← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:

Art. 32

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 32

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 32

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 6 Het oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling over het al dan niet regelmatige karakter van de bewijsverkrijging en, ingeval van onregelmatig verkregen bewijs, de toetsing van de onregelmatigheid aan het eerste en derde criterium van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering door dat onderzoeksgerecht, is bindend voor het vonnisgerecht; een eventuele beoordeling van de betrouwbaarheid van het onregelmatig verkregen bewijs door de kamer van inbeschuldigingstelling bindt het vonnisgerecht echter niet

(1).
(1)Zie Cass. 31 oktober 2012, AR P.12.1369.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121031.5, AC 2012, nr. 584. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 32

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 32

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 32

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235bis- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.0266.N

  1. P. R. V.,
  2. S. W.,
  3. ECHELON gcv, met zetel te 9100 Sint-Niklaas, Van Landeghemstraat 26/2, beklaagden, eisers, allen met als raadsman mr. Bram Elyn, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 januari
  4. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De raadsman van de eisers heeft op 8 juni 2023 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  5. In zoverre gericht tegen de vrijspraak van de eisers 1 en 2 voor de telastleggingen C en F, is hun cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek, de artikelen 380, § 1, 4°, § 3, 1° en 2°, en § 7, 381 en 382, § 1 en § 4, Strafwetboek, zoals van toepassing op het moment van de feiten, en de artikelen 433quater/1, 433quater/5 en 433quater/6 Strafwetboek, zoals van toepassing op het moment van de uitspraak: het arrest (p. 24) oordeelt: “Onder de huidige strafbepalingen wordt de vereniging niet langer voorzien als afzonderlijke verzwarende omstandigheid bij het misdrijf van exploitatie van prostitutie (telastlegging G), maar aangezien de feiten van deze telastlegging onder de strafwet zoals heden van toepassing een zwaardere bestraffing uitmaken, zijn de strafbepalingen die golden ten tijde van de feiten van toepassing, zodat de verzwarende omstandigheid dat de feiten gepleegd werden in het kader van een vereniging, van toepassing blijft”; aldus past het arrest artikel 2 Strafwetboek onjuist toe; de oude strafbepalingen aangaande de exploitatie van prostitutie bepalen immers een hogere straf dan de nieuwe strafbepalingen wanneer de verzwarende omstandigheid van de vereniging bewezen wordt verklaard.
  7. Het arrest veroordeelt de eiser 1 tot een straf wegens de vermengde feiten van de telastleggingen A.1 (hoofd bende), D.1, D.3 tot en met D.8 (mensenhandel met verzwarende omstandigheden), E (witwassen) beperkt, G.1 en G.3 tot en met G.8 (exploitatie prostitutie met verzwarende omstandigheden). Het veroordeelt de eiseres 2 tot een straf wegens de vermengde feiten van de telastleggingen A.2 (deelneming bende), D.2 tot en met D.8 en G.2 tot en met G.
  8. Die respectieve straffen zijn naar recht verantwoord ingevolge de schuldigverklaring van de eiser 1 aan de telastleggingen A.1, D.1, D.3 tot en met D.8 en E (beperkt) en van de eiseres 2 aan de telastleggingen A.2 en D.2 tot en met D.
  9. Het middel dat enkel opkomt tegen de respectieve aan de eisers 1 en 2 opgelegde straffen wegens de telastleggingen G, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, artikel 17 IVBPR, artikel 15 Grondwet en de artikelen 32 en 89bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld, de bewijskracht van het proces-verbaal 16187/16 “en de wering van alle navolgende stukken uit het strafdossier”: het arrest (p. 55-56) oordeelt: “Aangezien er geen heterdaadsituatie bestond (artikel 32 Sv.) en evenmin een mandaat van de onderzoeksrechter (artikel 89bis Sv.) of een voorafgaande schriftelijke toestemming van diegene die het genot had van de woning (artikel 3 Wet 7 juni 1969) voorligt, is de huiszoeking uitgevoerd op 13 oktober 2016 in de woning gelegen (…) in (…), onwettig (…) Er kan evenmin worden aangenomen dat het recht op een eerlijk proces werd geschonden (…) Na het aanbellen werd aan de politieambtenaren vrijwillig toegang verleend tot de woning door een Engels sprekende dame (…) Uit niets blijkt dat één van de zes aanwezige dames, noch [P.], een huiszoeking zou geweigerd hebben toen dit hen werd gevraagd, zodat de onregelmatigheid voornamelijk een formeel karakter heeft”; de politiediensten hebben op een heimelijke wijze een afspraak gemaakt met een vermoede dame van lichte zeden; er was toen nog geen ander bewijsmateriaal voorhanden behalve de consultatie van www.redlights.be; de aanwezige dames spraken geen Engels, zoals blijkt uit het proces-verbaal 16187/16; met het oordeel dat een Engels sprekende dame de politieambtenaren vrijwillig binnenliet in de woning, miskent het arrest de bewijskracht van dat proces-verbaal; zonder dat onwettige proces-verbaal zou de rest van het bewijsmateriaal niet bestaan; bijgevolg dient het ganse strafdossier uit het bewijs te worden geweerd.
  11. Artikel 235bis, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij de regeling van de rechtspleging de regelmatigheid van de haar voorgelegde procedure onderzoekt.
  12. Artikel 235bis, § 5, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met betrekking tot de verwijzingsbeschikking die door de kamer van inbeschuldigingstelling zijn onderzocht, kunnen niet meer opgeworpen worden voor de feitenrechter, behoudens de middelen die verband houden met de bewijswaardering. Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de kamer van inbeschuldigingstelling.”
  13. Artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tot nietigheid van een onregelmatig verkregen bewijselement enkel wordt besloten indien

