id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.28 Rolnummer: P.22.0859.N Zaak: AVIS TRANS SRL Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Unierecht - Sociale-zekerheidsrecht - Arbeidsrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 1135 - laatst gezien 2026-06-18 17:20 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230627.2N.28 Fiches 1 - 2 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt wat betreft artikel 76, lid 6 Verordening nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsel en artikel 5 Verordening 987/2009/EG van 16 september 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels als volgt: 1°een rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst is niet bevoegd de geldigheid na te gaan van een E101-documenten, thans een A1-document, wat betreft de staving van de feiten op grond waarvan een dergelijk document is afgegeven, met name het bestaan van een organische band tussen de onderneming die de werknemer detacheert en de gedetacheerde werknemer (HvJ 26 januari 2006, C-2/05, Herbosch Kiere nv, ro 32); 2°aangezien een E101-document, thans een A1-document, een vermoeden in het leven roept dat de betrokken werknemer regelmatig is aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, is het in beginsel bindend voor het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin die werknemer arbeid verricht (HvJ 10 februari 2000, C-202/97, Fitzwilliam Executive Search Ltd, ro 53-55; HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschiff, ro 41; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 39); 3°zolang een E101-document, thans een A1-document, niet is ingetrokken of ongeldig verklaard, dient het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin de werknemer arbeid verricht ermee rekening te houden dat de werknemer reeds is aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, zodat dit orgaan de betrokken werknemer niet aan zijn eigen socialezekerheidsregeling mag onderwerpen (HvJ 10 februari 2000, C-202/97, Fitzwilliam Executive Search Ltd, ro 53-55; HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschiff, ro 43; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 41); 4°uit het beginsel van loyale samenwerking volgt evenwel dat elk orgaan van een lidstaat de toepassing van zijn eigen socialezekerheidsregeling zorgvuldig dient na te gaan; uit dit beginsel vloeit tevens voort dat de organen van andere lidstaten mogen verwachten dat het orgaan van de betrokken lidstaat deze verplichting naleeft (HvJ 3 maart 2016, C-12/14, Commissie t. Malta, ro 37; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 42); 5°het bevoegde orgaan van de lidstaat dat een E101-document, thans een A1- document, heeft afgegeven, dient bijgevolg de juistheid van die afgifte opnieuw te onderzoeken en dit document zo nodig in te trekken wanneer het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de werknemer arbeid verricht twijfels uit over de juistheid van de feiten die aan dat document ten grondslag liggen en dus van de daarin opgenomen gegevens, met name wanneer deze niet voldoen aan de vereisten van artikel 14, punt 1, onder a), Verordening nr. 1408/71 (HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschiff, ro 44; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 43); 6°indien de betrokken organen het niet eens worden over met name de beoordeling van de concrete feiten van een specifieke situatie en derhalve over de vraag of die situatie onder artikel 14, punt 1, onder a), Verordening nr. 1408/71 valt, staat het hen volgens artikel 84bis, lid 3, van deze verordening (thans artikel 76, lid 6, Verordening nr. 883/2004) vrij de zaak voor te leggen aan de Administratieve Commissie bedoeld in artikel 80 van deze verordening (HvJ 27 april 2017, C- 620/15, A-Rosa Flussschiff, ro 45; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 44); 7°wanneer er sprake is van een vermoeden van fraude, is het van bijzonder belang dat de bij artikel 84bis, lid 3, Verordening nr. 1408/71 (thans artikel 76, lid 6, Verordening nr. 883/2004) ingestelde procedure wordt toegepast vóór de fraude eventueel door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst definitief wordt vastgesteld, aangezien zij ervoor kan zorgen dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van afgifte en dat van de lidstaat van ontvangst met elkaar in dialoog treden en nauw samenwerken om door middel van hun respectieve onderzoeksbevoegdheden uit hoofde van het nationale recht alle relevante feitelijke en juridische gegevens te verifiëren en te vergaren aan de hand waarvan de twijfels die door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst zijn geuit betreffende de omstandigheden waarin een E101- document is afgegeven, kunnen worden weggenomen of juist kunnen worden bevestigd (HvJ (Grote Kamer) 2 april 2020, C-370/17 en C-37/18, Vueling Airlines sa, ro 66); 8°het gerecht van de lidstaat van ontvangst, waaraan de vraag is voorgelegd of de E101-documenten geldig zijn, moet eerst nagaan of het is aangezocht nadat de procedure van artikel 84bis, lid 3, Verordening nr. 1408/71 (thans artikel 76, lid 6, Verordening nr. 883/2004) door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst was ingeleid middels de indiening van een verzoek tot heroverweging en intrekking van die documenten bij het orgaan van afgifte ervan en moet, indien dat niet het geval is, alle rechtsmiddelen te zijner beschikking aanwenden om ervoor te zorgen dat deze procedure door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst wordt ingeleid (HvJ (Grote Kamer) 2 april 2020, C-370/17 en C-37/18, Vueling Airlines sa, ro 79); 9°artikel 11, lid 1, onder a), van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet aldus worden uitgelegd dat de gerechten van een lidstaat waarbij een gerechtelijke procedure is ingeleid tegen een werkgever wegens feiten die kunnen wijzen op frauduleuze verkrijging of frauduleus gebruik van E 101-documenten die op grond van artikel 14, punt 1, onder a), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, zijn afgegeven aan werknemers die hun werkzaamheden in deze lidstaat uitoefenen, het bestaan van fraude slechts kunnen vaststellen en deze verklaringen dientengevolge slechts buiten beschouwing kunnen laten na zich ervan te hebben vergewist: (
- i)ten eerste, dat de procedure van artikel 84bis, lid 3, (thans artikel 76, lid 6, Verordening nr. 883/2004) van deze verordening onverwijld werd ingeleid en het bevoegde orgaan van de lidstaat van afgifte dus in staat was gesteld de gegrondheid van de afgifte van die documenten opnieuw te onderzoeken in het licht van de door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst verstrekte concrete gegevens, die erop duiden dat die documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen of ingeroepen, en (
- ii)ten tweede, dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van afgifte heeft nagelaten een dergelijke heroverweging te verrichten alsmede binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over deze gegevens en de betrokken documenten in voorkomend geval nietig te verklaren of in te trekken; de rechter oordeelt of is voldaan aan de uit deze rechtspraak voortvloeiende voorwaarden om aan het bindend karakter van een E101-document, thans een A1-document, voorbij te gaan; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen
(1).
(1)Zie concl. OM en Cass. 9 mei 2023, AR P.21.0738.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7, AC 2023, nr. 339 met concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 76, zesde lid Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 16-09-2009 - Art. 5 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 76, zesde lid Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 16-09-2009 - Art. 5 Fiches 3 - 6 Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-17/19 (Bouyges travaux publics, Elco construct Bucarest, Welbond armatures) van 14 mei 2020 volgt dat moet worden onderzocht of de Belgische regelgever met de Dimona-aangifteplicht enkel een socialezekerheidsrechtelijke doelstelling heeft dan wel of hij daarnaast ook beoogt de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden worden nageleefd
(1).
