbaar wild, zodat de vergiftiging van honden geen inbreuk op het Jachtdecreet kan opleveren.
- Het arrest oordeelt niet dat honden jaagbaar wild zijn, noch dat de in de bewezenverklaarde telastlegging B bedoelde inbreuken op het Jachtdecreet van 24 juli 1991 betrekking hebben op het vergiftigen van honden. Het arrest (p. 36, laatste alinea en p. 37) oordeelt integendeel als volgt: “De telastlegging B slaat op het gebruik van giftig lokaas en niet op vergiftiging van dieren (c.q. honden), zoals de [eiser 1] in conclusies stelt […]. Dit gebruik volgt wel uit de vaststelling dat honden vergiftigd werden door het gebruik van vergiftigd lokaas in het jachtrevier”. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Zevende middel van de eiser 1
- Het middel voert schending aan van artikel 42, 1°, Strafwetboek: de verbeurdverklaring van het voertuig Suzuki Vitara en de aanhangwagen, eigendom van de eiser 1, is niet naar recht verantwoord; het voertuig Suzuki Vitara en de aanhangwagen hebben niet gediend noch waren ze bestemd voor het plegen van het misdrijf, bedoeld in artikel 16, § 2, Soortenbesluit of in artikel 12 van datzelfde besluit; de eiser 1 wordt niet vervolgd voor het uitzetten van fazanten maar louter voor het bezit van fazanten zonder dat zij naar het jachtrevier werden getransporteerd, zodat een verbeurdverklaring van het voertuig en de aanhangwagen wegens een inbreuk op artikel 16, § 2, Soortenbesluit niet mogelijk is; de fazanten werden overigens thuis bij de eiser 1 geleverd door de fazantenkweker; bijlage 2.B bij het Soortenbesluit is bovendien slechts van toepassing op het in artikel 16, § 2, van dat besluit bedoelde doden of vangen van in het wild levende dieren; in geen enkele bepaling van het DABM wordt voorzien in de verbeurdverklaring van voertuigen.
- Het arrest baseert de verbeurdverklaring van het voertuig Suzuki Vitara en de aanhangwagen niet op een decretale bepaling maar op artikel 42, 1°, Strafwetboek. Die verbeurdverklaring wordt in het arrest evenmin bevolen op grond van de schuldigverklaring van de eiser 1 aan een inbreuk op het in artikel 16, § 2, Soortenbesluit bedoelde verbod of aan een inbreuk op het Jachtdecreet, maar op grond van de schuldigverklaring van de eiser 1 aan een inbreuk op het in artikel 12 Soortenbesluit bedoelde verbod, dat strafbaar wordt gesteld door artikel 16.6.1, § 1, eerste lid, DABM. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- De artikelen 42, 1°, en 43 Strafwetboek zijn ingevolge artikel 11, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen van toepassing op de misdrijven, bedoeld in artikel 16.6.1 DABM. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 46-47) oordeelt dat: - de voertuigen van de eisers, waaronder het voertuig Suzuki Vitara van de eiser 1, werden gebruikt voor het vervoer van de uit te zetten fazanten, zoals ook de visu werd vastgesteld door de natuurinspecteurs; - de eiser 1 schuldig wordt bevonden aan een inbreuk op het in artikel 12 Soortenbesluit bepaalde verbod om specimens van beschermde diersoorten of van specimens van beschermde plantensoorten of andere organismen onder zich te hebben, te vervoeren, te verhandelen, te ruilen of te koop of in ruil aan te bieden; - de voertuigen en aanhangwagens, waarin de natuurinspecteurs in kartonnen dozen geborgen fazanten hebben aangetroffen, wel degelijk hebben gediend om dit misdrijf te plegen. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de verbeurdverklaring van het voertuig Suzuki Vitara en de aanhangwagen op grond van artikel 42, 1°, Strafwetboek. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Achtste middel van de eiser 1
- Het middel voert schending aan van artikel 42, 1°, Strafwetboek en artikel 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit stuk 16 van het strafdossier blijkt dat de dozen met fazanten zich bevonden op de aanhangwagen die was gekoppeld aan het voertuig Suzuki van de eiser 1, miskent het arrest de bewijswaarde van dit stuk en verantwoordt het de beslissing tot verbeurdverklaring van het voertuig Suzuki Vitara en de aanhangwagen bijgevolg niet naar recht; uit dit stuk 16, dat een foto bevat van transportdozen in de niet-gekoppelde aanhangwagen van de eiser 1, kan onmogelijk worden afgeleid dat de aanhangwagen aan het voertuig werd gekoppeld; dit vindt evenmin op enigerlei andere wijze steun in het strafdossier.
