← België

VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230619.3N.8 Rolnummer: S.22.0046.N Zaak: VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN contra H. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2023-10-05 Raadplegingen: 860 - laatst gezien 2026-06-17 21:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230619.3N.8 Fiche Artikel 23 Grondwet impliceert een standstill-verplichting inzake het recht op arbeid en het recht op sociale zekerheid die eraan in de weg staat dat de wetgever en de bevoegde regelgevende overheid de graad van bescherming die de toepasselijke norm biedt aanzienlijk verminderen zonder dat daarvoor redenen zijn die aan het openbaar belang raken; zij geldt voor alle sectoren van de sociale zekerheid en sociale bijstand en dus ook voor de tegemoetkomingen aan personen met een handicap; de vaststelling van een aanzienlijke vermindering van de graad van bescherming vereist een vergelijking van de graad van bescherming die de van toepassing zijnde norm biedt met de graad van bescherming die werd geboden door de eerder van toepassing zijnde norm

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 23 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. S.22.0046.N
  1. VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP, met zetel te 1030 Schaarbeek, Koning Albert II-laan 37, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0887.164.275,
  2. VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, met kabinet te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Koning Albert II-laan 15, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0316.380.841, eisers, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen B.C., handelend in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van D.H., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest nr. 22/169 van het arbeidshof te Gent, afdeling Brugge, van 12 april
  3. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 19 mei 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  4. Artikel 23 Grondwet impliceert een standstill-verplichting inzake het recht op arbeid en het recht op sociale zekerheid die eraan in de weg staat dat de wetgever en de bevoegde regelgevende overheid de graad van bescherming die de toepasselijke norm biedt aanzienlijk verminderen zonder dat daarvoor redenen zijn die aan het openbaar belang raken. Zij geldt voor alle sectoren van de sociale zekerheid en sociale bijstand en dus ook voor de tegemoetkomingen aan personen met een handicap. De vaststelling van een aanzienlijke vermindering van de graad van bescherming vereist een vergelijking van de graad van bescherming die de van toepassing zijnde norm biedt met de graad van bescherming die werd geboden door de eerder van toepassing zijnde norm.
  5. De appelrechters stellen vast dat: - de eerste eiser met een brief van 2 januari 2017 aan D.H. meedeelde dat de ondersteuning waarop zij tot dan gerechtigd was via een door de eerste eiser vergunde zorgaanbieder met ingang van 1 januari 2017 werd omgezet in een persoonsvolgend budget van 40.080,67 euro of 49,04 personeelspunten; - de eerste eiser met een brief van 12 december 2017 aan D.H. meedeelde dat haar vanaf 1 januari 2018 een persoonsvolgend budget van 40.183,22 euro of 49,16 personeelspunten werd toegewezen; - de eerste eiser met een brief van 25 september 2019 aan D.H. meedeelde dat haar persoonsvolgend budget vanaf 1 januari 2020 stapsgewijze zou dalen naar 38,7967 personeelspunten vanaf 1 januari
  6. Zij oordelen dat het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar de persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld (hierna: het Transitiebesluit 2018), zoals gewijzigd bij het Besluit van de Vlaamse Regering van 10 mei 2019 tot wijziging van een aantal besluiten van de Vlaamse Regering over de ondersteuning van personen met een handicap (hierna: B.Vl.Reg. van 10 mei 2019), een aanzienlijke achteruitgang met zich brengt van het voorheen geboden beschermingsniveau op grond dat: - voor D.H. de oorspronkelijke transitieregeling, namelijk de bij Besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten ingevoerde overgangsregeling, ertoe leidde dat zij met ingang van 1 januari 2017 een persoonsvolgend budget kreeg toegewezen op basis van 49,04 personeelspunten, wat met ingang van 1 januari 2018 werd gecorrigeerd naar een persoonsvolgend budget op basis van 49,16 zorggebonden personeelspunten; - met ingang van 1 januari 2020 toepassing werd gemaakt van het Transitiebesluit 2018 zoals gewijzigd bij B.Vl.Reg. van 10 mei 2019, waardoor gespreid over een periode van 7 jaar het persoonsvolgend budget van D.H. daalt van een persoonsvolgend budget op basis van 49,16 zorggebonden personeelspunten naar een persoonsvolgend budget met ingang van 1 januari 2027 op basis van 38,767 zorggebonden personeelspunten, wat een daling is met 10,3633 personeelspunten; - de bestreden beslissing van de eerste eiser voor D.H. een aanzienlijke afzwakking van haar sociale bescherming impliceert in vergelijking met het niveau van sociale bescherming dat zij op basis van de beslissingen van de eerste eiser van 2 januari 2017 en 12 december 2017 genoot; - voor een persoon met een handicap die voor zijn zorg en ondersteuning in sterke mate afhankelijk is van een persoonsvolgend budget, een inkrimping van dit budget met 10,3633 punten een aanzienlijke vermindering van het niveau van sociale bescherming dat hij voorheen genoot betekent; - de bestreden beslissing van de eerste eiser voor D.H. weldegelijk een aanzienlijke achteruitgang van haar sociale bescherming via het systeem van de persoonsvolgende financiering van haar zorg en ondersteuning impliceert.
  7. De appelrechters die aldus hun beslissing dat er een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau is, baseren op de vergelijking van de ten aanzien van D.H. onder de verschillende van toepassing zijnde transitieregelingen genomen beslissingen door de eerste eiser en niet op een vergelijking van de bescherming geboden door alle relevante bepalingen van de van toepassing zijnde regelgeving met alle relevante bepalingen van de eerder van toepassing zijnde regelgeving en op die grond besluiten dat het Transitiebesluit 2018, zoals gewijzigd door B.Vl.Reg. van 10 mei 2019, de standstill-verplichting van artikel 23 Grondwet miskent, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. (…) Kosten
  8. Overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek dient de eerste eiser te worden veroordeeld tot de kosten. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eerste eiser tot de kosten. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het arbeidshof te Antwerpen. Bepaalt de kosten voor de eerste eiser op 714,29 euro en op de som van 24 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 19 juni 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230619.3N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230619.3N.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241209.3F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.