(1)Zie concl. OM en Cass. 9 mei 2023, AR P.21.0738.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7, AC 2023, nr. 339 met concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Fiches 7 - 10 Artikel 4 KB Dimona van 5 november 2002 verplicht de werkgever aan de instelling die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen een aantal gegevens mee te delen betreffende de werkgever, de werknemer en zijn tewerkstelling en geeft uitlegging aan artikel 38 Wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; die regeling heeft in elk geval tot doel te waarborgen dat de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en dus de naleving van de wetgeving ter zake te verzekeren; de Sociale documentenwet verplicht de werkgever bepaalde sociale documenten bij te houden; die wet beperkt de controledoelstelling van die documenten niet tot specifieke sociale wetten; bijgevolg is het personeelsregister dat met deze wet wordt verplicht gesteld, bedoeld om zowel de toepassing van de sociale wetten betreffende de sociale zekerheid als die betreffende het arbeidsrecht met inbegrip van de arbeidsreglementering te controleren
(1).
(1)Zie concl. OM en Cass. 9 mei 2023, AR P.21.0738.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7, AC 2023, nr. 339 met concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: ARBEID - SOCIALE DOCUMENTEN Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Wet 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels - 26-07-1996 - Art. 38 - 31 ELI link Pub nr 1996021237 KB 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstels - 05-11-2002 - Art. 4 - 42 ELI link Pub nr 2002022901 Fiches 11 - 14 Uit de artikelen 4, § 1, 1 en 4, en § 1bis Sociale Documentenwet en art. 3, § 1 KB van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten volgt dat de Dimona-aangifteplicht het bijhouden van een personeelsregister vervangt; daaruit moet worden afgeleid dat de regelgever met de invoering van de Dimona-aangifteplicht niet uitsluitend beoogt te verzekeren dat de betrokken werknemers zouden zijn aangesloten bij een sociaalzekerheidsstelsel en de naleving van de ter zake geldende regelgeving, maar daarnaast en dus bijkomend ook als doel heeft de doeltreffendheid te waarborgen van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles betreffende de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en –omstandigheden; daaruit volgt ook dat de Dimona-aangifteplicht zich niet beperkt tot de tewerkstelling in België van werknemers door ondernemingen die enkel in België een werkelijke en duurzame vestiging hebben
(1).
(1)Zie concl. OM en Cass. 9 mei 2023, AR P.21.0738.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7, AC 2023, nr. 339 met concl. OM. Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1 en 4, en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1 en 4, en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: ARBEID - SOCIALE DOCUMENTEN Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1 en 4, en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: KB nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 5 - 23-10-1978 - Art. 4, § 1, 1 en 4, en § 1bis - 01 ELI link Pub nr 1978102310 KB 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten - 08-08-1980 - Art. 3, § 1 - 03 ELI link Pub nr 1980080803 Fiches 15 - 16 Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken geoordeeld dat: 1°de criteria ter bepaling van de zetel van een vervoersonderneming met het oog op het verkrijgen van een communautaire vergunning voor het wegvervoer verschillen van die welke worden gehanteerd om de zetel van een dergelijke onderneming te bepalen voor de toepassing van artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening nr. 883/2004 (ro 78); 2°de werkelijke en duurzame vestiging in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), Verordening nr. 1071/2009 en de plaats waar een onderneming of een werkgever de essentiële beslissingen neemt of de centrale bestuurstaken uitoefent, weliswaar kunnen samenvallen, maar dit niet noodzakelijkerwijs het geval hoeft te zijn (ro 79); 3°het begrip „zetel of domicilie” in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening nr. 883/2004 niet overeenkomt met het begrip “werkelijke en duurzame vestiging” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), Verordening nr. 1071/2009 (ro 80); 4°in die omstandigheden het feit dat een onderneming een communautaire vergunning voor wegvervoer bezit een gegeven kan zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de zetel of het domicilie van deze onderneming teneinde overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b, i), Verordening nr. 883/2004 vast te stellen welke nationale socialezekerheidswetgeving van toepassing is, maar kan dat bezit niet automatisch het bewijs, en a fortiori evenmin het onweerlegbare bewijs daarvan vormen, noch de autoriteiten van de lidstaat binden waar de arbeid wordt verricht (ro 81) en 5°daaruit volgt dat artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening nr. 883/2004, gelezen in het licht van artikel 3, lid 1, onder a), en artikel 11, lid 1, Verordening nr. 1071/2009, alsook van artikel 4, lid 1, onder a), Verordening nr. 1072/2009, aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een vennootschap een communautaire vergunning voor het wegvervoer bezit die is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, niet het onweerlegbare bewijs vormt dat zij met het oog op de bepaling van de toepasselijke nationale wettelijke regeling inzake sociale zekerheid overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening nr. 883/2004 haar maatschappelijke zetel in deze lidstaat heeft (ro 82)
(1).
(1)Zie concl. OM en Cass. 9 mei 2023, AR P.21.0738.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7, AC 2023, nr. 339 met concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot ... - 21-10-2009 - Art. 3, eerste lid,
- a)Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg - 21-10-2009 - Art. 4, eerste lid,
- a)Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13, eerste lid, b),
- i)Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot ... - 21-10-2009 - Art. 3, eerste lid,
- a)Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg - 21-10-2009 - Art. 4, eerste lid,
- a)Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels - 29-04-2004 - Art. 13, eerste lid, b),
- i)Fiches 17 - 18 In zijn arrest van 15 maart 2011, C-29/10 (Grote Kamer), Koelzsch t/ Groothertogdom Luxemburg heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat: 1°artikel 6 EVO, dat een passende bescherming van de werknemer beoogt, moet worden opgevat als een waarborg dat het recht van de staat van de tewerkstelling toepasselijk is, eerder dan het recht van de staat van de zetel van de werkgever, aangezien de werknemer in die staat zijn economische en sociale functie uitoefent, en aldaar ook de invloed ondergaat van het politieke en bedrijfsklimaat (ro 42); 2°gelet op dit doel, het criterium van de plaats van de gewoonlijke tewerkstelling vermeld in artikel 6, lid 2.a, EVO ruim moet worden ingevuld, terwijl het criterium van de plaats van aanwerving vermeld in artikel 6, lid 2.b, EVO enkel toepassing moet vinden wanneer de plaats van de gewoonlijke tewerkstelling niet kan worden bepaald (ro 43); 3°hieruit volgt dat ook in de hypothese dat de werknemer zijn arbeid in meer dan één verdragsluitende staat verricht, het criterium van de staat van de gewoonlijke tewerkstelling toepasselijk is wanneer het voor de rechter mogelijk is te bepalen met welke staat de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft (ro 44); en 4°wanneer de arbeid in meer dan één staat wordt verricht, dit criterium ruim moet worden uitgelegd en verwijst naar de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht en bij gebrek aan een centrum van activiteiten, de plaats waar hij het grootste deel van zijn werkzaamheden verricht (ro 45); daaruit volgt kennelijk dat de rechter, om het land van de gewoonlijke tewerkstelling te bepalen, aan de hand van deze criteria moet nagaan welk het land is waar of van waaruit de werknemer, rekening houdend met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen tegenover de werkgever vervult
