id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.13 Rolnummer: F.21.0181.N-F.21.0187.N Zaak: S. contra BELGISCHE STAAT, MINISTER VAN FINANCIËN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-10-03 Raadplegingen: 1713 - laatst gezien 2026-06-18 14:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230616.1N.13 Fiche 1 Artikel 84ter Btw-wetboek vereist niet dat de daarin bedoelde kennisgeving nauwkeurig vermeldt welke inzichten of bedoelingen te schaden aan de belastingplichtige ten laste kunnen worden gelegd; het volstaat dat het vermoeden van belastingontduiking nauwkeurig wordt vermeld, zonder dat het bewijs van de belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 84ter - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 2 De ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren, mogen zich geen toegang tot particuliere woningen of bewoonde lokalen verschaffen zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige; de machtiging van de politierechter verleent de desbetreffende ambtenaren enkel de toelating om tot de visitatie van particuliere woningen of bewoonde lokalen over te gaan, maar houdt niet in dat die ambtenaren die lokalen ook zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige mogen betreden; de toestemming van de belastingplichtige dient blijvend aanwezig te zijn
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 63 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Annotaties Publicaties: Fiscoloog-Fiscoloog: nieuwsbrief over fiscaliteit - 2023, nr. 1802, p. 2-
- - ENGELEN, Julie; Noot'Visitatie woning: blijvende toestemming onontbeerlijk' Fiscologue-Fiscologue - 2023, n° 1802, p. 2-
- - ENGELEN, Julie; Noot'Visite à domicile: un consentement permanent est indispensable' Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2023, nr. 29, p. 1-
- - VANDEN BRANDE, Joke; JANSSENS, Koen; Noot'Voor visitatie is blijvende toestemming van belastingplichtige vereist' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2023, nr. 16/17, p. 1338-
- - MESSIAEN, Tom; SEGERS, Daphne; Noot''Betreden op eigen risico': de toegang tot bewoonde ruimten door de sociale inspectie na het cassatiearrest van 16 juni 2023' Fisc.Act.-Fiscale actualiteit: wekelijkse nieuwsbrief - 2025, nr. 14, p. 1-
- - LARDENOIT, Charlotte; NACKAERTS, Eva; Noot'Cassatie bevestigt filtering mailbox om vertrouwelijkheid correspondentie met advocaat te beschermen' Tekst van de beslissing Nr. F.21.0181.N H.S., eiser, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-generaal van het Centrum KMO Aalst, met kantoor te 9300 Aalst, dr. A. Sierensstraat 16 bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleesschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. II. Nr. F.21.0187.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur-generaal Centrum KMO Aalst, met kantoor te 9300 Aalst, dr. A. Sierensstraat 16 bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleesschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest, tegen H.S., I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 20 april
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 15 mei 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Zaak F.21.0181.N
- De eiser voert in zijn verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Zaak F.21.0187.N
- De eiser voert in zijn verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Voeging
- Met het oog op een goede rechtsbedeling dienen de cassatieberoepen te worden gevoegd. Zaak F.21.0181.N Eerste middel
- Krachtens artikel 81bis, § 1, eerste lid, Btw-wetboek is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. Krachtens artikel 81bis, §1, tweede lid, 4°, Btw-wetboek is er in afwijking van het eerste lid evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
- Krachtens artikel 84ter Btw-wetboek moet de administratie, indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, §1, tweede lid, 4°, toe te passen, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.
- De vaststelling van een niet-aangegeven meeromzet die blijkt uit een vergelijking tussen de verkoopprijzen opgenomen in een document aangetroffen naar aanleiding van de controle bij een andere belastingplichtige en de verkoopprijzen volgens de btw-aangifte van de belastingplichtige, en die niet geloofwaardig kan worden verantwoord, kan gelden als een vermoeden van belastingontduiking.
- Artikel 84ter Btw-wetboek vereist niet dat de daarin bedoelde kennisgeving nauwkeurig vermeldt welke inzichten of bedoelingen te schaden aan de belastingplichtige ten laste kunnen worden gelegd. Het volstaat dat het vermoeden van belastingontduiking nauwkeurig wordt vermeld. Evenmin is vereist dat de fiscale administratie over bekende feiten of vaststellingen beschikt die tot het bewijs van belastingontduiking aanleiding kunnen geven en dat zij dit moet meedelen in de voorafgaande kennisgeving. Het zou immers in strijd zijn met de wil van de wetgever de fiscale administratie op voorhand te dwingen te bewijzen wat het juist op grond van een aanvullend onderzoek wil bewijzen. De voorafgaande kennisgeving van een nauwkeurig omschreven vermoeden van belastingontduiking volstaat bijgevolg, zonder dat het bewijs van de belastingontduiking reeds objectief moet zijn geleverd. Enkel wanneer het vermoeden onnauwkeurig is omschreven of berust op vage of ongeloofwaardige veronderstellingen, kan niet tot het bestaan van een vermoeden van belastingontduiking worden besloten.