id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.30 Rolnummer: P.23.0521.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 759 - laatst gezien 2026-06-15 08:35 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 4 Onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte of naar voorwerp of aard met elkaar verbonden zijn; de rechter beoordeelt in het licht van de gegevens van de zaak welke feiten bij hem aanhangig zijn gemaakt en of die feiten identiek of substantieel dezelfde zijn als deze die het voorwerp waren van een eerdere strafvervolging die is beëindigd met een onherroepelijke beslissing van vrijspraak of veroordeling waarbij de rechter acht moet slaan op de feitelijke gedragingen en de werkelijk bedoelde omstandigheden waarop de eerste strafvordering betrekking heeft en dit dubbel onderzoek van de hem voorgelegde en de eerder berechte feiten maakt deel uit van de onaantastbare beoordeling door de feitenrechter; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Algemeen Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0521.N I. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Laurent Van De Keere, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Vogelmarkt 31A, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 3 maart 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14.7 IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de feiten van 12 februari 2020 en de thans vervolgde feiten van 19 juli 2020 geen complex geheel van feitelijke omstandigheden zijn, die onderling niet als afgescheiden kunnen worden beschouwd, en dat integendeel die feiten aflopende misdrijven vormen op afzonderlijke data en plaatsen; door aan te nemen dat het non bis in idem-beginsel niet van toepassing is of kan zijn op aflopende misdrijven, voegt de bestreden beslissing een voorwaarde toe aan de geldende toepassingsvereisten van de non bis in idem-regel. 2. Artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht. 3. Het bestreden vonnis oordeelt niet dat het non bis in idem-beginsel niet van toepassing is of kan zijn op aflopende misdrijven. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. 4. Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld en waarvan hij is vrijgesproken. Krachtens artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM wordt niemand opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat. Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte. 5. Uit deze bepalingen en dit algemene rechtsbeginsel volgt dat een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak en voor zover die vervolgingen betrekking hebben op dezelfde persoon. 6. Onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte of naar voorwerp of aard met elkaar verbonden zijn. De rechter beoordeelt in het licht van de gegevens van de zaak welke feiten bij hem aanhangig zijn gemaakt en of die feiten identiek of substantieel dezelfde zijn als deze die het voorwerp waren van een eerdere strafvervolging die is beëindigd met een onherroepelijke beslissing van vrijspraak of veroordeling. Daarbij moet de rechter acht slaan op de feitelijke gedragingen en de werkelijk bedoelde omstandigheden waarop de eerste strafvordering betrekking heeft. 7. Dit dubbel onderzoek van de hem voorgelegde en de eerder berechte feiten maakt deel uit van de onaantastbare beoordeling door de feitenrechter. 8. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 10. Het bestreden vonnis oordeelt dat de feiten van 12 februari 2020 en de huidige feiten van 19 juli 2020 geen complex geheel van feitelijke omstandigheden zijn die onderling niet als afgescheiden kunnen worden beschouwd, dat het integendeel aflopende misdrijven zijn op afzonderlijke data en plaatsen, dat de eiser op 12 februari 2020 en ook op 19 juli 2020 wist dat er nog herstelonderzoeken moesten worden afgelegd en dat het duidelijk onderscheiden feiten zijn. Met die redenen kan het wettig oordelen dat de eiser niet reeds bestraft werd voor substantieel dezelfde feiten. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 11. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 65, tweede lid, Strafwetboek: het bestreden vonnis weigert in te gaan op eisers verzoek om voor de telastlegging D toepassing te maken van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek ten aanzien van de reeds beoordeelde feiten van 12 februari 2020 en 1 augustus 2020; het motiveerde deze weigering met de redenen dat het aflopende misdrijven zijn, waarvan de schuld niet ter betwisting staat en dat het onderscheiden inbreuken zijn die telkens een onderscheiden beslissing van de eiser vergden; de omstandigheid dat het om aflopende misdrijven gaat, verhindert niet dat die feiten de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet zijn. 12. Artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet zijn vreemd aan de aangevoerde grief. 13. De rechter oordeelt onaantastbaar of het voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek vereiste zelfde misdadig opzet aanwezig is. Of de betrokken onderscheiden misdrijven voortdurende of aflopende misdrijven zijn, is daarbij niet relevant. 14. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 16. Op grond van de reden dat het onderscheiden inbreuken zijn die telkens een onderscheiden beslissing van de eiser vergden en dat de eiser wist dat hij nog herstelexamens moest afleggen en ervoor koos telkens opnieuw te blijven rijden zonder die af te leggen, kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat geen toepassing moet worden gemaakt van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.30 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.