← België

T. contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:

Art. 1382

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud

Art. 1383

- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 4 Op grond van artikel 1384, tweede lid, oud Burgerlijk Wetboek zijn de vader en de moeder aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen; het vijfde lid van dat artikel bepaalt dat die aansprakelijkheid ophoudt indien de ouders bewijzen dat zij de daad welke tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten; aldus impliceren de vermelde bepalingen geen objectieve aansprakelijkheid bij de ouders; om het in artikel 1384, tweede lid, oud Burgerlijk Wetboek bepaalde vermoeden te weerleggen kan de aangesproken ouder aantonen dat de daad waardoor zijn aansprakelijkheid in het gedrang komt, niet het gevolg is van een gebrek aan bewaking noch van een tekortkoming in de opvoeding van zijn minderjarig kind, die hem verwijtbaar zijn

(1).
(1)Cass. 4 maart 2015, AR P.14.1873.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150304.4, AC 2015, nr. 159, met concl. van adv.-generaal R. LOOP op datum in Pas. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Ouders Wettelijke bepalingen: oud

Art. 1384, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.0635.N I Z. E. J. T., minderjarige, eiser, met als raadsman mr. Christophe Saveyn, advocaat bij de balie Oudenaarde, II S. H., burgerlijke aansprakelijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Ben Leyman, advocaat bij de balie Oudenaarde, beide cassatieberoepen tegen A. G., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, jeugdkamer, van 6 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser
  2. Het middel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht van akten: het arrest (p. 6, nr. 6) oordeelt dat het loutere feit dat er sprake kan zijn van een zwakzinnigheid, dit is een intellectuele beperking bij de eiser, geen vermoeden van ontoerekeningsvatbaarheid doet ontstaan; door aldus zonder nadere motivering ervan uit te gaan dat de zwakzinnigheid of intellectuele beperking van de eiser een onzeker gegeven is, miskent het arrest de appelconclusie van de eiser in samenhang met zijn regelmatig neergelegd stuk 1, dit is het resultaat van een intelligentietest, waaruit de zwakzinnigheid of intellectuele beperking van de eiser zonder enige twijfel blijkt; het arrest oordeelt eveneens dat er geen enkele aanwijzing is en het in wezen ook niet wordt betoogd dat de eiser het onderscheid niet zou kennen tussen goed en kwaad of dat hij op enig ogenblik geen controle zou hebben gehad over zijn daden; nochtans heeft de eiser in zijn appelconclusie duidelijk geargumenteerd dat zijn beoordelingsvermogen zich situeert op het niveau van de zwakzinnigheid met een repercussie naar het onderscheid tussen goed en kwaad, dit met verwijzing naar de afgelegde verklaring in het jeugddossier, namelijk: “Bovendien blijkt het beoordelingsvermogen van [de eiser] toch aanzienlijk aangetast te zijn en [van] een beduidend lagere orde (zwakzinnigheid) te zijn nu hij in zijn verklaring van 06 januari 2015 stelt (stuk 021 MOF-dossier): “Ik denk wel dat [A.] het goed vond, want ze zei toch niet dat ze het niet wou”; aldus miskent het arrest nogmaals de bewijskracht van eisers appelconclusie.
  3. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die wel erin voorkomt, kortom wanneer hij het geschrift doet liegen. Dit is niet het geval wanneer de uitlegging die de rechter van de akte geeft een mogelijke uitlegging is, eventueel naast andere, die niet onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Evenmin miskent de rechter de bewijskracht van een akte door daaruit enkel een feitelijk of juridisch gevolg af te leiden of door een akte anders te beoordelen dan een partij.
  4. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  5. Het arrest geeft geen uitlegging van eisers bij appelconclusie gevoerd verweer over zijn staat van zwakzinnigheid of intellectuele beperking, maar leidt daaruit enkel feitelijke en juridische gevolgen af. Het verwijst verder niet naar het stuk 1 van de eiser. Aldus kan het de bewijskracht van die akten niet miskennen.
