← België

BELGISCHE STAAT contra RUSSELL bv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.2 Rolnummer: F.21.0022.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra RUSSELL bv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2023-10-03 Raadplegingen: 840 - laatst gezien 2026-06-15 08:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230616.1N.2 Fiche 1 De voorwaarde om het verminderd tarief van 10% te kunnen genieten dat minstens het verkregen bedrag “onmiddellijk” wordt opgenomen in het kapitaal en dat deze opneming plaatsvindt tijdens het laatste belastbaar tijdperk dat afsluit voor 1 oktober 2014, impliceert dat het te verhogen kapitaal datgene is dat aanwezig is op datum van de beslissing tot dividenduitkering

(1).
(1)Zie concl. OM. Zie ook het arrest in dezelfde zin dd. 16 juni 2023 inzake F.21.0149.N. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Roerende voorheffing Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 537 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiche 2 Aan de voorwaarde van onmiddellijke opname is niet voldaan wanneer wordt overgegaan tot een kapitaalvermindering tussen het ogenblik van de beslissing tot toekenning van dividenden middels vermindering van de belaste reserves en tot opname van die dividenden in het kapitaal van de vennootschap en de effectieve opname van de dividenden in het kapitaal
(1).
(1)Zie concl. OM. Zie ook het arrest in dezelfde zin dd. 16 juni 2023 inzake F.21.0149.N. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Roerende voorheffing Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 537 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0022.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal Centrum KMO Brugge, met kantoor te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1, eiser, tegen RUSSELL bv, met zetel te 8300 Knokke-Heist, Zoutelaan 5, bus 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0451.642.193, verweerster, met als raadslieden mr. Frank De Langhe en mr. Evert Moonen, advocaten bij de balie West-Vlaanderen, beiden met kantoor te 8790 Waregem, Henri Lebbestraat 109, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 september
  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 7 maart 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Krachtens artikel 537, eerste lid, WIB92, in de versie zoals van toepassing op het geding, wordt in afwijking van de artikelen 171, 3°, en 269, § 1, 1°, het tarief van de personenbelasting, respectievelijk de roerende voorheffing vastgesteld op 10 pct. voor de dividenden die overeenkomen met de vermindering van de belaste reserves zoals deze ten laatste op 31 maart 2013 zijn goedgekeurd door de algemene vergadering op voorwaarde dat en in de mate dat minstens het verkregen bedrag onmiddellijk wordt opgenomen in het kapitaal en dat deze opneming plaatsvindt tijdens het laatste belastbaar tijdperk dat afsluit voor 1 oktober
  3. De in artikel 537, eerste lid, WIB92 bepaalde voorwaarde dat minstens het verkregen bedrag “onmiddellijk” wordt opgenomen in het kapitaal en dat deze opneming plaatsvindt tijdens het laatste belastbaar tijdperk dat afsluit voor 1 oktober 2014, impliceert dat het te verhogen kapitaal datgene is dat aanwezig is op datum van de beslissing tot dividenduitkering. Aan deze voorwaarde is bijgevolg niet voldaan wanneer wordt overgegaan tot een kapitaalvermindering tussen het ogenblik van de beslissing tot toekenning van dividenden middels vermindering van de belaste reserves en tot opname van die dividenden in het kapitaal van de vennootschap en de effectieve opname van de dividenden in het kapitaal.
  4. De appelrechters stellen vast dat: - door de enige vennoot van de verweerster, handelend in plaats van de algemene vergadering, op 16 juni 2014 in het kader van de toepassing van artikel 537 WIB92 de beslissing werd genomen tot toekenning en betaalbaarstelling van een dividend van 1.317.000 euro, wat overeenkomt met de vermindering van een gedeelte van de belaste reserves zoals deze ten laatste op 31 maart 2013 zijn goedgekeurd door de algemene vergadering, alsook om dit dividend onmiddellijk te laten opnemen in het kapitaal; - op 26 juni 2014 een aangifte in de roerende voorheffing werd ingediend waarin een bedrag van 1.317.000 euro werd aangegeven aan een tarief van 10 pct.; - bij buitengewone algemene vergadering van de verweerster van 27 juni 2014, om 11u30, werd beslist om het kapitaal te verminderen met 1.729.200 euro teneinde het te brengen van 1.926.000 euro tot 196.800 euro; - bij buitengewone algemene vergadering van de verweerster van 27 juni 2014, om 12 uur, werd beslist om, onder de voorwaarden en bepalingen van artikel 537 WIB92, het kapitaal te verhogen met het nettobedrag van voormeld dividend, namelijk 1.185.300 euro, om het van 196.800 euro op 1.382.100 euro te brengen. Zij oordelen dat: - uit de tekst van artikel 537 WIB92 geenszins blijkt dat de wetgever tot doel had om ook het fiscaal gestort kapitaal dat zich reeds in de vennootschap bevond, gedurende de in artikel 537 WIB92 opgenomen periode te blokkeren; - ook uit de toerekeningsregel van artikel 537, vijfde en zesde lid, WIB92, die uitdrukkelijk enkel latere kapitaalverminderingen treft, niet blijkt dat de wetgever tot doel had om ook het kapitaal dat zich reeds in de vennootschap bevond vóór de toepassing van artikel 537 WIB92, te blokkeren gedurende een bepaalde termijn; - uit artikel 537 WIB92 noch uit de parlementaire voorbereiding van deze wetsbepaling blijkt dat de wetgever tot doel had om enkel een duurzame verhoging van de eigen middelen in de zin van bijkomende kapitaalvorming aan te moedigen, maar dat, integendeel, de specifieke antimisbruikregel opgenomen in het vijfde en zesde lid van artikel 537 WIB92 dergelijke doelstelling zelfs tegenspreekt, waar zij uitdrukkelijk enkel latere kapitaalverminderingen treft; - de bedoeling van de wetgever bij de invoering van de overgangsbepaling opgenomen in artikel 537 WIB92 erin bestond te vermijden dat vennootschappen in het licht van de verhoging van de roerende voorheffing van 10 pct. naar 25 pct. op liquidatieboni zouden overgaan tot vereffening teneinde nog te genieten van de verlaagde roerende voorheffing en deze maatregel tevens het doel van de wetgever ondersteunde om in het kader van het relanceplan van de economie en meer bepaald van de kmo’s, het onderschrijven van maatschappelijk kapitaal aan te moedigen, doch uit niets is af te leiden dat de wetgever deze overgangsmaatregel wenste voor te behouden voor vennootschappen die niet voorafgaandelijk aan de toepassing van artikel 537 WIB92 hun kapitaal hadden verminderd of aan vennootschappen waarin de kapitaalverhoging niet gedeeltelijk of geheel ongedaan werd gemaakt door een voorafgaande kapitaalvermindering; - de verweerster middels het doorvoeren van een kapitaalvermindering voorafgaand aan de verhoging van haar kapitaal in het kader van artikel 537 WIB92 geenszins de doelstelling van de wetgever om een duurzame verhoging van de eigen middelen van de vennootschap te bevoorrechten en te stimuleren, heeft gefrustreerd, aangezien het kapitaal dat met toepassing van artikel 537 WIB92 werd gevormd, op duurzame wijze de eigen middelen van de eiseres heeft verhoogd.
  5. De appelrechters die aldus oordelen dat artikel 537 WIB92 zich niet ertegen verzet dat tussen de dividenduitkering en de kapitaalverhoging middels de uitgekeerde dividenden, een kapitaalvermindering kan plaatsvinden, schenden deze wetsbepaling. Het middel is gegrond. Overige grieven
  6. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 16 juni 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230616.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.