← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.10 Rolnummer: P.23.0802.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 856 - laatst gezien 2026-06-19 02:57 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit het enkele feit dat dezelfde of samenhangende misdrijven het voorwerp uitmaken van onderscheiden gerechtelijke onderzoeken die worden gevoerd door onderzoeksrechters die niet tot elkaars rechtsgebied behoren, dat de incriminatieperiodes in die gerechtelijke onderzoeken overlappend zijn, dat de beide gerechtelijke onderzoeken deels op dezelfde personen betrekking hebben en dat de bewijsgaring gedeeltelijk op dezelfde bewijselementen is gesteund of nog dat aan het ene gerechtelijk onderzoek wel andere gerechtelijke onderzoeken zijn gevoegd, volgt niet dat een inverdenkinggestelde recht heeft op een regeling van rechtsgebied en op de beslissing om de beide gerechtelijke onderzoeken aan één onderzoeksrechter toe te vertrouwen; het staat aan het Hof te oordelen of het gegeven dat twee onderzoeksrechters die niet tot elkaar rechtsgebied behoren dezelfde of samenhangende misdrijven onderzoeken een geschil van rechtsmacht doet ontstaan dat de rechtsgang belemmert hetgeen het geval kan zijn wanneer het met het oog op de goede rechtsbedeling en meer bepaald tot vrijwaring van de onderzoekstechnische doelmatigheid van de waarheidsvinding, de leidende rol van de onderzoeksrechter en het recht van verdediging, noodzakelijk voorkomt dat de beide gerechtelijke onderzoeken verder worden behandeld door eenzelfde onderzoeksmagistraat; bij die beoordeling kunnen ook de stand van de rechtspleging in de beide gerechtelijke onderzoeken en de beheersbaarheid van het onderzoek na een eventuele voeging worden betrokken

(1).
(1)Cass. 25 april 2023, AR P.23.0469.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.19, AC 2023, nr.
  1. Thesaurus CAS: REGELING VAN RECHTSGEBIED - STRAFZAKEN - Tussen onderzoeksrechters of onderzoeksgerechten Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 526 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 526 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0802.N F. C. C. B., verzoeker tot regeling van rechtsgebied, inverdenkinggestelde, met als raadslieden mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recollettenlei 39-40, waar de verzoeker woonplaats kiest, en mr. Yehudi Moszkowicz, advocaat te Utrecht (Nederland). I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het op 31 mei 2023 ter griffie van het Hof ingediende verzoek strekt ertoe om op grond van de artikelen 526 en volgende Wetboek van Strafvordering het rechtsgebied te regelen met betrekking tot de gerechtelijke onderzoeken die worden gevoerd door: - Bruno De Hous, onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, op vordering van de procureur des Konings bij deze rechtbank (dossier gekend onder nummer OR 109/2020 en notitienummer AN.10.F0.3256/2020) (hierna het Antwerpse gerechtelijk onderzoek); - Johan Desseyn, onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, op vordering van de federale procureur (dossier gekend onder nummer 053/2021 en notitienummer BG.10.F1.501133/2020) (hierna het Brugse gerechtelijk onderzoek). Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. De verzoeker zet in zijn verzoekschrift met verwijzing naar de bijgevoegde stukken samengevat uiteen wat volgt: - de verzoeker maakt, naast anderen, het voorwerp uit van het Antwerpse gerechtelijk onderzoek dat wordt gevoerd naar onder meer de invoer van verdovende middelen in vereniging en deelname aan een criminele organisatie; - in het Antwerpse gerechtelijk onderzoek heeft de procureur des Konings op 6 maart 2023 een eindvordering uitgebracht strekkende tot verwijzing van de verzoeker naar de correctionele rechtbank wegens mededaderschap aan de invoer van verdovende middelen in vereniging te Antwerpen of bij samenhang te Beveren in het gerechtelijk arrondissement Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde of bij samenhang elders in het Rijk tussen 31 juli 2020 en 26 augustus 2020 (telastlegging C1), voorbereidende handelingen inzake verdovende middelen in vereniging te Antwerpen of bij samenhang elders in het Rijk tussen 31 juli 2020 en 26 