  6. Het arrest geeft van eisers bij appelconclusie gevoerde verweer over zijn onderscheidingsvermogen tussen goed en kwaad een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen van dat verweer.
  7. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest (p. 6, nr. 7) oordeelt dat de aanstelling van een gerechtsdeskundige hier niets kan bijbrengen omdat de eiser geen enkele aanwijzing aanbrengt van het feit dat hij geen onderscheid kan maken tussen goed en kwaad of dat hij op enig ogenblik geen controle over zijn daden heeft gehad; aldus vereist de appelrechter dat de eiser formeel het bewijs aanbrengt van zijn zwakzinnigheid, wat niet zomaar kan worden vastgesteld en wat precies door de gevraagde onderzoeksmaatregel moet worden bepaald; de eiser brengt aanwijzingen bij van zijn aanhoudende toestand van intellectuele beperking; het arrest verhindert de eiser zijn geestestoestand objectief en via een tegensprekelijke vaststelling aan te tonen en de resultaten daarvan in het debat te brengen; de verwerping van het gevraagde deskundigenonderzoek is bijgevolg niet naar recht verantwoord.
  9. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  10. De rechter oordeelt onaantastbaar over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van de aanstelling van een gerechtsdeskundige. Het recht van verdediging van een partij belet de rechter niet de aanstelling van een gerechtsdeskundige te weigeren wanneer er geen dienstige reden bestaat om die maatregel te bevelen. Dit kan het geval zijn wanneer het verzoek tot het bevelen van een deskundigenonderzoek niet gebaseerd is op een voldoende aannemelijk of relevant gegeven. Dat dit gegeven verband houdt met de mentale toestand die een partij zegt te hebben, is daarbij niet bepalend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Het arrest (p. 6, nr. 6-7) weigert over te gaan tot de aanstelling van de door de eiser gevraagde gerechtsdeskundige wegens de volgende redenen: - op grond van het debat voor de appelrechter en het onderzoek van de gegevens van het strafdossier oordeelt het hof van beroep dat het loutere feit dat er sprake kan zijn van een zwakzinnigheid, dit is een intellectuele beperking, bij de eiser, geen vermoeden van ontoerekeningsvatbaarheid doet ontstaan; - het hof van beroep is van oordeel dat de eiser niet aannemelijk maakt dat hij valt onder de categorie van geesteszieken in de zin van artikel 1386bis oud Burgerlijk Wetboek. Het is niet aangetoond dat de eiser zich in een staat van krankzinnigheid of in een staat van ernstige geestesstoornis of zwakzinnigheid bevond die hem de controle over zijn daden zou ontnemen; - het hof van beroep moet oordelen over de noodzaak, de raadzaamheid en de gepastheid van het door de eiser gevorderde deskundigenonderzoek; - er zijn naar het oordeel van het hof van beroep geen voldoende ernstige aanwijzingen dat er voor wat betreft de eiser toepassing kan worden gemaakt van artikel 1386bis oud Burgerlijk Wetboek; - er is geen enkele aanwijzing en het wordt in wezen ook niet betoogd dat de eiser het onderscheid niet zou kennen tussen goed en kwaad of dat hij op enig ogenblik geen controle zou hebben gehad over zijn daden; - gelet op het voormelde is het hof van beroep van oordeel dat de aanstelling van een deskundige in casu niets kan bijbrengen. Aldus beantwoordt het arrest eisers verzoek om de aanstelling van een deskundige en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser
  12. Het middel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht van akten: het arrest oordeelt: “[De eiser en de eiseres] geven aan dat het niet correct is om de oorzaak van het schadebeeld van het slachtoffer te leggen bij het seksueel misbruik”; de eiser heeft in zijn appelconclusie echter niet dat verweer aangevoerd; hij heeft wel aangevoerd dat het seksueel misbruik niet de enige en uitsluitende oorzaak van het schadebeeld van de verweerster is, maar er een pluraliteit van oorzaken is; aldus miskent het arrest de bewijskracht van eisers appelconclusie.
