id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.9 Rolnummer: P.23.0468.N Zaak: B. contra VLGEWGEM Vlaamse Vervoermaatschappij-D Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2023-07-11 Raadplegingen: 1005 - laatst gezien 2026-06-17 04:05 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn waarbinnen volgens artikel 6.1 EVRM moet zijn beslist over een ingestelde strafvordering is overschreden; hij houdt bij die beoordeling rekening met de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor de betrokkene; de overschrijding wordt voor elke zaak afzonderlijk beoordeeld volgens de gegevens eigen aan de zaak; bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel; de redelijketermijnvereiste moet ook worden gerespecteerd in eenvoudige zaken; uit het eenvoudig karakter van een zaak volgt immers noodzakelijkerwijze dat de redelijke termijn sneller zal zijn bereikt dan in andere zaken; de met het onderzoek en berechting belaste overheden moeten met dit gegeven rekening houden
(1).
(1)Cass. 25 januari 2022, AR P.21.1621, AC 2022, nr. 64, JT 2022, 174 noot C. YURT; Cass. 25 januari 2022, AR P.21.1384.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7, AC 2022, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0468.N W. H. A. E. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Alexander Meuwissen, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 16 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste, tweede en derde middel
- Het eerste middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd doordat het, enerzijds, vaststelt dat de dispatcher telefonisch contact opnam met de eiser en de verbalisanten op luidspreker zette zodat zij het gesprek mee konden volgen, en, anderzijds, oordeelt dat de vaststellingen in het proces-verbaal enkel de mededelingen van de dispatcher omvat; uit het proces-verbaal blijkt dat de dispatcher de eiser radiofonisch contacteerde, de verbalisanten tijdens het gesprek tussen de dispatcher en de eiser op luidspreker werden gezet, zodat zij het gesprek konden volgen en dat de eiser na een lange pauze antwoordde dat hij tegen een paaltje heeft gereden; uit het proces-verbaal blijkt verder dat de verbalisanten het gesprek volgden en de inhoud ervan opnamen in dit proces-verbaal; de inhoud van deze informatie overstijgt kennelijk de loutere mededeling door de dispatcher aan de verbalisanten en omvat eveneens verklaringen van de eiser. Het tweede middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat geen inbreuk werd begaan op artikel 314bis Strafwetboek en artikel 190ter Wetboek van Strafvordering, zodat geen toepassing moet worden gemaakt van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; het bestreden vonnis stelt immers vast dat de verbalisanten op luidspreker werden gezet en het gesprek konden volgen; zij kozen ervoor het gesprek te volgen en aldus wetens en willens kennis te nemen van het gesprek met het oog op het verkrijgen van informatie; het bewijs voortkomend uit een door de verbalisanten begaan misdrijf is in strijd met het recht op een eerlijk proces. Het derde middel voert schending aan van artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: de verbalisanten hebben kennis genomen van de communicatie tussen de dispatcher en de eiser, en hebben die opgenomen in het proces-verbaal, dat werd aangewend als bewijs; aan de eiser werden vragen gesteld over zijn identiteit en betrokkenheid bij het ongeval, en de daarop gegeven antwoorden werden verwerkt in het proces-verbaal, zonder dat de eiser bij dit verhoor bijstand van een advocaat heeft kunnen genieten.
- Het bestreden vonnis stelt niet vast dat de eiser verklaringen heeft afgelegd tijdens zijn gesprek met de dispatcher en dat de verbalisanten de inhoud van die verklaringen hebben opgenomen in hun proces-verbaal. De middelen die verplichten tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, zijn niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en miskenning van de redelijke termijn: het bestreden vonnis kon niet wettig oordelen dat de redelijke termijn niet overschreden is; het openbaar ministerie neemt 18 augustus 2020 aan als datum van de feiten; het onderzoek is eveneens beperkt tot een onrechtmatige vaststelling, een verhoor en een uittreksel uit het strafregister; slechts na een bijzonder lange periode van zestien maanden wordt het beroepen vonnis geveld; na het aantekenen van het hoger beroep duurde het dertien maanden om de zaak vast te stellen waardoor het bestreden vonnis werd geveld in februari 2023, te weten maar liefst dertig maanden na de feiten.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de redelijke termijn waarbinnen volgens artikel 6.1 EVRM moet zijn beslist over een ingestelde strafvordering is overschreden.
- Hij houdt bij die beoordeling rekening met de complexiteit van de zaak, de houding van de gerechtelijke overheden, de houding van de betrokkene en het belang dat de zaak heeft voor de betrokkene.
- De overschrijding wordt voor elke zaak afzonderlijk beoordeeld volgens de gegevens eigen aan de zaak. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel.
- De redelijketermijnvereiste moet ook worden gerespecteerd in eenvoudige zaken. Uit het eenvoudig karakter van een zaak volgt immers noodzakelijkerwijze dat de redelijke termijn sneller zal zijn bereikt dan in andere zaken. De met het onderzoek en berechting belaste overheden moeten met dit gegeven rekening houden.
- Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - de feiten dateren van 18 augustus 2020 en het onderzoek werd met voeging van het formulier van de burgerrechtelijk aansprakelijke partij op 27 januari 2021 afgerond; - de eiser werd vervolgens binnen het jaar voor de politierechtbank gebracht en berecht op 3 december 2021; - nadat de eiser en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij hoger beroep aantekenden eind december 2021 tegen het voormelde vonnis, werd de eiser gedagvaard in hoger beroep op 19 december 2022, nadat daartoe opdracht was gegeven door de procureur des Konings op 14 november 2022; - de zaak werd vervolgens behandeld en in beraad genomen op de rechtszitting van 19 januari 2023; - alle omstandigheden in acht genomen kan geen overschrijding van de redelijke termijn worden vastgesteld. Op grond van deze redenen kan het bestreden vonnis niet wettig oordelen dat de redelijke termijn in deze zaak niet is overschreden. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing op het vierde middel tast eisers schuldigverklaring niet aan. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, maar enkel in zoverre het de eiser tot straf veroordeelt en hem veroordeelt tot de bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 156,97 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 20 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230620.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220125.2N.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231128.2N.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240116.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div