id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:
Art. 1
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 2- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
3 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 65 Wettelijke bepalingen:
Art. 1
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 2- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art.
3 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1, § 2 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 3 - 4 Op het enkel hoger beroep van een beklaagde vermag het appelgerecht de toestand van een beklaagde niet in zijn nadeel wijzigen; de rechter in hoger beroep die op het enkel hoger beroep van de eiseres bij toepassing van artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet, zoals gewijzigd door de wet van 28 november 2021, het beroep tegen het bevel tot betalen ontvankelijk verklaart, de enige telastlegging bewezen verklaart en de eiseres veroordeelt tot een geldboete, terwijl de eerste rechter zich op basis van de voorheen bestaande versie van artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet ertoe beperkt heeft het beroep van de eiseres tegen het bevel tot betaling ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en te beslissen dat het bevel tot betalen bleef bestaan, wijzigt de toestand van de eiseres in haar nadeel en miskent de relatieve werking van haar hoger beroep. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 65 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 65/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0420.N Ch. F. G. V., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Bart Bleyaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 17 februari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede middel
- Het eerste onderdeel van het eerste middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis oordeelt enerzijds dat de nieuwe wet een interpretatie uitmaakt van de eerdere versie en anderzijds dat het een procedurewet is; deze redenen zijn tegenstrijdig, omdat een interpretatieve wet geen nieuwe wet is. Het tweede onderdeel van het eerste middel voert schending aan van artikel 3 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de wijziging van artikel 65/1 Wegverkeerswet een procedurewet is. Het derde onderdeel van het eerste middel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek en artikel 65/1 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de wijziging van artikel 65/1 Wegverkeerswet een interpretatieve wet is; het betreft hier immers een nieuwe strafwet. Het eerste onderdeel van het tweede middel voert schending aan van artikel 1 Strafwetboek en artikel 65/1 Wegverkeerswet: krachtens artikel 65/1, § 2, achtste lid, Wegverkeerswet, moet de rechtbank, indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard en het bevel tot betaling als niet bestaande moet worden beschouwd, de overtredingen die ten grondslag liggen van het bevel tot betalen ten gronde beoordelen en, indien ze bewezen worden verklaard, toepassing van de strafwet maken; voorheen strekte de regeling van het bevel tot betalen niet tot het opleggen van een straf in de zin van artikel 1 Strafwetboek, maar enkel tot het creëren van een uitvoerbare titel, terwijl een veroordeling tot straf wordt vermeld op het uittreksel van het strafregister. Het tweede onderdeel van het tweede middel voert schending aan van artikel 2 Strafwetboek en artikel 65/1 Wegverkeerswet: vóór de wetswijziging van 28 november 2021 kon de rechtbank die kennis nam van het beroep oordelen of de feiten aan de eiseres konden worden verweten en of de som waarvoor het openbaar ministerie het bevel tot betalen heeft uitgevaardigd wettig was; door het beroep werd de strafvordering niet in werking gesteld; de in artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet bepaalde procedure kon dan ook niet ertoe leiden dat de rechter kennis nam van de stafvordering voor de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het uitvaardigen van het bevel tot betalen; in de nieuwe regeling die het bestreden vonnis toepast wordt aan de eiseres een straf opgelegd die bij de wet niet was bepaald voordat het misdrijf werd gepleegd of die minstens verschilt ten tijde van het vonnis van die welke ten tijde van het misdrijf was bepaald.
- Artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet, dat de procedure regelt voor het instellen van een rechtsmiddel tegen een bevel tot betaling en de wijze waarop dit rechtsmiddel moet worden beoordeeld, werd gewijzigd met de wet van 28 november 2021 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken.
- Het bestreden vonnis oordeelt enkel dat de nieuwe versie van artikel 65/1 Wegverkeerswet een interpretatie of verduidelijking uitmaakt van de vroegere versie. Daarmee oordeelt het bestreden vonnis niet dat de wet van 28 november 2021 een interpretatieve wet is. In zoverre berusten het eerste en derde onderdeel van het eerste middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en missen ze feitelijk grondslag.
- De wet van 28 november 2021, die geen strafbaarstelling of straffen wijzigt, maar enkel de regels toepasselijk op een tegen een bevel tot betalen ingesteld rechtsmiddel, is een wet op de rechterlijke organisatie, de bevoegdheid en de rechtspleging in de zin van artikel 3 Gerechtelijk Wetboek. Het is dus geen strafwet in de zin van de artikelen 1 en 2 Strafwetboek. De omstandigheid dat onder het gewijzigde artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet de rechtsmacht van de rechter niet is beperkt tot de loutere beoordeling van het bevel tot betalen, maar hij ingeval van het ontvankelijk verklaren van het ingestelde rechtsmiddel de strafwet moet toepassen, laat niet toe anders te oordelen. In zoverre het tweede en derde onderdeel van het eerste middel en het eerste en tweede onderdeel van het tweede middel uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis verzwaart de opgelegde straf door aan de eiseres een effectieve geldboete van 25,00 euro op te leggen, terwijl het beroepen vonnis de eiseres “veroordeelde” tot een bevestiging van het bedrag van het eerdere bevel tot betalen; nochtans was er enkel door de eiseres hoger beroep aangetekend.
- Artikel 211bis Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de relatieve werking van het enkel hoger beroep van een beklaagde.
- Op het enkel hoger beroep van een beklaagde vermag het appelgerecht de toestand van een beklaagde niet in zijn nadeel wijzigen.
- De eerste rechter heeft op basis van de voorheen bestaande versie van artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet zich ertoe beperkt het beroep van de eiseres tegen het bevel tot betaling ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en te beslissen dat het bevel tot betalen voor het erin vermelde bedrag van 97,20 euro bleef bestaan.
- De rechter in hoger beroep verklaart op het enkel hoger beroep van de eiseres bij toepassing van artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet, zoals gewijzigd door de wet van 28 november 2021, het beroep tegen het bevel tot betalen ontvankelijk, verklaart de enige telastlegging bewezen en veroordeelt de eiseres tot een geldboete van 25,00 euro, verhoogd met 70 opdeciemen of 200,00 euro of 30 dagen vervangend rijverbod. Aldus wijzigt het bestreden vonnis de toestand van de eiseres in haar nadeel en miskent het de relatieve werking van haar hoger beroep. Het middel is in zoverre gegrond. Overige middelen
- De overige middelen die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis behoudens in zoverre dit het hoger beroep van de eiseres ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot een tiende van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 248,05 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.29 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260304.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div