  13. Het arrest (p. 8-9, nr. 11-12) beantwoordt eisers verweer over de oorzaak van de huidige mentale toestand van de verweerster niet enkel met de reden die het middel aanhaalt. Na een uitweiding over de equivalentieleer oordeelt het arrest ook dat het oorzakelijk verband tussen het seksueel misbruik en de schade van de verweerster vaststaat omdat, los van haar vooraf bestaande toestand of kwetsbaarheid, geen twijfel erover kan bestaan dat het seksueel misbruik een significante en bepalende bijdrage heeft geleverd aan de psychologische moeilijkheden waarmee zij thans wordt geconfronteerd en dat die oorzakelijkheid niet wordt weggenomen doordat zij kwetsbaarder zou zijn dan gemiddeld of een predispositie zou kennen.
  14. Hieruit volgt dat het arrest wel degelijk ervan uitgaat dat de eiser als verweer heeft aangevoerd dat een pluraliteit van oorzaken aan de basis ligt van de huidige schade van de verweerster. Aldus geeft het arrest van eisers appelconclusie een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel van de eiser
  15. Het middel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht van akten: de appelrechter oordeelt dat hij niet verder dient te gissen naar hoe het schadebeeld van het slachtoffer zich zonder het seksueel misbruik verder zou hebben ontwikkeld, nu het vaststaat dat zonder de fout van de eiser, namelijk het seksueel misbruik, de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals ze zich concreet heeft voorgedaan; daarmee miskent de appelrechter de bewijskracht van het deskundigenverslag dat duidelijk stelt dat er ook zonder het seksueel misbruik zeker een ontwikkeling van borderline kenmerken zal optreden; bijgevolg diende de appelrechter een onderscheid te maken tussen de schade ingevolge het seksueel misbruik, die voor vergoeding in aanmerking komt, en de schade ingevolge de vooraf bestaande toestand van het slachtoffer, die niet voor vergoeding in aanmerking komt; minstens diende de appelrechter informatie in te winnen over de verdeelsleutel van beide toestanden; aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord.
  16. Het arrest haalt het deskundigenverslag aan als volgt: “Er is inderdaad hoogstwaarschijnlijk sprake van een voorafbestaande toestand of kwetsbaarheid. Meer bepaald gaat het hier om een genetische predispositie tot het ontwikkelen van een beeld uit het borderline spectrum. Deze specifieke kwetsbaarheid maakt dat de kans op het ontwikkelen van dergelijke persoonlijkheidsstoornis zeer reëel is. Er is ongetwijfeld een interactie tussen genetische predispositie en het seksuele misbruik, in die zin dat het seksuele misbruik de kans op het ontwikkelen van persoonlijkheidsstoornissen zeker verhoogt, mogelijk zelfs declencheert, en bepaalde aspecten ervan kan verergeren. Het kan niet worden gesteld dat betrokkenen geen borderline kenmerken zou hebben ontwikkeld op latere leeftijd ware er geen seksueel misbruik geweest, maar er is geen enkele twijfel dat het seksueel misbruik hier een significante bijdrage heeft geleverd.”
  17. Met de bekritiseerde redenen geeft het arrest van de vermelde passage uit het deskundigenverslag een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  18. Het advies van een gerechtsdeskundige bindt de rechter niet. De rechter beoordeelt integendeel op onaantastbare wijze de bewijswaarde van dat advies. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  19. Krachtens de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek is degene die door zijn schuld aan een ander schade berokkent, verplicht deze integraal te vergoeden, wat impliceert dat de benadeelde wordt teruggeplaatst in de toestand waarin hij zich zou hebben bevonden indien de daad waarover hij zich beklaagt, niet was gesteld. Bijgevolg leidt de pathologische toestand waarin het slachtoffer zich op het moment van de fout bevond, in de regel niet tot de vermindering van diens schade. Dit is slechts anders voor wat betreft de gevolgen waarvan de rechter vaststelt dat zij zich hoe dan ook, zelfs zonder de fout, zouden hebben voorgedaan. In dat geval komt enkel de verergering van de toestand van het slachtoffer voor vergoeding in aanmerking en dient de rechter de mate van die verergering te bepalen.
