id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230619.3N.3 Rolnummer: S.19.0066.N Zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID c. VLAAMSE GEMEENSCH Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2023-10-05 Raadplegingen: 616 - laatst gezien 2026-06-15 08:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Op zichzelf maakt artikel 38, § 3bis Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid geen onderscheid naargelang de aard van de tewerkstelling van de bedoelde werknemers, zodat de loonmatigingsbijdrage die ze omschrijft verschuldigd is door alle werkgevers voor alle werknemers die zij tewerkstellen op wie één van de onder artikel 38, § 2, 1° tot 4°, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid vermelde bijdragen van toepassing is, ongeacht of zij door een arbeidsovereenkomst verbonden zijn. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Wet 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers - 29-06-1981 - Art. 38, §§ 2 en 3bis - 02 ELI link Pub nr 1981001048 Tekst van de beslissing Nr. S.19.0066.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.731.645, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Martelaarsplein 19,
- FRANSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van haar Minister-president, met kabinet te 1000 Brussel, Surlet de Chokierplein 15-17, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177, bus 7, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Gent, afdeling Gent, van 6 mei 2019, op verwijzing gewezen na arrest van het Hof van 5 oktober
- Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 41 Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid treden de bepalingen van deze wet in werking op de data die de Koning bepaalt. Daaruit volgt dat een bepaling van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid, behoudens andersluidende wettelijke regeling, niet in werking kan treden alvorens de Koning in de datum van haar inwerkingtreding voorziet. Het toepassingsgebied van de bijdrageplicht omschreven in artikel 38, § 3bis, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid wordt aldus niet afgebakend door de artikelen 1 en 2 van die wet, aangezien er nooit een formeel koninklijk besluit uitgevaardigd werd waardoor de artikelen 1 en 2 in werking werden gesteld.
- Krachtens artikel 38, § 3bis, eerste lid, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid, zoals hier van toepassing, wordt met ingang van 1 januari 1989 een loonmatigingsbijdrage ingevoerd, die gelijk is aan 5,67 pct. van het bedrag van het loon van de werknemer en 5,67 pct. van het bedrag van de verschuldigde basiswerkgeversbijdrage. Krachtens artikel 38, § 3bis, vierde lid, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid is de loonmatigingsbijdrage verschuldigd door elke werkgever met betrekking tot de werknemers op wie één van de onder § 2, 1° tot 4°, vermelde bijdragen van toepassing is, met uitsluiting evenwel van de werknemers of personeelsleden die rechtstreeks ten laste van de Rijksbegroting worden bezoldigd. Artikel 38, § 2, 1° tot 4°, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid legt de bijdragevoeten van de werknemersbijdragen vast voor de werknemers onderworpen aan de rust- en overlevingspensioenregeling van de werknemers, aan de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de uitkeringen), aan de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid en aan de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de geneeskundige verzorging).
- Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 38, § 3bis, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid blijkt dat de wetgever de loonmatigingsbijdrage wilde opleggen aan alle werkgevers voor alle werknemers die zij tewerkstellen, met uitzondering van deze die rechtstreeks ten laste van de Rijksbegroting worden bezoldigd. Daaruit volgt dat deze bepaling op zichzelf geen onderscheid maakt naargelang de aard van de tewerkstelling van de bedoelde werknemers, zodat de loonmatigingsbijdrage die ze omschrijft verschuldigd is door alle werkgevers voor alle werknemers die zij tewerkstellen op wie één van de onder artikel 38, § 2, 1° tot 4°, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid vermelde bijdragen van toepassing is, ongeacht of zij door een arbeidsovereenkomst verbonden zijn.
- Krachtens artikel 15, 1°, Uitvoeringsbesluit RSZ-wet, zoals hier van toepassing, wordt de toepassing van de RSZ-wet uitgebreid tot het Instituut tot aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek in de nijverheid en de landbouw (IWONL) alsmede tot de gerechtigden op een specialisatiebeurs, een onderzoekingsbeurs of een reisbeurs toegekend door dit Instituut, tenzij de wet op deze gerechtigden van toepassing is ingevolge een andere beroepsactiviteit. Krachtens artikel 17 RSZ-wet zijn de werknemers waarop deze wet toepassing vindt, onderworpen aan de rust- en overlevingspensioenregeling van de werknemers, aan de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de uitkeringen), aan de regeling inzake arbeidsvoorziening en werkloosheid en aan de regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (sector van de geneeskundige verzorging). Daaruit volgt dat de bursalen van het IWONL onderworpen zijn aan de bijdragen bedoeld in artikel 38, § 2, 1° tot 4°, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid en dienvolgens ook aan de loonmatigingsbijdrage bedoeld in artikel 38, § 3bis, Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid.
- De appelrechters die oordelen dat de loonmatigingsregeling niet van toepassing is op het IWONL en zijn bursalen, op grond dat de uitbreidingsbepaling van de RSZ-wet en het uitvoeringsbesluit enkel geldt voor de toepassing van die wet en dat het aan de eiser behoort het bewijs te leveren dat de bursalen onder gezag van het IWONL waren en er effectief sprake was van een arbeidsovereenkomst, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 19 juni 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230619.3N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div