← België

V. contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.24 Rolnummer: P.22.0993.N Zaak: V. contra G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2023-06-22 Raadplegingen: 761 - laatst gezien 2026-06-15 08:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het opleggen van het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod vereist niet dat de betrokkene in het verleden reeds werd veroordeeld voor faillissements- of andere economische misdrijven. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen: KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Fiches 3 - 5 De rechter oordeelt onaantastbaar zo aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de bijkomende facultatieve straf van het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod is voldaan, of het opleggen van die straf en de duur ervan rekening houdend met het door de wetgever bepaalde minimum en maximum in het licht van de strafdoelen die de rechter beoogt noodzakelijk is en hij oordeelt even onaantastbaar of het opleggen van die bijkomende straf voor de door hem bepaalde duur proportioneel is rekening houdend met de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en bij die beoordeling kan de rechter ook het al dan niet opleggen van andere straffen betrekken. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen: KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Fiches 6 - 10 Uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de hoven van beroep, volgt voor de rechter die de facultatieve bijkomende straf van het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod oplegt, de verplichting de keuze voor die straf en de maat ervan nauwkeurig te motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn en uit artikel 149 Grondwet kan, behoudens bij daartoe strekkende conclusie, geen verdergaande motiveringsverplichting worden afgeleid; bij de beoordeling van de noodzaak om aan een beklaagde het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod op te leggen en bij de motivering van die beslissing en de duur ervan moet de rechter niet uitdrukkelijk de leeftijd, het beroep, de voorgeschiedenis met betrekking tot andere vennootschappen en het gerechtelijk verleden op het vlak van economische en faillissementsmisdrijven van de beklaagde betrekken. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0993.N P. R. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ali Fadili, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 29 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 47bis, § 2, § 3, § 5, en § 6, Wetboek van Strafvordering: de appelrechters houden voor de schuldigverklaring van de eiser rekening met een verklaring die hij heeft afgelegd terwijl hij niet werd bijgestaan door een raadsman; hij kreeg een uitnodiging voor verhoor met mededeling van zijn rechten, maar uit het dossier blijkt niet dat hij afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand van een raadsman.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser de met het middel aangevoerde miskenning van zijn recht op bijstand van een raadsman heeft aangevoerd voor de appelrechters. Hij kan die miskenning niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren. Het middel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  4. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de duur van de bijkomende straf van het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod is disproportioneel en het arrest houdt geen rekening met de persoon van de eiser en meer bepaald zijn leeftijd, zijn beroep, de voorgeschiedenis met betrekking tot andere vennootschappen en het gerechtelijk verleden betreffende economische en faillissementsmisdrijven. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod: door aan de eiser de bijkomende straf van het bestuurdersverbod op te leggen voor een duur van zeven jaar terwijl de eiser 58 jaar is, slechts in zijn leven met één vennootschap heeft gewerkt en geen eerdere correctionele veroordelingen wegens faillissementsmisdrijven heeft opgelopen is een straf van die duur disproportioneel en onwettig; de eiser werd enkel geconfronteerd met een ongelukkige situatie en hij had niet de intentie om de aangifte van faillissement uit te stellen; ten onrechte oordeelt het arrest dat eisers handelen geen correcte manier van functioneren binnen het economisch verkeer is en dat de markt dient te worden beschermd tegen het optreden van de eiser als professioneel onbetrouwbaar in het besturen van een vennootschap; het arrest motiveert niet waarom een duur van zeven jaar is aangepast aan de ernst van de feiten en de persoon van de eiser.
  5. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
  6. Het opleggen van het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod vereist niet dat de betrokkene in het verleden reeds werd veroordeeld voor faillissements- of andere economische misdrijven.
  7. De rechter oordeelt onaantastbaar zo aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de bijkomende facultatieve straf van het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod is voldaan, of het opleggen van die straf en de duur ervan rekening houdend met het door de wetgever bepaalde minimum en maximum in het licht van de strafdoelen die de rechter beoogt noodzakelijk is.
  8. De rechter oordeelt even onaantastbaar of het opleggen van die bijkomende straf voor de door hem bepaalde duur proportioneel is rekening houdend met de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde. Bij die beoordeling kan de rechter ook het al dan niet opleggen van andere straffen betrekken.
  9. Uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de hoven van beroep, volgt voor de rechter die de facultatieve bijkomende straf van het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod oplegt, de verplichting de keuze voor die straf en de maat ervan nauwkeurig te motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn. Uit artikel 149 Grondwet kan, behoudens bij daartoe strekkende conclusie, geen verdergaande motiveringsverplichting worden afgeleid.
  10. Bij de beoordeling van de noodzaak om aan een beklaagde het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod op te leggen en bij de motivering van die beslissing en de duur ervan moet de rechter niet uitdrukkelijk de leeftijd, het beroep, de voorgeschiedenis met betrekking tot andere vennootschappen en het gerechtelijk verleden op het vlak van economische en faillissementsmisdrijven van de beklaagde betrekken.
  11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  12. In zoverre het middel opkomt tegen de beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk.
  13. Het arrest oordeelt dat gelet op de persoon van de eiser en zijn ongunstig strafrechtelijk verleden, de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten hem een effectief bestuurdersverbod als bedoeld door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod voor een termijn van zeven jaar moet worden opgelegd. Volgens het arrest blijkt uit de door de eiser gepleegde feiten dat het hem ontbreekt aan elementaire eerlijkheid en aan rechtschapenheid en dat hij als zaakvoerder professioneel onbetrouwbaar is in het besturen van een vennootschap. Het arrest voegt daaraan toe dat het niet gaat om een dubbele bestraffing maar wel om het opleggen van een bijkomende straf waarin de wetgever bewust heeft voorzien en dat die straf niet disproportioneel is, maar zich opdringt om de eiser inzicht bij te brengen over de ernst van de feiten. Verder oordeelt het arrest dat de duur van het verbod aangepast is aan de ernst van de feiten en rekening houdt met de persoonlijkheid van de eiser en zijn gunstig strafregister. Het oordeelt ook dat het geen disproportionele zware straf oplegt omdat het aan de eiser geen effectieve gevangenisstraf oplegt maar een werkstraf en een effectieve geldboete, alsook dat het door artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde ondernemersverbod niet wordt opgelegd zodat de eiser economisch actief kan blijven als zelfstandig ondernemer en hij bijgevolg niet kan aanvoeren dat het bestuurdersverbod “zijn broodwinning” verhindert.
  14. Met die redenen motiveert het arrest op nauwkeurige wijze de keuze voor de bijkomende facultatieve straf van het bestuurdersverbod en de duur ervan en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 13 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.