- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: TERUGVORDERING VAN HET ONVERSCHULDIGD BETAALDE Wettelijke bepalingen: oud
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 Uit de duidelijke tekst van artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek, blijkt dat de wetgever de vrijstelling heeft toegekend aan instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen; noch uit de tekst van die wetsbepaling noch uit de parlementaire voorbereiding ervan blijkt impliciet of uitdrukkelijk dat de wetgever deze vrijstelling heeft willen voorbehouden aan andere dan publiekrechtelijke lichamen die niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet uitkeren maar aanwenden voor de instandhouding of verbetering van de vermelde diensten
(1)Zie concl. OM. Zie ook het arrest in dezelfde zin dd. 16 juni 2023 inzake F.21.0149.N. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde - 28-11-2006 - Art. 132 Tekst van de beslissing Nr. F.21.0097.N BEN-AIR FLIGHT ACADEMY nv, met zetel 2100 Antwerpen (Deurne), Luchthavenlei 1, bus 33, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0420.916.553, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest. tegen B.G., verweerder, in aanwezigheid van BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur van de Stafdienst Logistiek te 1030 Schaarbeek, North Galaxy, Toren B, 2de verdieping, Koning Albert II-laan 33, bus 971, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij, II. Nr. F.21.0114.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.7 BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur van de Stafdienst Logistiek te 1030 Schaarbeek, North Galaxy, Toren B, 2de verdieping, Koning Albert II-laan 33, bus 971, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. tegen 1. B.G., eerste verweerder, 2. BEN-AIR FLIGHT ACADEMY nv, met zetel 2100 Antwerpen (Deurne), Luchthavenlei 1, bus 33, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0420.916.553, tweede verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 december 2020. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 15 mei 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN Zaak F.21.0097.N De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Zaak F.21.0114.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.7 De eiser voert in zijn verzoekschrift, dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Voeging De cassatieberoepen in de zaken F.21.0097.N en F.21.0114.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.7 zijn gericht tegen hetzelfde arrest. Zij dienen te worden gevoegd. Zaak F.21.0097.N Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens de artikelen 1235, eerste lid, en 1376 Oud Burgerlijk Wetboek kan hetgeen betaald wordt zonder verschuldigd te zijn van de ontvanger worden teruggevorderd. 2. De vordering uit onverschuldigde betaling is een wettelijke toepassing van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich ten koste van een ander ongerechtvaardigd mag verrijken. Diegene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander dient de verarmde te vergoeden tot beloop van het laagste bedrag van de verrijking en de verarming zoals geraamd op het ogenblik van de vergoeding. Een vermindering van de verrijking sinds de vermogensverschuiving blijft voor rekening van de verrijkte wanneer deze hem is toe te rekenen. 3. Uit het vorenstaande volgt dat in geval van onverschuldigde betaling, de ontvanger als verweer kan aanvoeren dat hij redelijkerwijze mocht vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de betaling, hij het ontvangen bedrag heeft doorbetaald en tussen de ontvangst van de betaling en de doorbetaling een nauw verband bestaat. Dit is onder meer het geval indien de onverschuldigd ontvangen som te goeder trouw werd doorbetaald aan een derde ter uitvoering van een op het ogenblik van de doorbetaling bestaande wettelijke verplichting daartoe. 4. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - er voor de betaling door de verweerder aan de eiseres geen oorzaak voorhanden was, nu de aanrekening van de btw gebeurde in strijd met artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek; - daarbij niet van belang is dat er zich in hoofde van de eiseres geen verrijking zou hebben voorgedaan enkel omdat zij het bedrag heeft doorgestort aan de in gemeen- en bindendverklaring opgeroepen partij, aangezien de onverschuldigde betaling dient te worden onderscheiden van de verrijking zonder oorzaak en aan andere regels is onderworpen, het twee onderscheiden bronnen van verbintenissen betreft waarbij de onverschuldigde betaling haar rechtsgrond vindt in artikel 1235 Oud Burgerlijk Wetboek en waarbij de verrijking zonder oorzaak als subsidiaire bron van verbintenissen niet kan worden ingeroepen indien een vordering uit onverschuldigde betaling voorhanden is; - aangezien de aanrekening van de btw door de eiseres aan de verweerder ab initio gebeurde in strijd met artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek, zij niet mocht vertrouwen op de rechtsgeldige betaling van de btw door de verweerder; - gelet op de onverschuldigde betaling de eiseres dan ook principieel gehouden is tot terugbetaling aan de verweerder van de onterecht aangerekende btw. Vervolgens