(1)de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid of
(2)indien de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of
(3)indien het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
  1. Uit de samenlezing van deze bepalingen volgt dat indien voor de kamer van inbeschuldigingstelling de onregelmatigheid van een bewijsgegeven wordt opgeworpen, dit onderzoeksgerecht moet onderzoeken of dit bewijsgegeven inderdaad onregelmatig is verkregen en, wanneer het oordeelt dat dit het geval is, moet nagaan of de onregelmatigheid al dan niet bestaat in de niet-naleving van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarden, dan wel of het gebruik van het onregelmatig verkregen bewijs al dan niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces. De kamer van inbeschuldigingstelling dient in het kader van deze beoordeling niet de betrouwbaarheid van het bewijs te toetsen, aangezien dit behoort tot de beoordeling van de bewijswaarde die het vonnisgerecht toekomt.
  2. Het oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling over het al dan niet regelmatige karakter van de bewijsverkrijging en, ingeval van onregelmatig verkregen bewijs, de toetsing van de onregelmatigheid aan het eerste en derde criterium van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering door dat onderzoeksgerecht, is bindend voor het vonnisgerecht. Een eventuele beoordeling van de betrouwbaarheid van het onregelmatig verkregen bewijs door de kamer van inbeschuldigingstelling bindt het vonnisgerecht echter niet.
  3. De kamer van inbeschuldigingstelling heeft bij arrest van 5 maart 2020, gewezen overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, onder meer geoordeeld dat de huiszoeking onregelmatig was, maar dat met die onregelmatigheid geen op straffe van nietigheid voorgeschreven regel werd overtreden en dat de onregelmatigheid het recht op een eerlijk proces van de eisers niet heeft miskend.
  4. De eisers konden die beoordeling van de kamer van inbeschuldigingstelling niet meer in vraag stellen voor het vonnisgerecht.
  5. Het middel dat enkel opkomt tegen het oordeel van het arrest over de onregelmatigheid in de bewijsgaring en de toetsing aan het eerste en derde criterium van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, waarover reeds is geoordeeld bij het vermelde arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling, is gericht tegen overtollige redenen, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie en de artikelen 28septies en 88bis, § 2, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld, “omkering van de bewijslast” en “tegenstrijdige motivering”: het arrest oordeelt dat niets de eisers belet om tegenspraak te voeren over de resultaten van de telefoniebeschikkingen, ondanks de onwettigheden die het vaststelt inzake de overschrijding van de maximumduur van die beschikkingen en de eraan ten grondslag liggende vorderingen; bijgevolg zouden de eisers zich, in strijd met het vermoeden van onschuld, moeten verdedigen op de onterecht verkregen bewijzen; dit betreft een omkering van de bewijslast en een tegenstrijdige motivering; er kan niet enerzijds worden gesteld dat iets strijdig is met de wetgeving om beklaagden tegelijkertijd te verplichten om zich erop te verdedigen; dit is onlogisch en in strijd met het recht op privéleven.
  7. Het vermoeden van onschuld en het recht op privacy vereisen niet dat de rechter elke onregelmatigheid in de bewijsvoering weert uit het bewijs waarop een beklaagde zich dient te verdedigen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. De aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering van het arrest is afgeleid uit de vermelde onjuiste rechtsopvatting. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  9. Het arrest (p. 57-59) vermeldt waarom het uit de telefoniegegevens verkregen bewijs ondanks de vastgestelde onregelmatigheid niet uit het debat moet worden geweerd en waarom het eisers’ desbetreffende verweer verwerpt. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 288,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 13 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250527.2N.31 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121031.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.