id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230619.3N.7 Rolnummer: S.19.0027.N Zaak: RSZ contra H. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2023-10-05 Raadplegingen: 466 - laatst gezien 2026-06-15 08:47 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230619.3N.7 Fiche De opdrachtgever die bij betaling van de aannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, de in artikel 30bis, § 4 bedoelde inhouding en storting niet correct heeft uitgevoerd, is hoofdelijk aansprakelijk voor de sociale schulden van de aannemer, ook als de aannemer nog geen sociale schulden had bij het sluiten van de overeenkomst, maar deze voor het eerst ontstaan zijn in de loop van de uitvoering van de overeenkomst
(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Art. 30bis, § 4, elfde lid RSZ-wet voor de wijziging bij wet van 20 juli
- Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - 27-06-1969 - Art. 30bis, § 3, eerste, vierde en elfde lid, § 4, eerste, derde en vijfde lid, § 5, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Tekst van de beslissing Nr. S.19.0027.N RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.731.645, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen S.H., in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van PROJECTUM nv, met zetel te 2440 Geel, Beekhoek 14, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0446.922.649, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 10 februari 2017 en 16 februari
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 19 mei 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 30bis, § 3, eerste lid, RSZ-wet is de opdrachtgever die voor de in § 1 vermelde werken een beroep doet op een aannemer die sociale schulden heeft op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de sociale schulden van zijn medecontractant. Krachtens artikel 30bis, § 3, vierde lid, RSZ-wet wordt de hoofdelijke aansprakelijkheid beperkt tot de totale prijs van de werken toevertrouwd aan de aannemer of onderaannemer, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde. Krachtens artikel 30bis, § 3, elfde lid, RSZ-wet, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 20 juli 2015, is de in deze paragraaf vermelde hoofdelijke aansprakelijkheid eveneens van toepassing op de sociale schulden van de aannemer of de onderaannemer die ontstaan in de loop van de uitvoering van de overeenkomst. Krachtens artikel 30bis, § 4, eerste lid, RSZ-wet is de opdrachtgever die voor de in § 1 vermelde werken een deel of het geheel van de prijs betaalt aan een aannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, verplicht bij die betaling 35 pct. van het door hem verschuldigde bedrag, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, in te houden en te storten aan voormelde Rijksdienst, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning. Krachtens artikel 30bis, § 4, derde, vierde en vijfde lid, RSZ-wet worden de in deze paragraaf bedoelde inhoudingen en stortingen in voorkomend geval beperkt tot het bedrag van de schulden van de aannemer of onderaannemer op het ogenblik van de betaling. Wanneer de in deze paragraaf bedoelde inhouding en storting correct zijn uitgevoerd bij elke betaling van een deel of het geheel van de prijs aan een aannemer of onderaannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, wordt de in § 3 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid niet toegepast. Wanneer de in deze paragraaf bedoelde inhouding en storting niet correct zijn uitgevoerd bij elke betaling van een deel of het geheel van de prijs aan een aannemer of onderaannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, worden bij de toepassing van de in § 3 bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid de eventueel gestorte bedragen in mindering gebracht van het bedrag waarvoor de opdrachtgever of de aannemer aansprakelijk wordt gesteld. Krachtens artikel 30bis, § 5, eerste lid, RSZ-wet, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij wet van 20 juli 2015, is, onverminderd de toepassing van de sancties bepaald in artikel 35, eerste lid, 3°, de opdrachtgever die de in § 4, eerste lid, bedoelde storting niet verricht heeft, benevens de betaling van het te storten bedrag, aan de voormelde Rijksdienst bovendien een bijslag verschuldigd gelijk aan het te betalen bedrag.
- Uit de parlementaire voorbereiding van de wijzigingswet van 27 april 2007 blijkt dat artikel 30bis, § 3, elfde lid, RSZ-wet ertoe strekt de opdrachtgever hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de sociale schulden van de aannemer die zijn ontstaan in de loop van de uitvoering van de overeenkomst, ongeacht of de aannemer reeds sociale schulden had bij het sluiten van de overeenkomst met de opdrachtgever.
- Uit het geheel van voormelde bepalingen volgt dat de opdrachtgever die bij betaling van de aannemer die op het ogenblik van de betaling sociale schulden heeft, de in paragraaf 4 bedoelde inhouding en storting niet correct heeft uitgevoerd, hoofdelijk aansprakelijk is voor de sociale schulden van de aannemer, ook als de aannemer nog geen sociale schulden had bij het sluiten van de overeenkomst, maar deze voor het eerst ontstaan zijn in de loop van de uitvoering van de overeenkomst.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiser Projectum nv aanspreekt tot betaling van het in paragraaf 4 bedoelde te storten bedrag, alsook tot betaling van de in paragraaf 5 bedoelde bijslag; - de eiser Projectum nv niet anders kan aanspreken dan in haar eventuele hoedanigheid van hoofdelijke schuldenaar van de sociale schulden van haar medecontractant; - de eiser daarom eerst toepassing moet maken van artikel 30bis, § 3, RSZ-wet en derhalve onderzocht moet worden of de aannemer, op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst met Projectum nv, sociale schulden had bij de eiser; - de eiser niet aantoont dat de aannemer sociale schulden had op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst met Projectum nv.
- De appelrechters die op grond van voormelde redenen de vordering van de eiser afwijzen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt de bestreden arresten, behalve in zoverre het arrest van 10 februari 2017 het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde en het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 19 juni 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230619.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230619.3N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div