stellen de appelrechters vast en oordelen dat: - de beroepsopleiding door de eiseres ab initio van btw was vrijgesteld met toepassing van artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek, zodat ten onrechte btw werd aangerekend; - het vaststaat dat de eiseres ter zake door de administratie werd misleid, niet door de wetgever die tot 2013 geen gebruik heeft gemaakt van de discretionaire bevoegdheid voorzien in de btw-richtlijn om aanvullende voorwaarden voor de vrijstelling op te nemen in de wetgeving, maar door de fiscale administratie, enerzijds door de aanschrijving nr. 25 waarin werd gesteld, contra legem, dat de vrijstelling slechts geldt voor privaatrechtelijke instellingen die geen winstoogmerk beogen en anderzijds door na vernietiging van de aanschrijving uitdrukkelijk te stellen dat de eiseres, evenzeer contra legem, over de keuzemogelijkheid zou beschikken om btw aan te rekenen voor de beroepsopleiding tot lijnpiloot. 5. Op deze gronden verantwoorden de appelrechters, die de vordering op grond van onverschuldigde betaling van de verweerder tegen de eiseres toekennen, niettegenstaande zij vaststellen dat de eiseres door de fiscale administratie werd misleid, hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven 6. De overige grieven kunnen niet tot een ruimere cassatie leiden. Zaak F.21.0114.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.7 Beoordeling Eerste onderdeel 7. Artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek, in de versie ervan zoals van toepassing op het geding, bepaalt dat van de belastingen zijn vrijgesteld: “het verstrekken van school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing, en het verrichten van de nauw daarmee samenhangende diensten en leveringen van goederen, zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikte handboeken, door instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen; het geven door leerkrachten van lessen met betrekking tot school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing”. 8. Artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek is de omzetting in het nationaal recht van artikel 13, A, 1, i), van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG, krachtens hetwelk de lidstaten, onverminderd andere communautaire bepalingen, vrijstelling verlenen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen, voor onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of –herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen die hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend. Krachtens artikel 13, A, 2, eerste gedachtestreepje, van de Zesde Richtlijn kunnen de lidstaten de verlening van de in artikel 13, A, 1, i), bedoelde vrijstelling aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden: de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; wordt er wel winst gemaakt, dan mag deze niet worden uitgekeerd, maar moet zij worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verleend. 9. De Commissie van de Europese Gemeenschappen interpelleerde de Belgische overheid bij advies van 17 februari 1993, omdat zij van oordeel was dat de btw-vrijstelling van artikel 13, A, 1, i), van de Zesde Richtlijn te ruim en te vaag omschreven werd in artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek, aangezien de Zesde Richtlijn in principe alleen beoogt vrijstelling te verlenen voor het verstrekken van onderwijs, vorming, beroepsopleiding of herscholing door publiekrechtelijke lichamen, maar om de lidstaten de mogelijkheid te bieden de eigenheden van hun nationale onderwijsstelsel onder de definitie te vangen, de ruimte laat om de vrijstelling uit te breiden tot organisaties die weliswaar niet rechtstreeks onder de overheid vallen maar die hun werkzaamheden met een soortgelijk doel als de Staat verrichten. 10. Daarop vaardigde het ministerie van Financiën, administratie van de btw, registratie en domeinen, op 24 december 1993 de aanschrijving nr. 25 uit betrekking tot de vrijstelling bepaald in artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek. Daarin wordt gesteld dat de vrijstelling van artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek slechts geldt wanneer het school- of universitair onderwijs, de beroepsopleiding of –herscholing wordt verstrekt door privaatrechtelijke instellingen die geen winstoogmerk hebben en de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheid uitsluitend gebruikt worden ter dekking van de kosten van die werkzaamheid, terwijl de handelsondernemingen of de ondernemingen met commerciële doeleinden en zelfs de ondernemingen zonder winstoogmerk maar waarvan uit de boekhouding evenwel een winstoogmerk zou blijken, van de vrijstelling zijn uitgesloten. Onder punt 24 is bepaald dat die aanschrijving in voege treedt vanaf 1 januari 1994. 11. De Raad van State heeft bij arrest nr. 145.138 van 30 mei 2005 de aanschrijving nr. 25 vernietigd, omdat de in deze aanschrijving vermelde beperking van de vrijstellingsgrond van artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek, meer bepaald de uitsluiting van handelsondernemingen, niet in de tekst van de wet is opgenomen, niet is aangetoond dat het de onbetwistbare bedoeling van de wetgever was om dat artikel aldus toe te passen en de betreffende bepaling van de aanschrijving dan ook een toevoeging aan de wet bevat, zodat de aanschrijving een schending inhoudt van artikel 172, tweede lid, Grondwet, dat voor het vaststellen van een btw-vrijstelling en dus ook voor het beperken van een bestaande vrijstelling een wet in de formele zin vereist. 