← België

H. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230623.1N.4 Rolnummer: C.22.0384.N Zaak: H. contra H. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2023-10-17 Raadplegingen: 1347 - laatst gezien 2026-06-19 03:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230623.1N.4 Fiche Artikel 1022, zevende lid, Gerechtelijk Wetboek bevat een grond tot afwijking van het basisbedrag door het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op dat van de minimumvergoeding wanneer het geding wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen; in voorkomend geval dient de rechter bij verstek ambtshalve die grond tot afwijking toe te passen en zodoende de met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte minimumvergoeding te bepalen

(1)
(2).
(1)Zie Cass. 3 maart 2023, AR C.22.0258.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8, AC 2023, nr. 168; Cass. 16 januari 2023, AR C.21.0193.F ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1, AC 2023, nr. 41 met concl. van advocaat-generaal H. MORMONT op datum in Pas.; Cass. 13 januari 2023, AR C.22.0158.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4, AC 2023, nr. 38; Cass. 9 juni 2022, AR C.21.0352.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 25 september 2020, AR F.18.0170.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.2, AC 2020, nr. 580; Cass. 26 april 2018, AR C.17.0420.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.11, AC 2018, nr. 272; Cass. 29 mei 2015, AR C.13.0390.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2, AC 2015, nr. 354; Cass. 18 september 2014, AR C.12.0237.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140918.5, AC 2014, nr. 533 en Cass. 22 april 2010, AR C.09.0270.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.14, AC 2010, nr. 274.
(2)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, zevende lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0384.N H.H., eiser, aan wie rechtsbijstand is verleend bij beslissing van 29 september 2022 (G.22.0061.N), vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen E.H., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 1 maart
  1. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft op 12 mei 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde onderdeel
  2. Krachtens artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek verwijst ieder eindvonnis, tenzij bijzondere wetten anders bepalen, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Krachtens artikel 1018, eerste lid, 6°, Gerechtelijk Wetboek omvatten de kosten onder meer de rechtsplegingsvergoeding in de zin van artikel
  3. Krachtens artikel 1022, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. In uitvoering van artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek worden de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld in het Tarief Rechtsplegingsvergoeding, rekening houdend met onder meer de aard van de zaak en de belangrijkheid van het geschil.
  4. De artikelen 2 tot 4 Tarief Rechtsplegingsvergoeding voorzien in indexeerbare bedragen van de rechtsplegingsvergoeding voor al dan niet in geld waardeerbare vorderingen. Het gaat telkens om basis-, minimum- en maximumbedragen.
  5. Behoudens wanneer een procedureakkoord tot bepaling van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen.
  6. Artikel 1022, zevende lid, Gerechtelijk Wetboek bevat een grond tot afwijking van het basisbedrag door het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op dat van de minimumvergoeding wanneer het geding wordt afgesloten met een beslissing gewezen bij verstek en geen enkele in het ongelijk gestelde partij ooit is verschenen. In voorkomend geval dient de rechter bij verstek ambtshalve voormelde grond tot afwijking toe te passen en zodoende de met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte minimumvergoeding te bepalen.
  7. Wanneer in de procedure op verzet blijkt dat de verzetdoende partij als in het ongelijk gestelde partij in de beslissing gewezen bij verstek met schending van voormeld artikel 1022, zevende lid, Gerechtelijk Wetboek tot het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in plaats van de minimumvergoeding is veroordeeld, dient de rechter op verzet de vergoeding ambtshalve te corrigeren.
  8. Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat: - de eiser hoger beroep instelde tegen een vonnis van de familierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 18 februari 2021; - de eiser verstek liet; - de appelrechter bij arrest van 2 november 2021 het hoger beroep onontvankelijk verklaarde en de eiser veroordeelde tot de kosten in hoger beroep waaronder het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding; - de eiser tegen het arrest van 2 november 2021 verzet instelde.
  9. De appelrechter op verzet stelt vast en oordeelt dat: - het verzet van de eiser strekt tot hervorming van het arrest van 2 november 2021 niet wat betreft de onontvankelijkheid van het hoger beroep, enkel wat betreft de veroordeling tot de kosten in hoger beroep; - de eiser in hoofdorde vraagt om de verweerster te veroordelen tot de kosten in hoger beroep en in ondergeschikte orde om de toegekende rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot het minimumbedrag omdat hij tweedelijns juridische bijstand geniet; - de eiser terecht werd veroordeeld tot de kosten in hoger beroep, aangezien het onontvankelijk werd verklaard; - niet kan worden ingegaan op de in ondergeschikte orde gestelde vraag om de toegekende rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot het minimumbedrag, bij gebrek aan bewijs dat de eiser reeds ten tijde van het arrest van 2 november 2021 genoot van de tweedelijns juridische bijstand.
  10. De appelrechter die vervolgens oordeelt dat, aangezien de eiser “geen andere redenen aan[haalt] tot vermindering van de rechtsplegingsvergoeding”, het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in het arrest van 2 november 2021 “terecht toegekend” werd, en het verzet van de eiser bijgevolg ongegrond is, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Omvang van cassatie
  11. De cassatie van de beslissing dat het verzet van de eiser ongegrond is, strekt zich uit tot de beslissing dat de eiser, gelet op het kennelijk vertragende en onrechtmatige karakter van het verzet, met toepassing van artikel 780bis Gerechtelijk Wetboek wordt veroordeeld tot een geldboete van 1.000 euro. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 23 juni 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230623.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230623.1N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240118.1N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250103.1N.4 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250530.1N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251002.1N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251009.1N.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.14 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140918.5 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150529.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180426.11 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200925.1N.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230116.3F.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230303.1N.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240118.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.