augustus 2020 (telastlegging D) en het onwettig voorhanden hebben van vergunningsplichtige wapens te Antwerpen tussen 23 augustus 2020 en 26 augustus 2020 (telastlegging I2) en de zaak is thans hangende voor de raadkamer te Antwerpen; - de zaak werd voor regeling van de rechtspleging vastgesteld op de rechtszitting van de raadkamer van 30 maart 2023, maar onbepaald uitgesteld na een verzoek om bijkomend onderzoek door een andere inverdenkinggestelde; - de zaak werd opnieuw vastgesteld op de rechtszitting van de raadkamer van 1 juni 2023, met handhaving door de procureur des Konings van zijn eindvordering van 6 maart 2023; - de verzoeker maakt ook, naast anderen, het voorwerp uit van het Brugse gerechtelijk onderzoek dat wordt gevoerd naar de invoer van verdovende middelen in vereniging en dat volgens het tegen de eiser uitgevaardigde bevel tot aanhouding slaat op feiten vanaf 1 januari 2019 tot 14 oktober
  3. Volgens de verzoeker bestaat er tussen de feiten die het voorwerp uitmaken van het Antwerpse en het Brugse gerechtelijk onderzoek een zodanig verband dat een goede rechtsbedeling en de eerbiediging van het recht van verdediging vereisen dat de beide gerechtelijke onderzoeken verder worden gevoerd door eenzelfde onderzoeksmagistraat. Volgens de verzoeker houden de feiten die het voorwerp uitmaken van beide gerechtelijke onderzoeken verband met de invoer en de handel van verdovende middelen gepleegd in vereniging en lidmaatschap aan een criminele organisatie, zit de incriminatieperiode betreffende de feiten van het Antwerpse gerechtelijk onderzoek vervat in die van het Brugse gerechtelijk onderzoek, zouden volgens een vordering van de federaal procureur in het Brugse gerechtelijk onderzoek de feiten uit het Antwerpse en het Brugse gerechtelijk onderzoek één strafrechtelijke gedraging opleveren en hebben het Antwerpse en het Brugse gerechtelijk onderzoek betrekking op samenhangende misdrijven.
  4. De verzoeker wijst verder op de voeging bij het Brugse gerechtelijk onderzoek van het Antwerpse strafdossier AN.10.98.27/2021, zijnde een gerechtelijk onderzoek nr. 2021/026 dat initieel werd gevoerd door onderzoeksrechter Paul Van Santvliet, alsook de voeging bij het Brugse gerechtelijk onderzoek van het Antwerpse strafdossier AN.45.F1.512231/2021, zijnde een gerechtelijk onderzoek nr. 2021/083 dat initieel werd gevoerd door onderzoeksrechter Christian Van Wambeke. Volgens de verzoeker heeft de federaal procureur op 4 mei 2022 gevorderd dat onderzoeksrechter Johan Desseyn het Brugse gerechtelijk onderzoek zou uitbreiden met de feiten vervat in het gerechtelijk onderzoek nr. 2021/026 en heeft hij op 5 april 2023 de voeging gevorderd van het gerechtelijk onderzoek nr. 2021/083 bij het Brugse gerechtelijk onderzoek, de onderzoeksrechter reeds gelast zijnde.
  5. Het is volgens de verzoeker dan ook de onmiskenbare bedoeling van de vervolgende partij om alle zaken met betrekking tot de vermoede iter criminis samen te voegen met het Brugse gerechtelijk onderzoek, met inbegrip van de feiten gepleegd in het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, waarbij de vervolgende partij expliciet aanvoert dat de verzoeker slechts één drijfveer kende, namelijk het plegen van drugfeiten om aan zijn grote geldhonger te voldoen en dit zonder gevat te worden.
  6. Het getuigt volgens de verzoeker van een volslagen willekeur om alle lopende Antwerpse gerechtelijke onderzoeken te voegen bij het Brugse gerechtelijk onderzoek, met uitzondering van het gerechtelijk onderzoek nr. 109/
  7. De verzoeker voert gelet op die elementen aan dat hij recht heeft op de toepassing van artikel 526 Wetboek van Strafvordering en van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek. Volgens de verzoeker maken het recht van verdediging en de goede rechtsbedeling het noodzakelijk dat de thans afzonderlijk onderzochte feiten het voorwerp uitmaken van één gerechtelijk onderzoek, zodat de aan het licht gekomen onderzoekselementen deel zouden uitmaken van eenzelfde dossier, wat de waarheidsvinding en het recht op een eerlijk proces zou dienen, alsook dat eenzelfde rechter alle aspecten van de feiten, de regelmatigheid van de bewijzen en de schuld van de vervolgde personen kan beoordelen.