- De aanvoering dat de rechter op een foto iets niet ziet dat er is of iets wel ziet dat er niet is, levert geen miskenning van de bewijskracht van akten op indien de miskenning enkel is gesteund op de foto los van om het even welke tekst die deze foto zou illustreren. De miskenning van de bewijskracht van een foto, los van de desgevallend bij de foto behorende tekst, is immers niet mogelijk, aangezien een foto geen geschrift is waarvan de bewijskracht kan worden miskend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Negende middel van de eiser 1 en vijfde middel van de eiser 2
- De middelen voeren miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: met het oordeel dat de vaststellingen van de natuurinspecteurs in de stalling van de eisers bijzondere bewijswaarde hebben en de eisers geen enkel tegenbewijs leveren, miskennen de appelrechters het vermoeden van onschuld en zijn de veroordelingen van de eisers niet naar recht verantwoord; de appelrechters leggen aldus aan de eisers, die de vrijspraak wensten te verkrijgen, het tegenbewijs van de vaststellingen van de natuurinspecteurs op zonder dat daarvoor een juridische grondslag is.
- Volgens artikel 16.3.25, eerste lid, DABM, heeft het proces-verbaal van de toezichthouders die milieumisdrijven vaststellen bewijswaarde tot het tegendeel is bewezen. De toepassing van die bepaling houdt geen miskenning in van het vermoeden van onschuld. De middelen, die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen naar recht. Tiende middel van de eiser 1
- Het middel voert schending aan van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek: de beslissing waarbij de eiser 1 wordt veroordeeld tot betaling van onderscheiden rechtsplegingsvergoedingen aan burgerlijke partijen die worden bijgestaan door advocaten die behoren tot hetzelfde kantoor en die mede in het licht van artikel 17bis van de Codex Deontologie voor Advocaten van de Orde van Vlaamse Balies moeten worden vereenzelvigd als dezelfde raadsman, is niet naar recht verantwoord; de eiser 1 werd veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de eerste verweerster van 780,00 euro in eerste aanleg en 560,00 euro in hoger beroep, en van een rechtsplegingsvergoeding aan de tweede tot en met de vijfde verweerders van 780,00 euro in eerste aanleg en 910,00 euro in hoger beroep, terwijl de eerste verweerster en de tweede tot en met de vijfde verweerders als burgerlijke partijen werden bijgestaan door advocaten van hetzelfde kantoor, dit is eenzelfde advocaat in de zin van artikel 1 Tarief Rechtsplegingsvergoeding.
- Artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek, waarnaar artikel 162bis Wetboek van Strafvordering verwijst, bepaalt: “Wanneer binnen eenzelfde gerechtelijke band meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van één of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.”
- Artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding bepaalt: “De bedragen worden vastgesteld per gerechtelijke band en ten aanzien van elke partij die door een advocaat wordt bijgestaan. Wanneer eenzelfde advocaat in eenzelfde gerechtelijke band verscheidene partijen bijstaat, wordt de rechtsplegingsvergoeding onder hen verdeeld.”
- De verdeling van de rechtsplegingsvergoeding bij toepassing van artikel 1, tweede lid, Tarief Rechtsplegingsvergoeding tussen partijen die door eenzelfde advocaat worden bijgestaan, is slechts van toepassing wanneer die partijen zich in eenzelfde gerechtelijke band bevinden ten aanzien van de partij die de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is.
- Een burgerlijke partij die voor de strafrechter van een beklaagde schadevergoeding vordert op grond van een bepaald misdrijf, bevindt zich ten aanzien van die beklaagde niet in eenzelfde gerechtelijke band in de zin van de voormelde bepalingen als een burgerlijke partij die voor dezelfde strafrechter van diezelfde beklaagde schadevergoeding vordert op grond van een ander misdrijf.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Uit het arrest blijkt dat de appelrechters: - aan de eerste verweerster schadevergoeding toekennen op grond van de bewezenverklaarde telastleggingen A, B en C; - aan de tweede tot en met de vijfde verweerders schadevergoeding toekennen op grond van de bewezenverklaarde telastlegging D.
- Bijgevolg is de veroordeling van de eiser 1 tot het betalen van onderscheiden rechtsplegingsvergoedingen aan de eerste verweerster en aan de tweede tot en met de vijfde verweerders, naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser 2
- Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: door zonder eenparigheid van stemmen niet alleen de verbeurdverklaring uit te spreken van het aan de eiser 2 toebehorende voertuig Dacia Duster maar ook van de aan de eiser 2 toebehorende aanhangwagen, terwijl de verbeurdverklaring van die aanhangwagen niet was bevolen in het beroepen vonnis, is het arrest niet naar recht verantwoord.