  20. Het arrest stelt niet vast dat de verweerster hoe dan ook, zelfs zonder het seksueel misbruik, de psychologische moeilijkheden zou hebben gehad die zij thans ondervindt, maar integendeel dat het seksueel misbruik een significante tot bepalende bijdrage heeft geleverd tot die moeilijkheden. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de eiser gehouden is tot vergoeding van de integrale schade van de verweerster zoals deze zich thans voordoet, zonder dat de appelrechter moet gissen naar de wijze waarop het schadebeeld zich bij de verweerster zou hebben ontwikkeld indien de fout niet was gepleegd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel van de eiser
  21. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet, minstens op gebrekkige dan wel irrelevante wijze, het omstandige verweer van de eiser met betrekking tot de methode van het bepalen van de blijvende ongeschiktheid van de verweerster; het arrest motiveert niet waarom de door de eiser voorgestelde forfaitaire methode op basis van de indicatieve tabellen, rekening houdend met het geringe percentage blijvende arbeidsongeschiktheid, niet kan worden aangenomen; het arrest stelt niet vast dat de schade van de verweerster niet anders kan worden bepaald dan met de kapitalisatiemethode toegepast door de eerste rechter.
  22. Uit artikel 6.1 EVRM kan voor de rechter geen verdergaande motiveringsplicht worden afgeleid dan om, ook bij afwezigheid van een conclusie, melding te maken van de voornaamste redenen die hem hebben overtuigd van de schuld van een beklaagde die dat betwist.
  23. Artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat ieder veroordelend vonnis melding maakt van de feiten waaraan de gedaagden schuldig of waarvoor zij aansprakelijk worden geoordeeld, de straf, de burgerlijke veroordelingen en de toegepaste wetsbepaling. Die bepaling verplicht de rechter niet om te antwoorden op het verweer van een partij over de schadebepaling.
  24. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  25. Het arrest (p. 9-10, nr. 13-16) stelt vast dat de eisers vragen het totaalbedrag voor de blijvende ongeschiktheid van de verweerster te herleiden en dat de verweerster de bevestiging vraagt van het beroepen vonnis, met verwijzing naar het feit dat zij op vandaag nog steeds grote schade ondervindt van de feiten. Het oordeelt dat de rechter de schade steeds naar billijkheid mag bepalen en al dan niet gebruik kan maken van de kapitalisatiemethode, daar waar de indicatieve tabel niet meer is dan een vrijblijvende leidraad waarvan de rechtbank in haar soevereine appreciatiebevoegdheid probleemloos kan afwijken in haar betrachting om de schade zo concreet mogelijk te bepalen. Het oordeelt verder dat de schadeberekening van de eerste rechter correct is en het verwijst daarvoor naar de ernst van de feiten. Aldus motiveert het arrest waarom de schade moet worden berekend op de wijze gevraagd door de verweerster en niet op de wijze gevraagd door de eisers, beantwoordt het eisers’ verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed, zonder dat het arrest dient te antwoorden op elk argument van de eisers tot staving van de door henzelf gevraagde schadeberekening. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  26. Voor het overige is het middel gericht tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk. Zesde middel van de eiser
  27. Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart de door de verweerster gevorderde medische kosten voor Rilatine gegrond omdat vaststaat dat de feiten onmiskenbaar een significante bijdrage hebben geleverd aan de huidige problematiek van de verweerster en de medicatie Rilatine haar vermogen tot het onderhouden van sociale contacten zou bevorderen; volgens de deskundige is het weinig waarschijnlijk dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de kenmerken van de ADHD, waarvoor Rilatine frequent wordt voorgeschreven, en het seksueel misbruik in de voorgeschiedenis; met verwijzing naar de bevindingen van de gerechtsdeskundige heeft de eiser het oorzakelijk verband tussen de fout en de kosten voor Rilatine betwist; met het vermelde oordeel neemt het arrest aldus de vooraf bestaande toestand van de verweerster aan, maar houdt het bij de schadeberekening geen rekening met die toestand; aldus miskent het arrest de equivalentieleer.