12. De Zesde Richtlijn werd ingetrokken en vervangen door de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. Krachtens artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG verlenen de lidstaten vrijstelling voor onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of –herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenlevering welke hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend. Krachtens artikel 133, a), van de Richtlijn 2006/112/EG kunnen de lidstaten de verlening van de in artikel 132, lid 1, i), bedoelde vrijstelling aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden: de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; eventuele winsten mogen niet worden uitgekeerd, maar moeten worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht. 13. Bij artikel 46 van de wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling werd het voornoemde artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek, vervangen als volgt: “4°
- a)het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van het verrichten van nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikt didactisch materiaal, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichamen met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de voornoemde diensten;
- b)de lessen die particulier door leerkrachten worden gegeven en die betrekking hebben op school- of universitair onderwijs;” Artikel 48 van de voormelde wet van 17 juni 2013 bepaalt dat artikel 46 in werking treedt op 1 januari 2014. 14. Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen. Een interpretatieve wet kan de geïnterpreteerde wet evenwel niet wijzigen, opheffen of aanvullen. 15. Uit de duidelijke tekst van artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek, in de versie zoals van toepassing op het geding, blijkt dat de wetgever de vrijstelling van artikel 13, A, 1, i), van de Zesde Richtlijn heeft toegekend aan instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen. Noch uit de tekst van die wetsbepaling noch uit de parlementaire voorbereiding ervan blijkt impliciet of uitdrukkelijk dat de wetgever deze vrijstelling heeft willen voorbehouden aan andere dan publiekrechtelijke lichamen die niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet uitkeren maar aanwenden voor de instandhouding of verbetering van de vermelde diensten. De Belgische wetgever heeft niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om de aanvullende voorwaarde op te leggen waarvan sprake in artikel 13, A, 2, eerste gedachtestreepje van de Zesde Richtlijn. 16. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 46 van de voormelde wet van 17 juni 2013 blijkt dat de wetgever met de vervanging van artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek een betere omzetting van de artikelen 132, lid 1, i), en 133, a), van de Richtlijn 2006/112/EG beoogde en tot doel had zich te schikken naar de grondwettelijke regels benadrukt door de Raad van State in het arrest nr. 145.138 van 30 mei 2005. 17. Uit het voorgaande volgt dat de wetgever, door de vervanging van artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek bij artikel 46 van voormelde wet van 17 juni 2013, het toepassingsgebied van de vrijstelling voorzien in artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek heeft willen vernauwen tot diensten inzake onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing verricht door publiekrechtelijke lichamen of andere organisaties voor zover deze geen winstoogmerk hebben en de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheid uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan, zodat van dan af aan commerciële opleidingsinstellingen, ook als ze door de overheid zijn erkend, belastingplichtig worden. De uitleg dat de in artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek vastgestelde vrijstelling ook vóór de datum van 1 januari 2014 moet worden gelezen als dat zij enkel geldt voor het onderwijs verstrekt door privaatrechtelijke instellingen die geen winstoogmerk hadden en de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheid uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten van die werkzaamheid, is een interpretatie die door de rechter niet had kunnen worden aangenomen. Hieruit volgt dat artikel 46 van de voormelde wet van 17 juni 2013 niet als een interpretatieve bepaling kan worden beschouwd. 18. In zoverre het onderdeel van een tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht. 19. Het arrest dat tot staving van de uitleg van een wet een precedent in de rechtspraak aanvoert, verleent aan dat precedent niet de draagwijdte van een algemene verordenende bepaling. 