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSBESCHERMING Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) - 17-06-2008 - Art. 8 Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) - 17-06-2008 - Art. 9.1 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) - 17-06-2008 - Art. 8 Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) - 17-06-2008 - Art. 9.1 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0859.N 1. AVIS TRANS srl, vennootschap naar Roemeens recht, met zetel te 700696 Iasi (Roemenië), Str. Salciilor 8 – TR 2 (Dimisol) - app. 1, beklaagde, 2. AVIS MMS srl, vennootschap naar Moldavisch recht, met zetel te MD-3401 Hincesti (Moldavië), N Milescu Spataru 35, beklaagde, 3. A. C., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Stijn De Meulenaer, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 april 2022. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, negen middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 21 april 2023 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Op de rechtszitting van 9 mei 2023 heeft raadsheer Antoine Lievens verslag uitgebracht en heeft de voormelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 204, derde lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eisers geen betwisting zouden voeren over de feiten en desbetreffend geen grieven hebben aangevoerd; dit blijkt immers zowel uit de syntheseappelconclusie als uit het grievenschrift van de eisers. 2. Het arrest oordeelt als volgt: “In het beroepen vonnis worden onder de titel “1.1 Enkele feiten”, enkele feiten weergegeven (bladzijden 8-14). Partijen hebben voor dit hof (van beroep) ter zake geen grieven aangevoerd, zodat het hof (van beroep) eveneens uitgaat van deze feiten.” Aldus oordeelt het arrest enkel dat de eisers geen grieven aanvoeren tegen de aldus door de eerste rechter weergegeven feiten, maar niet dat de eisers niet opkomen tegen de beoordeling van de feiten door het beroepen vonnis. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Tweede middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 4 EU-verdrag, de artikelen 5 en 19 van de Verordening 987/2009/EG van 16 september 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels (hierna Verordening nr. 987/2009), artikel 235, eerste lid, Sociaal Strafwetboek en het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels (hierna KB Dimona). Eerste onderdeel 4. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte de bindende kracht van de A1-documenten niet respecteert; het stelt niet vast en gaat niet na of de nodige procedures werden opgestart tegen de op 17 februari 2022, vóór de sluiting van het debat neergelegde A1-documenten; het oordeel van het arrest dat de beroepsrechter niet gebonden is door de A1-documenten omdat zijn beslissing evenmin bindende gevolgen zou hebben voor de Roemeense administratieve organen, terwijl er geen risico zou bestaan op een eventuele dubbele inning van socialezekerheidsbijdragen is niet juist en vindt geen steun in de Europese regelgeving; het hof van beroep moet, zelfs in geval van vermeende fraude de principieel bindende kracht van de A1-documenten respecteren wanneer hij vaststelt dat de procedure niet voorafgaandelijk en onverwijld werd aangevat. 5. Artikel 76, lid 6, van de Verordening nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna Verordening nr. 883/2004), bepaalt: “Als zich bij de uitleg en de toepassing van deze verordening moeilijkheden voordoen die de rechten van onder de verordening vallende personen in gevaar kunnen brengen, neemt het orgaan van de bevoegde lidstaat of van de lidstaat van de woonplaats, contact op met het orgaan of de organen van de andere betrokken lidstaat of lidstaten. Als er binnen een redelijke termijn geen oplossing wordt gevonden, kunnen de betrokken autoriteiten de Administratieve Commissie inschakelen.” 6. Artikel 5 Verordening nr. 987/2009 bepaalt: “Juridische waarde van in een andere lidstaat afgegeven documenten en bewijsstukken 1. De door het orgaan van een lidstaat voor de toepassing van de basisverordening en de toepassingsverordening afgegeven documenten over iemands situatie en de bewijsstukken op grond waarvan de documenten zijn afgegeven, zijn voor de organen van de andere lidstaten bindend zolang de documenten of bewijsstukken niet door de lidstaat waar zij zijn afgegeven, zijn ingetrokken of ongeldig verklaard. 2. Bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten grondslag liggen, verzoekt het orgaan van de lidstaat dat het document ontvangt, het orgaan van afgifte om opheldering en eventueel om intrekking van het document. Het orgaan van afgifte heroverweegt de gronden voor de afgifte van het document en, indien noodzakelijk, de intrekking van het document. 3. Overeenkomstig lid 2, wordt, bij twijfel omtrent de geldigheid van het document of ondersteunend bewijs of de juistheid van de feiten die aan de vermeldingen daarin ten grondslag liggen, voor zover dit mogelijk is, de noodzakelijke verificatie van deze informatie of dit document op verzoek van het bevoegde orgaan uitgevoerd door het orgaan van de woon- of verblijfplaats. 4. Worden de betrokken organen het niet eens, dan kan door de bevoegde autoriteiten de zaak aan de Administratieve Commissie worden voorgelegd, zulks op zijn vroegst één maand na de datum waarop het orgaan dat het document heeft ontvangen zijn verzoek heeft ingediend. De Administratieve Commissie tracht binnen zes maanden na de datum waarop de zaak aan haar is voorgelegd, een voor beide zijden aanvaardbare oplossing te vinden.” 7. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt wat volgt: - een rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst is niet bevoegd de geldigheid na te gaan van een E101 documenten, thans een A1-document, wat betreft de staving van de feiten op grond waarvan een dergelijk document is afgegeven, met name het bestaan van een organische band tussen de onderneming die de werknemer detacheert en de gedetacheerde werknemer (HvJ 26 januari 2006, C-2/05, Herbosch Kiere nv, ro 32); - aangezien een E101-document, thans een A1-document, een vermoeden in het leven roept dat de betrokken werknemer regelmatig is aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, is het in beginsel bindend voor het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin die werknemer arbeid verricht (HvJ 10 februari 2000, C-202/97, Fitzwilliam Executive Search Ltd, ro 53-55; HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschiff, ro 41; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 39); - zolang een E101-document, thans een A1-document, niet is ingetrokken of ongeldig verklaard, dient het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin de werknemer arbeid verricht ermee rekening te houden dat de werknemer reeds is aangesloten bij de socialezekerheidsregeling van de lidstaat waar de tewerkstellende onderneming is gevestigd, zodat dit orgaan de betrokken werknemer niet aan zijn eigen socialezekerheidsregeling mag onderwerpen (HvJ 10 februari 2000, C-202/97, Fitzwilliam Executive Search Ltd, ro 53-55; HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschiff, ro 43; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 41); - uit het beginsel van loyale samenwerking volgt evenwel dat elk orgaan van een lidstaat de toepassing van zijn eigen socialezekerheidsregeling zorgvuldig dient na te gaan. Uit dit beginsel vloeit tevens voort dat de organen van andere lidstaten mogen verwachten dat het orgaan van de betrokken lidstaat deze verplichting naleeft (HvJ 3 maart 2016, C-12/14, Commissie t. Malta, ro 37; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 42); - het bevoegde orgaan van de lidstaat dat een E101-document, thans een A1-document, heeft afgegeven, dient bijgevolg de juistheid van die afgifte opnieuw te onderzoeken en dit document zo