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de kennisgeving van toepassing van de verlengde verjaringstermijn bijzonder uitgebreid is; - de kennisgeving vermeldt dat naar aanleiding van een normale controle van Euro-Cars bv het Excel-bestand ‘aan- en verkopen.xls’ werd aangetroffen dat ook maandelijkse lijsten van de aan- en verkopen van voertuigen en toebehoren bevatte met betrekking tot de kalenderjaren 2010 en 2011; - de eiser op dat moment diezelfde activiteit nog onder eigen naam als zelfstandige uitoefende; - de schriftelijke kennisgeving op zeer uitvoerige en duidelijke wijze uiteenzet dat de verschillen tussen die Excel-lijst en de officiële verkopen, zoals die blijkt uit de aangiften, wijzen op niet aangegeven omzet; - eenzelfde vergelijking tussen deze lijst en de btw-aangiften voor 2010 en 2011 eveneens wijst op een niet aangegeven meeromzet van dezelfde activiteit die de eiser toen uitoefende; - niets belet dat vermoedens van belastingontduiking ten aanzien van een bepaalde belastingplichtige ontstaan naar aanleiding van een onderzoek bij een andere belastingplichtige; - de kennisgeving meteen een berekening maakt van de eventueel niet aangegeven omzet; - deze kennisgeving daarmee op een nauwkeurige wijze de vermoedens van belastingontduiking heeft meegedeeld en voldoet aan de vereisten van artikel 84ter Btw-wetboek; - waar de kennisgeving mede tot doel heeft de belastingplichtige in staat te stellen zijn rechtspositie te kennen en zijn rechten van verdediging te vrijwaren tegen eventuele latere aanspraken van de administratie, daaraan met deze kennisgeving zeker is tegemoet gekomen; - de administratie in de kennisgeving zowat alle resultaten van het onderzoek heeft meegedeeld, zodat de eiser meteen het debat kon aangaan met de administratie, zijn standpunt met kennis van zaken kon meedelen en zijn verweer kon organiseren en uitoefenen; - anders dan de eiser stelt, niet blijkt dat het vermoeden van belastingontduiking steunt op de inbreuk op artikel 61 Btw-wetboek, namelijk door het niet voorleggen van de boekhouding van de jaren 2010 en 2011 en het duidelijk de verschillen zijn tussen het Excel-bestand en de aangiften die het vermoeden van fraude hebben doen ontstaan.
- Op die gronden verantwoordt de appelrechter zijn beslissing dat rekening houdende met alle gegevens van het dossier terecht een vermoeden van fraude werd aangenomen, zoals behoorlijk omschreven in de kennisgeving, naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Krachtens artikel 63, eerste lid, Btw-wetboek moet eenieder die een economische activiteit uitoefent, aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen: 1° de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden; 2° door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm; 3° de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangesteld personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van productie- en vervoermiddelen. Krachtens artikel 63, derde lid, Btw-wetboek mogen die ambtenaren, met hetzelfde doel, eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur ’s morgens en negen uur ’s avonds en uitsluitend met machtiging van de politierechter.
- De ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren, mogen zich geen toegang tot particuliere woningen of bewoonde lokalen verschaffen zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige. De machtiging van de politierechter verleent de desbetreffende ambtenaren enkel de toelating om tot de visitatie van particuliere woningen of bewoonde lokalen over te gaan, maar houdt niet in dat die ambtenaren die lokalen ook zonder voorafgaande toestemming van de belastingplichtige mogen betreden. De toestemming van de belastingplichtige dient blijvend aanwezig te zijn.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiser bij de aanvang van de visitatie zijn toestemming verleende, maar kennelijk nadien een geluidsopname maakte waarin hij zegt dat hij geen toestemming verleent, waarop de ambtenaar zegt dat hij wel toestemming heeft verleend; - de eiser niet bewijst dat er sprake is van een wilsgebrek; - uit het arrest van het Grondwettelijk Hof van 12 oktober 2017 volgt dat de belastingambtenaren geen dwang mogen gebruiken bij het uitvoeren van een visitatie; - de machtiging van de politierechter inhoudt dat de al dan niet toestemming van de belastingplichtige in beginsel van geen belang is en de belastingplichtige geen toestemming hoeft te geven aangezien er een machtiging verleend is; - het Grondwettelijk Hof in het voormelde arrest overwoog dat een zinvolle interpretatie van de verplichting tot medewerking vereist dat de belastingadministratie niet afhankelijk is van de keuze van belastingplichtige om te bepalen in welke documenten hij inzage verleent en dat de belastingplichtige zijn medewerking dient te verlenen om bijvoorbeeld gesloten kasten of kluizen te openen; - louter het gegeven dat geen toestemming werd verleend, op zich niet inhoudt dat de belastingambtenaren dwang hebben gebruikt; - er hier niet kan worden vastgesteld dat door de belastingambtenaren onrechtmatige dwang werd aangewend bij het uitvoeren van de visitatie; - er ook niet wordt aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de rechten van verdediging of de grondrechten van de eiser naar aanleiding van de visitatie werden geschonden of de visitatie werd uitgevoerd op een wijze die kennelijk onredelijk of disproportioneel was; - de vaststelling dat de eiser de machtiging en de kennisgeving niet voor ontvangst wou ondertekenen, de visitatie niet onregelmatig maakt en die houding de uitoefening van de vrije wil van de eiser aantoont; - er geen grond is om tot de onrechtmatige herkomst te besluiten van de gegevens die werden verkregen naar aanleiding van de visitatie.
- Door aldus te oordelen dat de intrekking van de toestemming door de belastingplichtige om de lokalen te betreden en er niet aan in de weg staan dat de visitatie wordt verdergezet, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Zaak F.21.0187.N
- Gelet op het antwoord op het tweede middel in de zaak F.21.0181.N, dient het middel, dat niet tot een ruimere cassatie kan leiden, niet te worden beantwoord. Dictum Het Hof, Voegt de cassatieberoepen F.21.0181.N en F.21.0187.N. Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart en het oordeelt over de verjaring van de invordering en de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman François Stévenart Meeûs en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 16 juni 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.13 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230616.1N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div