20. De appelrechters oordelen dat: - de stelling dat het ontbreken van het systematisch beogen van winst een impliciete voorwaarde is voor de vrijstelling van artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek, contra legem is, want in strijd met het legaliteitsbeginsel; - bij gebrek aan enig wetgevend initiatief waarbij enige beperking terzake werd ingevoerd, artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek zoals van toepassing in de periode van de uitreiking van de facturen door de tweede verweerster, noch expliciet, noch impliciet voorzag in de voorwaarde dat beroepsopleidingen slechts van btw zouden zijn vrijgesteld indien zij worden verstrekt door instellingen die geen winstoogmerk nastreven. De verwijzing, voorafgaand aan die overwegingen, naar een arrest van de Raad van State en een arrest van het Hof, die in dezelfde zin hebben beslist, doet geen afbreuk aan het autonome karakter van de overtuiging waaraan de bekritiseerde reden uitdrukking geeft. 21. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 6 Gerechtelijk Wetboek, kan het niet worden aangenomen. 22. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek is het geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 46 van de voormelde wet van 17 juni 2013, van artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek, zowel in de versie zoals van toepassing op het geding als in de versie zoals van toepassing na de wijziging ervan bij voormelde wet van 17 juni 2013, van de artikelen 13.A.1, i), en 13.A.2, a), van de Zesde Richtlijn, van de artikelen 131, 132.1,
- i)en 133 van de Richtlijn 2006/112/EG en van de artikelen 6 en 7 Gerechtelijk Wetboek en is het mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 23. Krachtens het vroegere artikel 10, lid 1, EG-Verdrag, thans artikel 4, derde lid, VEU, dat het beginsel van de Unietrouw bevat, treffen de lidstaten alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak. Krachtens lid 2 van voormelde bepaling onthouden zij zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen. 24. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat voornoemd artikel 10 EG-Verdrag, dat voor alle met overheidsgezag beklede instanties van de lidstaten geldt, dus ook – in het kader van hun bevoegdheden – voor de rechterlijke instanties, de nationale rechter verplicht om de nationale bepalingen die hij moet toepassen, zoveel mogelijk in overeenstemming met de eisen van het Unierecht uit te leggen (HvJ 13 november 1990, C-106/89, Marleasing, r.o. 8; HvJ 26 september 2000, C-262/97, Engelbrecht, r.o. 38-40; HvJ 27 oktober 2009, C-115/08, Land Oberösterreich / CEZ as, r.o. 138). Indien een dergelijke Unierechtsconforme toepassing onmogelijk is, is de nationale rechter gehouden de volle werking van het Unierecht te vrijwaren en daarbij zo nodig, op eigen gezag, elke met het Unierecht strijdige bepaling van de nationale wetgeving buiten toepassing te laten (HvJ 4 februari 1988, 157/86, Murphy, r.o. 11; HvJ 22 juni 2010, gevoegde zaken C-188/10 en C-189/10, Melki, r.o. 43). 25. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in een arrest van 24 juni 2019 in de zaak C-573/17, Poplawski, r.o. 59 e.v. gepreciseerd dat niettemin ook rekening moet worden gehouden met de andere wezenlijke kenmerken van het Unierecht en meer bepaald met het feit dat slechts aan een deel van de bepalingen van dat recht rechtstreekse werking wordt toegekend. Het beginsel van voorrang van het Unierecht kan dus niet ertoe leiden dat het wezenlijke onderscheid tussen de bepalingen van het Unierecht die rechtstreekse werking hebben en de bepalingen die dit niet hebben, ter discussie wordt gesteld, en kan derhalve evenmin uitmonden in de instelling van één enkele regeling voor de toepassing van alle bepalingen van het Unierecht door de nationale rechterlijke instanties. Aldus is iedere nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is aangezocht, als orgaan van een lidstaat verplicht iedere nationale bepaling die strijdig is met een bepaling van het Unierecht met rechtstreekse werking in het geschil dat aan hem is voorgelegd buiten toepassing te laten. Een bepaling van het Unierecht zonder rechtstreekse werking kan daarentegen, als zodanig, in het kader van een onder het recht van de Unie vallend geding niet worden ingeroepen met het doel een daarmee strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing te laten. Zo kan het inroepen van een bepaling van een richtlijn die onvoldoende duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk is om rechtstreekse werking te worden toegekend, niet louter op grond van het Unierecht ertoe leiden dat een nationale bepaling door een rechterlijke instantie van een lidstaat buiten toepassing wordt gelaten. 26. Daarenboven oordeelt het Hof van Justitie van de Europese Unie in een vaste rechtspraak dat een richtlijn op zichzelf geen verplichtingen voor een particulier kan scheppen en dus als zodanig niet tegen hem kan worden ingeroepen voor een nationale rechterlijke instantie (HvJ 24 januari 2012, C 282/10, Dominguez, r.o. 41; HvJ 6 maart 2014, C 595/12, Napoli, r.o. 50; HvJ 24 januari 2019, C-573/17, Poplawski, r.o. 65). Krachtens artikel 288, derde lid, VWEU bestaat het verbindend karakter van een richtlijn, dat de grondslag vormt voor de mogelijkheid om deze aan te voeren, slechts ten aanzien van elke lidstaat waarvoor zij bestemd is. Een nationale rechter mag niet op grond van een bepaling van een richtlijn, zelfs al is deze duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk, een hiermee strijdige bepaling van zijn nationale recht buiten toepassing laten indien daardoor een aanvullende verplichting aan een particulier wordt opgelegd (HvJ 3 mei 2005, C 387/02, C 391/02 en C 403/02, Berlusconi e.a., r.o. 72 en 73; HvJ 17 juli 2008, C 152/07–C 154/07, Arcor e.a., r.o. 35 44; HvJ 24 januari 2019, C-573/17, Poplawski, r.o. 67). 