nodig in te trekken wanneer het bevoegde orgaan van de lidstaat waar de werknemer arbeid verricht twijfels uit over de juistheid van de feiten die aan dat document ten grondslag liggen en dus van de daarin opgenomen gegevens, met name wanneer deze niet voldoen aan de vereisten van artikel 14, punt 1, onder a), Verordening nr. 1408/71 (HvJ 27 april 2017, C-620/15, A-Rosa Flussschiff, ro 44; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 43); - indien de betrokken organen het niet eens worden over met name de beoordeling van de concrete feiten van een specifieke situatie en derhalve over de vraag of die situatie onder artikel 14, punt 1, onder a), Verordening nr. 1408/71 valt, staat het hen volgens artikel 84bis, lid 3, van deze verordening (thans artikel 76, lid 6, Verordening nr. 883/2004) vrij de zaak voor te leggen aan de Administratieve Commissie bedoeld in artikel 80 van deze verordening (HvJ 27 april 2017, C- 620/15, A-Rosa Flussschiff, ro 45; HvJ 6 februari 2018, C-359/16, Altun, ro 44); - wanneer er sprake is van een vermoeden van fraude, is het van bijzonder belang dat de bij artikel 84bis, lid 3, Verordening nr. 1408/71 (thans artikel 76, lid 6, Verordening nr. 883/2004) ingestelde procedure wordt toegepast vóór de fraude eventueel door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst definitief wordt vastgesteld, aangezien zij ervoor kan zorgen dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van afgifte en dat van de lidstaat van ontvangst met elkaar in dialoog treden en nauw samenwerken om door middel van hun respectieve onderzoeksbevoegdheden uit hoofde van het nationale recht alle relevante feitelijke en juridische gegevens te verifiëren en te vergaren aan de hand waarvan de twijfels die door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst zijn geuit betreffende de omstandigheden waarin een E101-document is afgegeven, kunnen worden weggenomen of juist kunnen worden bevestigd (HvJ (Grote Kamer) 2 april 2020, C-370/17 en C-37/18, Vueling Airlines sa, ro 66); - het gerecht van de lidstaat van ontvangst, waaraan de vraag is voorgelegd of de E101-documenten geldig zijn, moet eerst nagaan of het is aangezocht nadat de procedure van artikel 84bis, lid 3, Verordening nr. 1408/71 (thans artikel 76, lid 6, Verordening nr. 883/2004) door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst was ingeleid middels de indiening van een verzoek tot heroverweging en intrekking van die documenten bij het orgaan van afgifte ervan en moet, indien dat niet het geval is, alle rechtsmiddelen te zijner beschikking aanwenden om ervoor te zorgen dat deze procedure door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst wordt ingeleid (HvJ (Grote Kamer) 2 april 2020, C-370/17 en C-37/18, Vueling Airlines sa, ro 79); - artikel 11, lid 1, onder a), van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet aldus worden uitgelegd dat de gerechten van een lidstaat waarbij een gerechtelijke procedure is ingeleid tegen een werkgever wegens feiten die kunnen wijzen op frauduleuze verkrijging of frauduleus gebruik van E 101-documenten die op grond van artikel 14, punt 1, onder a), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, zijn afgegeven aan werknemers die hun werkzaamheden in deze lidstaat uitoefenen, het bestaan van fraude slechts kunnen vaststellen en deze verklaringen dientengevolge slechts buiten beschouwing kunnen laten na zich ervan te hebben vergewist: (
- i)ten eerste, dat de procedure van artikel 84bis, lid 3, (thans artikel 76, lid 6, Verordening nr. 883/2004) van deze verordening onverwijld werd ingeleid en het bevoegde orgaan van de lidstaat van afgifte dus in staat was gesteld de gegrondheid van de afgifte van die documenten opnieuw te onderzoeken in het licht van de door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst verstrekte concrete gegevens, die erop duiden dat die documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen of ingeroepen, en (
- ii)ten tweede, dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van afgifte heeft nagelaten een dergelijke heroverweging te verrichten alsmede binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over deze gegevens en de betrokken documenten in voorkomend geval nietig te verklaren of in te trekken. 8. De rechter oordeelt of is voldaan aan de uit deze rechtspraak voortvloeiende voorwaarden om aan het bindend karakter van een E101-document, thans een A1-document, voorbij te gaan. 9. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. 10. Het arrest oordeelt als volgt: - op de rechtszitting van 17 februari 2022 legden de eisers retroactief volledige A1-documenten neer van alle in de telastleggingen B, C en D betrokken werknemers, met uitzondering van B. en G.; - in de “nota naar aanleiding van het tussenarrest” van het openbaar ministerie wordt het volgende geponeerd: “De Belgische bevoegde instanties hebben alles gedaan om van de Roemeense overheid de intrekking van de A1-documenten te bekomen conform de arresten van het Hof van Justitie in de zaken ‘Altun’ en ‘Vueling’. Aangezien thans de termijnen zoals bepaald door de Administratieve Commissie inzake de intrekkingsprocedure ruim overschreden zijn, dient een eventueel antwoord niet meer afgewacht te worden. Overigens, een eventuele beslissing van de Administratieve Commissie is geen juridisch bindende beslissing. Ook de thans retroactief afgeleverde A1-documenten veranderen hier niets aan. Zoals uiteengezet in besluiten is er in casu sprake van fraude en kunnen de A1-documenten dan ook wat betreft de beoordeling van de tenlasteleggingen buiten beschouwing worden gelaten.”; - er kan enkel worden vastgesteld dat in administratief of burgerlijk opzicht er onenigheid bestaat tussen de Belgische en Roemeense administratieve bevoegde instellingen en dat de voorziene administratieve procedure door deze instellingen geenszins volledig wordt of werd gevoerd, conform de bepalingen van de coördinatieverordeningen; de procedure werd geenszins op diligente wijze of ‘onverwijld’ verder gezet, laat staan volledig afgerond zoals de Europeesrechtelijke bepalingen dit stipuleren; deze vaststelling is geenszins te wijten aan het openbaar ministerie, dat in deze administratieve procedure geen partij is, maar enkel vervolgend orgaan in een strafprocedure; - nu reeds wordt aangegeven dat de eisers worden vervolgd als mededaders wegens het beweerd plegen van fraude die strafrechtelijk wordt gesanctioneerd en dat de voorwaarden zijn vervuld om de zogenaamde A1- of E101- documenten buiten toepassing te laten; - de huidige strafrechtelijke beoordeling wordt voortgezet, vaststellende dat de administratieve procedure nooit werd verder gezet of tot een beslissende uitspraak heeft geleid; - in de administratieve procedure, bepaald in de coördinatieverordeningen, moet het beginsel van de loyale samenwerking steeds toepassing vinden en in deze zaak weigerde de Roemeense bevoegde instelling blijkbaar informatie vrijwillig ter beschikking te stellen van de Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, minstens werd niet geantwoord op de verzoeken van die instelling. Met die redenen stelt het arrest vast dat de bedoelde administratieve procedures werden toegepast, maar niet konden worden afgehandeld door het gebrek aan antwoord van de Roemeense instelling van sociale zekerheid en kunnen de appelrechters wettig oordelen dat de bedoelde A1-documenten wegens fraude, buiten toepassing worden gelaten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 11. Voor het overige is het onderdeel gericht tegen overtollige redenen, kan het bijgevolg niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 12. Het onderdeel voert aan dat gelet op de bindende kracht van de A1-documenten, het arrest ten onrechte het bestaan aanneemt van de constitutieve bestanddelen van de inbreuk bedoeld met artikel 235, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, met name het misdrijf van sociaalrechtelijke oplichting. 