  8. Uit de artikelen 526 en 526bis Wetboek van Strafvordering volgt dat er grond is tot regeling van rechtsgebied door het Hof van Cassatie wanneer onderscheidene onderzoeksrechters, die niet tot elkaars rechtsgebied behoren, kennis nemen van eenzelfde misdrijf of samenhangende misdrijven.
  9. Artikel 525 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat ieder verzoek tot regeling van rechtsgebied summier en op enkele memorie wordt behandeld en uitgewezen. Uit de artikelen 528 en 528bis Wetboek van Strafvordering volgt dat het Hof onmiddellijk uitspraak kan doen over een verzoek tot regeling van rechtsgebied.
  10. Uit het enkele feit dat dezelfde of samenhangende misdrijven het voorwerp uitmaken van onderscheiden gerechtelijke onderzoeken die worden gevoerd door onderzoeksrechters die niet tot elkaars rechtsgebied behoren, dat de incriminatieperiodes in die gerechtelijke onderzoeken overlappend zijn, dat de beide gerechtelijke onderzoeken deels op dezelfde personen betrekking hebben en dat de bewijsgaring gedeeltelijk op dezelfde bewijselementen is gesteund of nog dat aan het ene gerechtelijk onderzoek wel andere gerechtelijke onderzoeken zijn gevoegd, volgt niet dat een inverdenkinggestelde recht heeft op een regeling van rechtsgebied en op de beslissing om de beide gerechtelijke onderzoeken aan één onderzoeksrechter toe te vertrouwen.
  11. Het staat aan het Hof te oordelen of het gegeven dat twee onderzoeksrechters die niet tot elkaars rechtsgebied behoren dezelfde of samenhangende misdrijven onderzoeken, een geschil van rechtsmacht doet ontstaan dat de rechtsgang belemmert. Dat kan het geval zijn wanneer het met het oog op de goede rechtsbedeling en meer bepaald tot vrijwaring van de onderzoekstechnische doelmatigheid van de waarheidsvinding, de leidende rol van de onderzoeksrechter en het recht van verdediging, noodzakelijk voorkomt dat de beide gerechtelijke onderzoeken verder worden behandeld door eenzelfde onderzoeksmagistraat. Bij die beoordeling kunnen ook de stand van de rechtspleging in de beide gerechtelijke onderzoeken en de beheersbaarheid van het onderzoek na een eventuele voeging worden betrokken.
  12. Het Hof dient vast te stellen dat: - in het Antwerpse gerechtelijk onderzoek een vordering tot regeling van de rechtspleging is uitgebracht die strekt tot verwijzing van dertig inverdenkinggestelden naar de correctionele rechtbank en dat de zaak, na een onbepaald uitstel ingevolge een verzoek om bijkomend onderzoek door een inverdenkinggestelde, hangende is voor de raadkamer; - uit de door de verzoeker voorgebrachte stukken betreffende de bij het Brugse gerechtelijk onderzoek gevoegde Antwerpse dossiers AN.10.98.27/2021 - nr. 2021/026 en AN.45.F1.512231/2021 - nr. 2021/083, niet blijkt dat die betrekking hadden op de verzoeker.
  13. Uit de overgelegde stukken volgt niet dat de goede rechtsbedeling en meer bepaald de vrijwaring van de onderzoekstechnische doelmatigheid van de waarheidsvinding en de leidende rol van de onderzoeksrechter, mede in acht genomen de stand van de rechtspleging in het Antwerpse gerechtelijk onderzoek en de problemen van beheersbaarheid die een voeging van de beide gerechtelijke onderzoeken zou kunnen meebrengen, vereisen dat de beide gerechtelijke onderzoeken worden gevoerd door één onderzoeksrechter.
  14. Het recht van verdediging van de verzoeker vereist evenmin een dergelijke beslissing. De verzoeker kan in de beide gerechtelijke onderzoeken en in de desgevallend daaropvolgende rechtsplegingen elk verweer laten gelden betreffende de bewijsgaring en de eventuele toepassing van artikel 65 Strafwetboek. De verzoeker maakt op geen enkele wijze aannemelijk hoe het afzonderlijk voeren van de beide gerechtelijke onderzoeken zijn recht van verdediging daadwerkelijk beknot of zal beknotten.
  15. Er is dan ook geen grond tot regeling van rechtsgebied. Dictum Het Hof, Verwerpt het verzoek tot regeling van rechtsgebied. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230425.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.