- Om na te gaan of er een strafverzwaring is in de zin van de in het middel vermelde bepaling, moeten in de eerste plaats de door de eerste rechter en het appelgerecht opgelegde hoofdstraffen worden vergeleken. Indien het appelgerecht een lagere hoofdstraf uitspreekt dan deze die werd opgelegd door de eerste rechter, is er geen strafverzwaring in de zin van de voormelde bepaling, en dit ongeacht de uitgesproken bijkomende straffen en hun maat. Het appelgerecht dat de door de eerste rechter opgelegde hoofdstraf vermindert maar een verbeurdverklaring oplegt die de eerste rechter niet had opgelegd, dient dan ook niet met eenparigheid van stemmen te oordelen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De eiser 2 werd in het beroepen vonnis veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een periode van drie jaar en tot een geldboete van 2.000,00 euro, te vermeerderen met opdeciemen. Het arrest, dat de eiser 2 veroordeelt tot een gevangenisstraf van drie maanden en tot een geldboete van 1.500,00 euro, te vermeerderen met opdeciemen, diende voor de verbeurdverklaring van de aan de eiser 2 toebehorende aanhangwagen, welke verbeurdverklaring in het beroepen vonnis niet was bevolen, dan ook niet vast te stellen dat het met eenparigheid van stemmen werd gewezen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Achtste middel van de eiser 2
- Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 1°, en 43 Strafwetboek: de verbeurdverklaring van het voertuig Dacia Duster en de aanhangwagen, eigendom van de eiser 2, is niet naar recht verantwoord; de appelrechters verklaren het voertuig Dacia Duster en de aanhangwagen, eigendom van de eiser 2, verbeurd zonder vast te stellen hoe dit voertuig en deze aanhangwagen gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van een misdrijf waarvoor de eiser 2 wordt vervolgd; de eiser 2 wordt niet vervolgd voor het uitzetten van fazanten maar louter voor het bezit van fazanten zonder dat zij naar het jachtrevier werden getransporteerd, zodat een verbeurdverklaring van het voertuig en de aanhangwagen wegens een inbreuk op artikel 16, § 2, Soortenbesluit niet mogelijk is; de fazanten werden overigens thuis bij de eiser 1 geleverd door de fazantenkweker; bijlage 2.B bij het Soortenbesluit is bovendien slechts van toepassing op het in artikel 16, § 2, van dat besluit bedoelde doden of vangen van in het wild levende dieren, wat hier niet aan de orde is; in geen enkele bepaling van het DABM wordt voorzien in de verbeurdverklaring van voertuigen.
- Het arrest baseert de verbeurdverklaring van het voertuig Dacia Duster en de aanhangwagen niet op een decretale bepaling maar op artikel 42, 1°, Strafwetboek. Die verbeurdverklaring wordt in het arrest evenmin bevolen op grond van de schuldigverklaring van de eiser 2 aan een inbreuk op het in artikel 16, § 2, Soortenbesluit bedoelde verbod of aan een inbreuk op het Jachtdecreet, maar op grond van de schuldigverklaring van de eiser 2 aan een inbreuk op het in artikel 12 Soortenbesluit bedoelde verbod. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- De artikelen 42, 1°, en 43 Strafwetboek zijn ingevolge artikel 11, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen van toepassing op de misdrijven, bedoeld in artikel 16.6.1 DABM. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 46-47) oordeelt dat: - de voertuigen van de eisers, waaronder het voertuig Dacia Duster van de eiser 2, werden gebruikt voor het vervoer van de uit te zetten fazanten, zoals ook de visu werd vastgesteld door de natuurinspecteurs; - de eiser 2 schuldig wordt bevonden aan een inbreuk op het in artikel 12 Soortenbesluit bepaalde verbod om specimens van beschermde diersoorten of van specimens van beschermde plantensoorten of andere organismen onder zich te hebben, te vervoeren, te verhandelen, te ruilen of te koop of in ruil aan te bieden; - de voertuigen en aanhangwagens, waarin de natuurinspecteurs in kartonnen dozen geborgen fazanten hebben aangetroffen, wel degelijk hebben gediend om dit misdrijf te plegen. Met die redenen stelt het arrest vast dat het voertuig Dacia Duster en de aanhangwagen gediend hebben tot het plegen van een misdrijf waarvoor de eiser 2 werd vervolgd en veroordeeld en verantwoordt het arrest naar recht de verbeurdverklaring van dit voertuig en de aanhangwagen op grond van de artikelen 42, 1°, en 43 Strafwetboek. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikelen 42, 1°, en 43 Strafwetboek.
- Het arrest ontslaat de eiser 2 van rechtsvervolging voor de telastlegging C.1 in zoverre die telastlegging betrekking heeft op twintig veerklemmen. Het bevestigt evenwel de beroepen beslissing tot verbeurdverklaring van de voorwerpen, bedoeld in het overtuigingsstuk
- In zoverre hierbij ook de voormelde twintig veerklemmen zijn bedoeld, is die beslissing niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het ten laste van de eiser 2 de verbeurdverklaring beveelt van de twintig veerklemmen, vermeld in de telastlegging C.1 en deel van het overtuigingsstuk
- Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser 1 tot de kosten van zijn cassatieberoep en de eiser 2 tot negen tienden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen reden is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 232,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.22 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030916.8 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.12 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211116.2N.18 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240206.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div