  28. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  29. Voor het overige is het middel afgeleid uit de in het derde en vierde middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Middel van de eiseres Tweede onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechter oordeelt, eensdeels, na grondige lezing van het dossier te moeten vaststellen dat de eiser door middel van zijn opvoeding door de eiseres een onvoldoende passend waarden- en normenpatroon werd aangereikt of onvoldoende werd begeleid in zijn seksuele ontwikkeling en het aangaan van gezonde relaties, omdat anders dergelijke feiten niet hadden plaatsgevonden aangezien niet elke minderjarige van 15 jaar dergelijk gedrag stelt; de appelrechter oordeelt, anderdeels, dat de verweerster heeft aangegeven het misbruik te hebben gemeld aan de eiseres, wat de eiseres ontkent, maar dat hij vindt dat er vermoedens aanwezig waren dat de eiseres op de hoogte was van het seksueel misbruik en niet het vereiste toezicht heeft gehouden op het moment dat zowel de eiser, haar zoon, als de verweerster, haar stiefdochter, bij haar thuis verbleven; de appelrechter vermeldt echter niet de gegevens waarop hij zijn overtuiging steunt; evenmin motiveert de appelrechter zijn soevereine keuze voor de kapitalisatiemethode of beantwoordt hij met de loutere verwijzing naar het beroepen vonnis het verweer van de eiseres tegen de toekenning van bepaalde schadeposten; aldus preciseert de appelrechter niet de fout die hij bewezen acht, stelt hij de eiseres niet in de mogelijkheid om zijn beweegredenen te kunnen nagaan en stelt hij het Hof niet in de mogelijkheid zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
  31. Op grond van artikel 1384, tweede lid, oud Burgerlijk Wetboek zijn de vader en de moeder aansprakelijk voor de schade veroorzaakt door hun minderjarige kinderen. Het vijfde lid van dat artikel bepaalt dat die aansprakelijkheid ophoudt indien de ouders bewijzen dat zij de daad welke tot die aansprakelijkheid aanleiding geeft, niet hebben kunnen beletten. Aldus impliceren de vermelde bepalingen geen objectieve aansprakelijkheid bij de ouders. Om het in artikel 1384, tweede lid, oud Burgerlijk Wetboek bepaalde vermoeden te weerleggen kan de aangesproken ouder aantonen dat de daad waardoor zijn aansprakelijkheid in het gedrang komt, niet het gevolg is van een gebrek aan bewaking noch van een tekortkoming in de opvoeding van zijn minderjarig kind, die hem verwijtbaar zijn.
  32. Eensdeels leidt het arrest de fout van de eiseres in de opvoeding van de eiser enkel af uit de fout van de eiser. Anderdeels brengt het arrest de verplichting van de eiseres tot toezicht op de eiser in verband met een bestaand vermoeden van seksueel misbruik, maar preciseert het in het licht van de gegevens die het vaststelt niet waaruit dat vermoeden bestaat. Aldus stelt het arrest het Hof niet in staat zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen voor wat betreft de toepassing van artikel 1384, vijfde lid, oud Burgerlijk Wetboek. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven van de eiseres
  33. De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiseres aansprakelijk verklaart voor de schade die de eiser heeft veroorzaakt aan de verweerster. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de kosten van zijn cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot een tiende van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten van de eiseres aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent, jeugdkamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 945,11 euro, waarvan de eiser I 501,89 euro is verschuldigd en de eiser II 367,22 is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 20 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110202.2 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121219.1 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131022.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150304.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191014.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191112.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230609.1N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.