← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.11 Rolnummer: P.23.0414.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 789 - laatst gezien 2026-06-15 08:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Noch uit artikel 5.1.e EVRM noch uit de Interneringswet zelf vloeit voort dat de omstandigheid dat een inverdenkinggestelde is opgenomen in een instelling op basis van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke en daar zorg ontvangt, het bevelen van de internering belet, voor zover aan de voorwaarden van artikel 9 Interneringswet is voldaan; het doel, de voorwaarden, de procedures, de concreet te bevelen maatregelen en de duur van het door de wet van 26 juni 1990 bepaalde beschermingsstatuut en van het door de Interneringswet bepaalde statuut zijn niet identiek of gelijklopend en de toepassing van het beschermingsstatuut van de wet van 26 juni 1990 sluit een internering dan ook niet uit. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke - 26-06-1990 - 32 ELI link Pub nr 1990009905 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Wet 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke - 26-06-1990 - 32 ELI link Pub nr 1990009905 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0414.N B. D. R., voor wie Chris Opsteijn, met kantoor te 3621 Lanaken (Rekem), Steenweg 246 bus 1, als voorlopig bewindvoerder is aangesteld, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 23 februari 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest toont niet op pertinente wijze aan dat de internering noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappij en dat de huidige gedwongen opname niet volstaat voor dit doel; het arrest beantwoordt eisers desbetreffende verweer niet; een loutere verwijzing naar feiten van twee jaar geleden is niet relevant; het feit dat de eiser nog steeds gedwongen opgenomen is toont uitdrukkelijk aan dat dit actueel wel een geschikte setting is voor de eiser. 2. Artikel 5.1 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op persoonlijke vrijheid en veiligheid en dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg:
  2. e)in het geval van een rechtmatige gevangenhouding van geesteszieken. Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is. 3. Uit deze verdragsbepalingen volgt dat: - de vrijheidsberoving van een geesteszieke slechts rechtmatig is, indien (
  3. a)uit een objectieve en medische expertise blijkt dat de betrokkene is getroffen door een reële en voortdurende mentale stoornis, (
  4. b)die stoornis van aard is dat zij de vrijheidsberoving rechtvaardigt en (
  5. c)de vrijheidsberoving niet langer duurt dan noodzakelijk is; - bij de voormelde beoordeling niet alleen strikt medische elementen een rol spelen, maar ook het gevaar dat de betrokkene vormt voor de samenleving. 4. De internering is volgens artikel 2, eerste lid, Interneringswet een veiligheidsmaatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. 5. De onderzoeks- of vonnisgerechten kunnen volgens artikel 9 Interneringswet slechts beslissen tot internering, na de uitvoering van een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of de actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek, voor zover (
  6. a)de betrokkene misdaden of wanbedrijven heeft gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten of bedreigen, (
  7. b)de betrokkene op het ogenblik van die beslissing lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvorming of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast en (
  8. c)het gevaar bestaat dat hij als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw de voormelde misdaden of wanbedrijven zal plegen. 6. Een vrijheidsberoving als gevolg van een interneringsbeslissing, waarbij de rechter heeft vastgesteld dat voldaan is aan de in artikel 9 Interneringswet bepaalde voorwaarden, is in beginsel niet strijdig met artikel 5.1.e EVRM. 7. Noch uit artikel 5.1.e EVRM noch uit de Interneringswet zelf vloeit voort dat de omstandigheid dat een inverdenkinggestelde is opgenomen in een instelling op basis van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke en daar zorg ontvangt, het bevelen van de internering belet, voor zover aan de voorwaarden van artikel 9 Interneringswet is voldaan. Het doel, de voorwaarden, de procedures, de concreet te bevelen maatregelen en de duur van het door de wet van 26 juni 1990 bepaalde beschermingsstatuut en van het door de Interneringswet bepaalde statuut zijn niet identiek of gelijklopend. De toepassing van het beschermingsstatuut van de wet van 26 juni 1990 sluit een internering dan ook niet uit. 8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 9. Het arrest oordeelt als volgt: - de psychiatrische behandeling die de eiser momenteel geniet, de steun van zijn familie en het gegeven dat hij onder voorlopige bewindvoering staat, volstaan niet als maatregelen ter bescherming van de maatschappij; - er is het advies van de gerechtspsychiater prof. dr. V., die de appelrechters onderschrijven; - de feiten werden gepleegd, terwijl de eiser in de gesloten psychiatrische instelling zat en zelfs dat heeft hem niet verhinderd om gevaarlijk uit te halen naar derden; - hij is potentieel gevaarlijk voor de fysische en psychische integriteit van derden; - de internering is nog steeds strikt noodzakelijk ter bescherming van de maatschappij, waaronder de eiser zelf, evenals zijn ouders; - de recente positieve evolutie door de behandeling die de eiser in besluiten rapporteert, is niet gestaafd aan de hand van stukken en sowieso relatief aangezien hij nog steeds gedwongen opgenomen is in een gesloten instelling en nog steeds wordt verplicht om zich daar te laten behandelen en om zware medicatie in te nemen voor zijn psychotische stoornis; - de beweerde gunstige evolutie van de eiser, die het gevolg is van gedwongen maatregelen en niet van het volgen van een behandeling op eigen initiatief, doet dan ook geen afbreuk aan het voormelde; - de gedwongen opname op bevel van de vrederechter is te beperkt in tijd en biedt dan ook onvoldoende garantie ter bescherming van de maatschappij. Aldus stelt het arrest wel degelijk vast dat de interneringsmaatregel op het ogenblik van de beslissing nog steeds noodzakelijk is, beantwoordt dit het verweer als zou een gedwongen opname op basis van de wet van 26 juni 1990 volstaan en verantwoordt het de interneringsbeslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.11 Gerelateerde publicatie(
  9. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.10 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241029.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.