27. Het onderdeel, dat geheel op een tegenovergestelde rechtsopvatting berust, faalt naar recht. 28. De door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen dienen bijgevolg niet te worden gesteld. Derde onderdeel 29. Krachtens artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde verlenen de lidstaten vrijstelling voor onderwijs aan kinderen of jongeren, school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of –herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenlevering welke hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend. Krachtens artikel 133, a), van de Richtlijn 2006/112/EG kunnen de lidstaten de verlening van de in artikel 132, lid 1, i), bedoelde vrijstelling aan andere dan publiekrechtelijke instellingen van geval tot geval afhankelijk stellen van een of meer van de volgende voorwaarden: de instellingen mogen niet systematisch het maken van winst beogen; eventuele winsten mogen niet worden uitgekeerd, maar moeten worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de diensten die worden verricht. 30. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in een arrest van 28 november 2013 in de zaak C-319/12, Minister Finansów t. MDDP sp. z 0.0. Akademia Biznesu, sp. komandytowa, r.o. 27 e.v. geoordeeld dat de artikelen 132, lid 1, i), en 133,
- a)van de Richtlijn 2006/112/EG niet eraan in de weg staan dat onderwijsdiensten die voor commerciële doeleinden worden verricht door niet-publieke organisaties, van btw worden vrijgesteld, aangezien: - de vrijstelling van artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG, door onderwijsdiensten op btw-gebied gunstiger te behandelen, de toegang tot deze diensten beoogt te vergemakkelijken door de verhoogde kosten te vermijden die zouden ontstaan indien de betrokken diensten aan btw werden onderworpen; - gelet op deze doelstelling, het commerciële karakter van een activiteit in de context van artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG niet uitsluit dat deze activiteit het algemeen belang dient; - evenzo de term ‘lichaam’ of ‘organisatie’ in artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG in beginsel ruim genoeg is om ook particuliere entiteiten met winstoogmerk te omvatten; - tevens moet worden vastgesteld dat de wetgever van de Europese Unie, telkens wanneer het zijn bedoeling was de vrijstellingen van artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG aan bepaalde entiteiten zonder winstoogmerk of zonder commercieel karakter voor te behouden, dat uitdrukkelijk heeft vermeld, zoals uit deze bepaling, sub l),
- m)en q), blijkt; - artikel 133,
- a)van de Richtlijn 2006/112/EG, dat een facultatieve voorwaarde bevat die de lidstaten naar vrije keuze aanvullend mogen opleggen voor de toekenning van bepaalde in artikel 132, lid 1, van deze richtlijn genoemde vrijstellingen, de lidstaten toestaat, maar niet verplicht, de vrijstellingen van met name voormeld artikel 132, lid 1, sub i, voor te behouden aan andere dan publiekrechtelijke lichamen die niet systematisch het maken van winst beogen; - in deze omstandigheden noodzakelijkerwijs moet worden aangenomen dat, wanneer de wetgever van de Unie, zoals in artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG, aan de betrokken vrijstellingen niet uitdrukkelijk de voorwaarde heeft verbonden dat geen winst wordt nagestreefd, het nastreven van winst de toepassing van deze vrijstellingen niet uitsluit, omdat artikel 133, a), van deze richtlijn anders elke zin verliest. 31. Uit die rechtspraak volgt kennelijk dat een handelsonderneming als een ‘andere organisatie die door de betrokken lidstaat als lichaam met soortgelijke doeleinden wordt erkend’ in de zin van artikel 132, lid 1, i), van de Richtlijn 2006/112/EG in aanmerking kan komen. 32. Het onderdeel dat geheel op een tegenovergestelde rechtsopvatting berust, faalt naar recht. 33. De door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen dienen bijgevolg niet te worden gesteld. Dictum Het Hof, Voegt de zaken F.21.0097.N en F.21.0114.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.7. In de zaak F.21.0097.N: Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vordering tot terugbetaling van de verweerder tegen de eiseres. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. In de zaak F.21.0114.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.7: Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 708,57 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, François Stévenart Meeûs en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 16 juni 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.8 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230616.1N.8 Verbonden dossier: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230616.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div