13. Het onderdeel is afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel 14. Het onderdeel voert aan dat, gelet op de bindende kracht van de A1-documenten, het arrest de telastlegging betreffende het ontbreken van de dimona-aangifte ten onrechte bewezen verklaart en ten onrechte aanneemt dat de dimona-aangifte ook verplicht is indien er geldige A1-documenten kunnen worden voorgelegd. 15. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat het arrest naar recht aanneemt dat de bedoelde A1-documenten niet bindend zijn voor de appelrechters. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 16. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met het arrest C-17/19 (Bouyges travaux publics, Elco construct Bucarest, Welbond armatures) van 14 mei 2020 (ro 42-54) geoordeeld dat: 1) de E101- en A1-documenten weliswaar bindende gevolgen hebben, maar dat deze enkel gelden voor de verplichtingen die worden opgelegd door de nationale socialezekerheidswetgevingen waarop de bij Verordeningen nr. 1408/71 en nr. 883/2004 tot stand gebrachte coördinatie betrekking heeft; 2) de E101- en A1-documenten geen bindende gevolgen hebben ten aanzien van de verplichtingen die door het nationale recht worden opgelegd op andere gebieden dan de sociale zekerheid in de zin van de Verordeningen nr. 1408/71 en nr. 883/2004, zoals verplichtingen die verband houden met de arbeidsverhou¬ding tussen werkgevers en werknemers, in het bijzonder met de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden voor werknemers; 3) het staat aan de nationale rechter om vast te stellen of de in de nationale regelgeving neergelegde verplichting tot aanmelding voor indienstneming uitsluitend tot doel heeft te waarborgen dat de betrokken werknemers bij één van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en dus enkel ertoe strekt de naleving van de wetgeving ter zake te waarborgen, in welk geval de door het orgaan van afgifte verstrekte E101- en A1-documenten in beginsel in de weg zouden staan aan een dergelijke verplichting, dan wel of met deze verplichting tevens, zij het gedeeltelijk, wordt beoogd de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden worden nageleefd, in welk geval die documenten geen enkele invloed zouden hebben op die verplichting, die namelijk hoe dan ook niet kan leiden tot de aansluiting van de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel. 17. Hieruit volgt dat moet worden onderzocht of de Belgische regelgever met de Dimona-aangifteplicht enkel een socialezekerheidsrechtelijke doelstelling heeft dan wel of hij daarnaast ook beoogt de doeltreffendheid van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles te waarborgen om ervoor te zorgen dat de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden worden nageleefd. 18. Artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bepaalt: “De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, wijzigingen aanbrengen inzake de wijze van de inzameling van de gegevens nodig voor de toepassing van de sociale zekerheid en de fiscaliteit bij de werkgevers en de sociaal verzekerden, waarbij het beheer van de gegevens gebeurt overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, alle nuttige maatregelen nemen om de elektronische inzameling en de kwaliteit van de gegevens te bevorderen en te regelen.” 19. Artikel 4 KB Dimona verplicht de werkgever aan de instelling die belast is met de inning van de socialezekerheidsbijdragen een aantal gegevens mee te delen betreffende de werkgever, de werknemer en zijn tewerkstelling. 20. Het KB Dimona geeft aldus uitvoering aan de voormelde wet. Die regeling heeft in elk geval tot doel te waarborgen dat de betrokken werknemers bij een van de takken van het socialezekerheidsstelsel zijn aangesloten en dus de naleving van de wetgeving ter zake te verzekeren. 21. De Sociale documentenwet verplicht de werkgever bepaalde sociale documenten bij te houden. Die wet beperkt de controledoelstelling van die documenten niet tot specifieke sociale wetten. Bijgevolg is het personeelsregister dat met deze wet wordt verplicht gesteld, bedoeld om zowel de toepassing van de sociale wetten betreffende de sociale zekerheid als die betreffende het arbeidsrecht met inbegrip van de arbeidsreglementering te controleren. 22. Artikel 4, § 1, 1, Sociale documentenwet, zoals gewijzigd door artikel 2, 1°, van de wet van 24 januari 2003 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de veralgemening van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, bepaalt dat de sociale documenten waarvan het bijhouden door dit besluit is opgelegd, het algemeen personeelsregister en het speciaal personeelsregister zijn. Artikel 4, § 1bis, Sociale documentenwet, zoals gewijzigd door artikel 2, 2°, van de wet van 24 januari 2003 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de veralgemening van de onmiddellijke aangifte van tewerkstelling bepaalt: “De Koning kan de werkgevers, die de gegevens zoals door Hem bepaald krachtens artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, moeten mededelen aan de instelling, die belast is met de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regelen, vrijstellen van de verplichting om een algemeen personeelsregister bij te houden voor de werknemers wier gegevens medegedeeld worden.” Artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten bepaalt: “De werkgever die de verplichting heeft om een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling te verrichten krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, moet enkel een speciaal personeelsregister bijhouden in de gevallen bepaald in onderafdeling 2 van hoofdstuk II.” 23. Uit deze bepalingen volgt dat de Dimona-aangifteplicht het bijhouden van een personeelsregister vervangt. Daaruit moet worden afgeleid dat de regelgever met de invoering van de Dimona-aangifteplicht niet uitsluitend beoogt te verzekeren dat de betrokken werknemers zouden zijn aangesloten bij een sociaalzekerheidsstelsel en dat de ter zake geldende regelgeving wordt nageleefd, maar daarnaast en dus bijkomend ook als doel heeft de doeltreffendheid te waarborgen van de door de bevoegde nationale autoriteiten uitgevoerde controles betreffende de in het arbeidsrecht vastgestelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden. 24. Hieruit volgt dat de Dimona-aangifteplicht zich niet beperkt tot de tewerkstelling in België van werknemers door ondernemingen die enkel in België een werkelijke en duurzame vestiging hebben. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel 25. Het middel voert schending aan van artikel 14, 5bis, Verordening nr. 987/2009: het arrest geeft een eigen invulling aan het begrip “zetel van de onderneming”, die ingaat tegen de definitie van voormelde verordening. 26. Artikel 14, 5bis, eerste lid, Verordening nr. 987/2009 bepaalt: “Voor de toepassing van titel II van de basisverordening wordt onder “zetel of domicilie” verstaan, de zetel of domicilie waar de voornaamste beslissingen betreffende de onderneming worden genomen en waar de centrale bestuurstaken ervan worden uitgeoefend”. 27. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt, maar ook als volgt: - in de Europese regelgeving zijn diverse begrippen vervat omtrent de plaats waar een bedrijf is gevestigd; - de vestiging in Roemenië betrof enkel het vestigen van een administratieve zetel, waarbij er voor het overige in concreto van daaruit geen substantiële bedrijfswerkzaamheden inzake internationaal transport werden verwezenlijkt, maar deze bedrijfsactiviteiten gebeurden integendeel wel op duurzame wijze en voor het overgrote gedeelte vanuit een “secundaire vestiging” of bijkantoor (filiaal of vaste inrichting) in Zeebrugge (België), zodat het gewone werkland van de aldus tewerkgestelde werknemers ook België en niet Roemenië betreft. Het centrum van bedrijvigheid van de Roemeense vennootschap lag in Zeebrugge: van daaruit werd alles gecentreerd, georganiseerd en gecontroleerd. De Roemeense werknemers werden vanuit de duurzame “secundaire vestiging” in Zeebrugge “tewerkgesteld”. Er waren geen substantiële bedrijfsactiviteiten in en vanuit Roemenië; - in de bijzondere regels inzake toepasselijke wetgeving blijft de intentie van de wetgever in de verordeningen inzake sociale zekerheid steeds dat het “werkland” de plaats is waar de sociale zekerheidsregeling van toepassing is. Dit hof van beroep gaat er ook in dat geval van uit dat de zetel van de onderneming zich bevindt in het land waar de activiteiten van de werknemer minstens opgestart, plaatsvinden of van waaruit ze minstens hoofdzakelijk georganiseerd en uitgevoerd worden. Met die redenen geeft het arrest geen andere invulling aan het begrip zetel van de onderneming, zoals bedoeld in artikel 14, 5bis, Verordening nr. 987/2009, maar beoordeelt het enkel de concrete situatie. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel 28. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR, artikel 4 EU-verdrag, artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (hierna Verordening nr. 1071/2009), artikel 6 van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van 21 oktober 2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg, de artikelen 8 en 19 van de Verordening nr. 593/2008/EG van 17 juni 2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (hierna Rome I-Vo), artikel 13 Verordening nr. 883/2004, van de artikelen 14, achtste lid en 14, 5bis, Verordening nr. 987/2009 en artikel 235, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld. Eerste onderdeel 29. Het onderdeel voert aan dat de eiseres 1 ten onrechte schuldig werd verklaard aan de telastlegging D: het arrest oordeelt ten onrechte dat er in Roemenië geen werkelijke en substantiële activiteiten waren en er enkel sprake is van een brievenbusfirma; nochtans hebben de Roemeense autoriteiten bevestigd dat de eiseres 1 wel degelijk gewoonlijk economisch actief is op Roemeens grondgebied en bovendien werd door de Roemeense autoriteiten een communautaire vervoersvergunning toegekend, wat eveneens het bestaan van een werkelijke en duurzame vestiging aantoont, waaraan de rechter gebonden is op grond van het beginsel van de loyale samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie, wat volgt uit artikel 4 EU-verdrag; onder meer aangezien artikel 4 EU-verdrag het beginsel van de loyale samenwerking huldigt waarbij de Unie en de lidstaten elkaar respecteren en elkaar steunen bij de vervulling van de taken die uit de verdragen voortvloeien, oordeelt het arrest ten onrechte dat de informatie van de Roemeense instellingen irrelevant is in het kader van de toepassing van de arbeidsrechtelijke of sociaalzekerheidsrechtelijke regelgeving; aldus wordt zowel Verordening nr. 883/2004 als Rome I-Vo geschonden. 30. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken, (ro 78-82) geoordeeld als volgt: - de criteria ter bepaling van de zetel van een vervoersonderneming met het oog op het verkrijgen van een communautaire vergunning voor het wegvervoer verschillen van die welke worden gehanteerd om de zetel van een dergelijke onderneming te bepalen voor de toepassing van artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening nr. 883/2004 (ro 78); - de werkelijke en duurzame vestiging in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), Verordening nr. 1071/2009 en de plaats waar een onderneming of een werkgever de essentiële beslissingen neemt of de centrale bestuurstaken uitoefent, kunnen dus weliswaar samenvallen, maar dit hoeft niet noodzakelijkerwijs het geval te zijn (ro 79); - bijgevolg komt het begrip „zetel of domicilie” in de zin van artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening nr. 883/2004 niet overeen met het begrip “werkelijke en duurzame vestiging” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), Verordening nr. 1071/2009 (ro 80); - in die omstandigheden kan het feit dat een onderneming een communautaire vergunning voor wegvervoer bezit een gegeven zijn waarmee rekening moet worden gehouden bij de bepaling van de zetel of het domicilie van deze onderneming teneinde overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b, i), Verordening nr. 883/2004 vast te stellen welke nationale socialezekerheidswetgeving van toepassing is, maar kan dat bezit niet automatisch het bewijs, en a fortiori evenmin het onweerlegbare bewijs daarvan vormen, noch de autoriteiten van de lidstaat binden waar de arbeid wordt verricht (ro 81); - daaruit volgt dat artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening nr. 883/2004, gelezen in het licht van artikel 3, lid 1, onder a), en artikel 11, lid 1, Verordening nr. 1071/2009, alsook van artikel 4, lid 1, onder a), Verordening nr. 1072/2009, aldus moet worden uitgelegd dat het feit dat een vennootschap een communautaire vergunning voor het wegvervoer bezit die is afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, niet het onweerlegbare bewijs vormt dat zij met het oog op de bepaling van de toepasselijke nationale wettelijke regeling inzake sociale zekerheid overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), i), Verordening nr. 883/2004 haar maatschappelijke zetel in deze lidstaat heeft (ro 82). 31. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 32. Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het tweede middel volgt verder dat het arrest, met toepassing van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, wettig heeft beslist dat de overgelegde A1-documenten niet bindend zijn en geeft het ook naar recht te kennen dat de Belgische sociale zekerheid toepasselijk is op de bedoelde werknemers. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Voor het overige kon het arrest op grond van de feiten die het vaststelt, naar recht oordelen dat de eisers zich schuldig hebben gemaakt aan een inbreuk op artikel 235, eerste lid, Sociaal Strafwetboek. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 33. Het onderdeel voert aan dat het arrest, gelet op de erkenning van de eiseres 1 als vervoersonderneming en het uitreiken van een communautaire vervoersvergunning, ten onrechte een inbreuk op artikel 235, eerste lid, Sociaal Strafwetboek, met name sociaalrechtelijke oplichting, aanneemt; het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd door enerzijds aan te nemen dat de wetgeving erop is gericht om het bestaan van postbusbedrijven uit te sluiten en anderzijds de erkenning als wegvervoersonderneming en de toekenning van de communautaire vergunning irrelevant te achten; aldus miskent het arrest ook het vermoeden van onschuld. 34. De omstandigheid dat een communautaire vervoersvergunning is toegekend aan een beklaagde door een ander Europese lidstaat belet niet dat die beklaagde schuldig wordt verklaard aan sociale oplichting op grond van feiten die de rechter vaststelt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 35. De redenen die het onderdeel vermeldt, zijn niet tegenstrijdig. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 36. Uit die redenen kan evenmin een miskenning van het vermoeden van onschuld worden afgeleid. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 37. Het onderdeel voert aan dat, wat betreft de telastlegging B, het arrest, in strijd met artikel 13 Verordening nr. 883/2004 en de artikelen 14, 8°, en 14, 5bis, Verordening nr. 987/2009 oordeelt dat de eiseres 1 geen werkelijke en duurzame vestiging heeft in Roemenië, en de erkenning als wegvervoersonderneming en de toekenning van de communautaire vergunning irrelevant is. 38. Het onderdeel is afgeleid van de met het eerste en derde onderdeel van het tweede middel en het eerste onderdeel van het vierde middel vergeefs aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 39. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8 en 19 Rome I -Vo: niet het land waaraan de werknemer voor zijn effectieve tewerkstelling is verbonden, is doorslaggevend, maar wel het land van vestiging van de onderneming die de werknemer in dienst heeft genomen; het arrest schendt voormelde wetsbepalingen door te oordelen dat de erkenning als wegvervoersonderneming en de toekenning van de communautaire vergunning irrelevant zijn voor de beoordeling van het bewijs en de schuld van de eisers aan de telastlegging C. 40. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de met het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk. 41. Artikel 6 EVO bepaalt: “1. Ongeacht artikel 3 kan de rechtskeuze van partijen in een arbeidsovereenkomst er niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat ingevolge het tweede lid van het onderhavige artikel bij gebreke van een rechtskeuze op hem van toepassing zou zijn. 2. Ongeacht artikel 4 wordt de arbeidsovereenkomst, bij gebreke van een rechtskeuze overeenkomstig artikel 3, beheerst door:
- a)het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, zelfs wanneer hij in een ander land tewerk gesteld is; of
- b)het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen, wanneer deze niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, tenzij uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de arbeidsovereenkomst nauwer is verbonden met een ander land, in welk geval het recht van dat ander land toepasselijk is.” 42. Artikel 8 Rome I-Vo bepaalt met ingang van 17 december 2009: “1. Een individuele arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht dat de partijen overeenkomstig artikel 3 hebben gekozen. Deze keuze mag er evenwel niet toe leiden dat de werknemer de bescherming verliest welke hij geniet op grond van bepalingen waarvan niet bij overeenkomst kan worden afgeweken op grond van het recht dat overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 van dit artikel toepasselijk zou zijn bij gebreke van een rechtskeuze. 2. Voor zover het op een individuele arbeidsovereenkomst toepasselijke recht niet door de partijen is gekozen, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruit de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht. 3. Indien het toepasselijke recht niet overeenkomstig lid 2 kan worden vastgesteld, wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen. 4. Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 2 of lid 3 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing.” 43. Artikel 9.1 Rome I-Vo bepaalt met ingang van 17 december 2009: “Bepalingen van bijzonder dwingend recht zijn bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moeten worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht overeenkomstig deze verordening van toepassing is op de overeenkomst”. 44. In zijn arrest van 15 maart 2011, C-29/10 (Grote Kamer), Koelzsch t/ Groothertogdom Luxemburg heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat: - artikel 6 EVO, dat een passende bescherming van de werknemer beoogt, moet worden opgevat als een waarborg dat het recht van de staat van de tewerkstelling toepasselijk is, eerder dan het recht van de staat van de zetel van de werkgever, aangezien de werknemer in die staat zijn economische en sociale functie uitoefent, en aldaar ook de invloed ondergaat van het politieke en bedrijfsklimaat (ro 42); - gelet op dit doel, het criterium van de plaats van de gewoonlijke tewerkstelling vermeld in artikel 6, lid 2.a, EVO ruim moet worden ingevuld, terwijl het criterium van de plaats van aanwerving vermeld in artikel 6, lid 2.b, EVO enkel toepassing moet vinden wanneer de plaats van de gewoonlijke tewerkstelling niet kan worden bepaald (ro 43); - hieruit volgt dat ook in de hypothese dat de werknemer zijn arbeid in meer dan één verdragsluitende staat verricht, het criterium van de staat van de gewoonlijke tewerkstelling toepasselijk is wanneer het voor de rechter mogelijk is te bepalen met welke staat de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft (ro 44); - wanneer de arbeid in meer dan één staat wordt verricht, dit criterium ruim moet worden uitgelegd en verwijst naar de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht en bij gebrek aan een centrum van activiteiten, de plaats waar hij het grootste deel van zijn werkzaamheden verricht (ro 45); - die uitlegging op een lijn staat met de bewoordingen van artikel 8 Rome I-Vo, dat eveneens bepaalt dat bij gebrek aan een rechtskeuze, de arbeidsovereenkomst wordt beheerst door het recht van de staat waar of van waaruit de werknemer zijn arbeid gewoonlijk verricht, ook wanneer deze tijdelijk in een andere staat wordt verricht; de uitlegging van deze bepaling wordt ingegeven door de “favor laboratoris”, want de zwakkere partijen moeten worden beschermd door “collisieregels die gunstiger zijn” (ro 46); - bij dit oordeel de rechter, in geval van arbeid in de sector van het internationale transport, rekening moet houden met alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken, waaronder de plaats van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsook de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden; de rechter moet tevens nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert (ro 49); - hieruit volgt dat wanneer de werknemer zijn werkzaamheden in meer dan een staat verricht, het land van de gewoonlijke tewerkstelling zoals bepaald in artikel 6, lid 2, a, EVO, het land is waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht, “dat is waar of van waaruit de werknemer, rekening gehouden met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult”. 45. Daaruit volgt kennelijk dat de rechter, om het land van de gewoonlijke tewerkstelling te bepalen, aan de hand van deze criteria moet nagaan welk het land is waar of van waaruit de werknemer, rekening houdend met alle elementen die deze werkzaamheid kenmerken, het belangrijkste deel van zijn verplichtingen tegenover de werkgever vervult. 46. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat niet het land van de effectieve tewerkstelling doorslaggevend is voor het toepasselijk arbeidsrecht, maar wel het land waar de onderneming gevestigd is die de werknemer in dienst heeft genomen, faalt het naar recht. Vijfde onderdeel 47. Het onderdeel verzoekt de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “1. Wordt het bestaan van een werkelijke zetel of reële en duurzame vestiging van een transportonderneming aangetoond, in het licht van onder meer artikel 3 en artikel 5 van de verordening 1071/2009 en de verordening 1072/2009 en artikel 8, derde lid van de Rome – I Verordening, door de toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer en de communautaire wegvervoersvergunning? 2. Er van uitgaande dat inderdaad de toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer en de toekenning van een communautaire wegvervoersvergunning het bestaan aantoont van een werkelijke zetel van een transportonderneming, in welke omstandigheden kan een nationale rechter ven een andere lidstaat dan de lidstaat van uitgifte van deze wegvervoersvergunning het bestaan van een dergelijke vergunning naast zich neerleggen in het licht van onder meer artikel 13.1 van de Verordening 1072/2009 en artikel 8, derde lid van de Rome – I Verordening; Volstaat het daarbij het bestaan van misbruik of bedrog aan te tonen of dient vooreerst de intrekking van de vergunning te worden gevraagd aan de autoriteiten die de vergunning hebben uitgereikt? 3. Dient het begrip zetel van de werkgever in de zin van artikel 13.1 van de verordening 883/2004 en artikel 19 van de Rome – I Verordening in de sector van het wegtransport te worden uitgelegd aan de hand van het begrip vestiging in de zin van artikel 3 en 5 van de verordening 1071/2009? 4. Zo het begrip zetel van de werkgever in de zin van artikel 13.1 van de verordening 883/2004 en artikel 19 van de Rome – I Verordening in de sector van het wegtransport niet dient te worden uitgelegd aan de hand van het begrip vestiging de artikelen 3 en 5 van de verordening 1071/2009, met welke criteria dan wel rekening dient te worden gehouden ter vaststelling van het zetelbegrip met name in de sector van het wegtransport?” 48. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met het bovenvermelde arrest van 3 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken (ro 78-82) reeds standpunt ingenomen wat betreft de eerste tot en met de derde prejudiciële vraag. Voor het overige volgt uit dat arrest dat rekening houdend met de erin vervatte overwegingen het aan de rechter toekomt te bepalen waar de zetel van een werkgever in de zin van artikel 13.1 Verordening nr. 883/2004 en artikel 19 Rome I-Vo in de sector van het wegtransport is gevestigd. 49. Er is bijgevolg geen grond om de prejudiciële vragen te stellen. Vijfde middel 50. Het middel voert schending aan van artikel 8, tweede lid, Rome I-Vo: gelet op de omstandigheid dat uit de vaststellingen er een duidelijk aanknopingspunt blijkt met Moldavië en uitdrukkelijk wordt aangenomen dat het werkgeversgezag vanuit Moldavië wordt uitgeoefend, leidt het arrest, rekening houdend met de beginselen die volgen uit voormelde wetsbepaling, uit de feiten niet wettig af dat de gewoonlijke plaats van tewerkstelling van de chauffeurs zich in België bevindt in de zin van artikel 8, tweede lid, Rome I-Vo en waardoor het dwingende Belgisch arbeidsrecht toepassing zou vinden. 51. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het vierde onderdeel van het vierde middel, is het om dezelfde redenen als vermeld in het antwoord op dat onderdeel te verwerpen. 52. De rechter oordeelt onaantastbaar, op basis van de in het antwoord op het vierde onderdeel van het vierde middel vermelde criteria, waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht. Hierbij is het niet vereist dat de rechter al die elementen in dezelfde mate bij zijn oordeel betrekt. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 53. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 54. Op grond van het geheel van redenen die het arrest (p. 126, ro 67, p. 126, ro 68, p. 127, ro 70 en 72, p. 128, ro 73, p. 129, ro 74 en p. 129-130, ro 75) bevat, oordelen de appelrechters wettig dat België de plaats van de gewoonlijke tewerkstelling van de bedoelde werknemers is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zesde middel 55. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest laat na aan te geven welke straffen aan de eisers zouden zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden; het oordeel dat, mocht er geen overschrijding van de redelijke termijn zijn geweest, een hogere effectieve geldboete passender zou zijn geweest, volstaat daartoe niet; aldus hebben de appelrechters geen straf opgelegd die op reële en meetbare wijze is verminderd ten opzichte van die welke zij zouden hebben uitgesproken indien de miskenning van de redelijke termijn niet zou zijn vastgesteld; minstens is het Hof niet in de mogelijkheid om zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. 56. De rechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt, kan die overschrijding remediëren door aan de veroordeelde een straf op te leggen die reëel en meetbaar lager is dan de straf die zou zijn opgelegd bij niet-overschrijding. De verplichting houdt evenwel niet in dat de rechter uitdrukkelijk melding moet maken van de laatste straf. Het is noodzakelijk maar voldoende dat de rechter vaststelt dat de door hem opgelegde straf lager is dan de straf die hij zou hebben opgelegd bij niet-overschrijding. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Zevende middel 57. Het middel voert schending aan van artikel 151, § 1, Grondwet, alsmede miskenning van het beginsel van de onpartijdigheid van de rechter: de appelrechters bezondigen zich aan machtsoverschrijding door aan te nemen dat het openbaar ministerie geen partij is bij de administratieve procedure en het openbaar ministerie het bevel te geven hierover informatie te vergaren, dan wel standpunt in te nemen; een rechter overschrijdt zijn macht door het openbaar ministerie een bevel te geven; door het geven van dit onwettig bevel en de weigering de zaak te behandelen gelet op het ontbreken van informatie over de administratieve procedure, is de strafvordering gestremd en wordt artikel 151 Grondwet geschonden. 58. Het door het middel bedoelde verzoek, wat geen bevel is, is niet vervat in het bestreden arrest, maar wel in het tussenarrest van 20 mei 2021. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 59. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter oordeelt dat het openbaar ministerie geen partij is bij de administratieve procedure kan geen machtsoverschrijding worden afgeleid. In zoverre faalt het middel naar recht. Achtste middel 60. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 14.2 IVBPR en de artikelen 175, § 1, eerste lid, 181, eerste lid, en 162, eerste lid, 1°, Sociaal Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf en het vermoeden van onschuld: het arrest stelt het moreel bestanddeel, meer bepaald de schuldvorm niet vast. 61. Het arrest stelt vast dat de feiten van de bewezen verklaarde telastleggingen onachtzaamheidsmisdrijven zijn, wat volgens de appelrechters niet uitsluit dat de feiten van deze telastleggingen in concreto wetens en willens werden gepleegd. 62. Het arrest oordeelt als volgt: - het is mogelijk dat de strafrechter met betrekking tot de bijzondere strafwetten die de vereiste schuldvorm niet preciseren, het bewijs van het morele bestanddeel, dit is de schuld, afleidt uit het loutere feit van de aanwezigheid van het materieel bestanddeel van het misdrijf, omdat dit feit een vermoeden van schuld of fout ten laste van de eisers met zich brengt; - uit de bewezen verklaarde materiële bestanddelen van de telastleggingen wordt het bewijs van het moreel bestanddeel afgeleid wat betreft die feiten in combinatie met de vaststelling dat de eisers niet op geloofwaardige en aanneembare wijze een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond naar voor hebben gebracht. Met die redenen stelt het arrest de schuldvorm van de telastleggingen vast. Het middel mist feitelijke grondslag. Negende middel 63. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van de inhoud van de instructienota van de eiseres 1 en van diverse andere stukken van het strafdossier; het arrest neemt immers aan dat daaruit blijkt dat de navigatie wordt vooropgesteld van en naar Zeebrugge en dat de plaats van waaruit de transportopdrachten werden verricht Zeebrugge (knooppunt) is; in tegenstelling tot wat het arrest vaststelt wordt niet enkel verwezen naar Belgische bedrijven in de instructienota, maar ook naar bedrijven in andere landen; uit de instructienota blijkt niet dat de transportactiviteiten uitsluitend vanuit Zeebrugge als knooppunt zouden worden verricht en voor de navigatie wordt niet uitsluitend vermeld dat dit vanuit Zeebrugge gebeurt; de instructienota verwijst immers ook naar andere steden. 64. Het middel vermeldt niet van welke andere stukken dan de bedoelde instructienota het arrest de bewijskracht miskent. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 65. De miskenning van de bewijskracht van een akte bestaat erin dat de bekritiseerde beslissing verwijst naar een geschrift en die beslissing aan dat geschrift een vermelding toeschrijft die niet erin voorkomt dan wel verklaart dat het geschrift een vermelding niet bevat die wel erin voorkomt. 66. Het arrest oordeelt dat in de instructienota van de eiseres 1 “enkel wordt uitgegaan van Belgische bedrijven die ook bij naam worden genoemd”. Daaruit volgt niet dat het arrest oordeelt dat er geen transporten zijn voor leveringen uitgevoerd bij klanten gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en Nederland. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 67. Voor het oordeel dat de navigatie werd vooropgesteld van en naar Zeebrugge en dat de transportactiviteiten in West-Europa gebeurden vanuit Zeebrugge (knooppunt) (arrest, p. 128-129, ro 73, vi), p. 129, ro 74, i)) verwijst het arrest niet naar deze instructienota, zodat het arrest de bewijskracht ervan niet kan miskennen. In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 68. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten op 605,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.28 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230627.2N.28 precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230509.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div