id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.31 Rolnummer: P.23.0841.N Zaak: T. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 743 - laatst gezien 2026-06-15 08:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 5 Noch uit artikel 36, § 3, Voorlopige Hechteniswet noch uit de wetsgeschiedenis ervan noch uit enige verdragsbepaling noch uit enige andere wetsbepaling noch uit enig algemeen rechtsbeginsel vloeit voort dat het vonnisgerecht de beslissing om, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de verdachte, de opgelegde voorwaarden te verlengen, in te trekken of vrijstelling ervan te verlenen, slechts kan nemen nadat het verzoek werd behandeld op een rechtszitting in aanwezigheid van de verdachte en het openbaar ministerie; de omstandigheid dat ingeval van hoger beroep tegen die beslissing de appelprocedure wel tegensprekelijk verloopt, doet daaraan geen afbreuk en het recht op tegenspraak als onderdeel van het recht van verdediging zijn voldoende gewaarborgd doordat het vonnisgerecht bij een met redenen omklede beslissing uitspraak moet doen over het verzoek; verder moet een op een dergelijk verzoek gegeven beslissing, die geen vonnis is in de zin van artikel 149 Grondwet, niet worden uitgesproken in aanwezigheid van het openbaar ministerie. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0841.N S. T., beklaagde, verzoeker tot wraking, eiser, met als raadslieden mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, beiden advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Gustaaf Callierlaan 175, waar de eiser woonplaats kiest, tegen W. D.V., burgerlijke partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, burgerlijke kamer, van 1 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest stelt, na het ongegrond verklaren van eisers wrakingsverzoek, de zaak uit naar de rechtszitting van 7 september 2023 met het oog op de behandeling van de vordering van de federaal procureur tot het opleggen van een geldboete. Dat is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin een beslissing als bedoeld door het tweede lid van die bepaling. In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen die beslissing, is het wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Middelen
- Het eerste middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR en artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op tegenspraak en het recht op een eerlijk proces: het arrest kon op basis van de vaststellingen die het bevat, niet oordelen dat er geen gewettigde verdenking bestaat in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek; door over het verzoek tot opheffing van voorwaarden en de verlenging van de voorwaarden te oordelen zonder de eiser daarover te horen, heeft de gewraakte rechter het recht op tegenspraak als essentieel onderdeel van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces miskend; daardoor heeft hij een schijn van legitieme verdenking gecreëerd. Het tweede middel voert schending aan van de artikelen 138, eerste lid, 140 en 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek en artikel 284 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het openbaar ministerie niet aanwezig moet zijn op de rechtszitting waarop de gewraakte rechter het verzoek om verlenging of opheffing van voorwaarden overeenkomstig artikel 36, § 3, Voorlopige Hechteniswet behandelt; uit het feit dat de gewraakte rechter uitspraak doet in afwezigheid van het openbaar ministerie volgt dat hij niet geschikt is om met de nodige sereniteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid te oordelen en hij dus wegens gewettigde verdenking moet worden gewraakt.
- Artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR zijn in de regel niet van toepassing op beslissingen inzake voorlopige hechtenis. In zoverre het eerste middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit artikel 36, § 3, Voorlopige Hechtenis volgt dat na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek het vonnisgerecht waarbij de zaak aanhangig is, op vordering van de procureur des Konings of op verzoek van de verdachte de opgelegde voorwaarden kan verlengen voor maximum drie maanden, alsook die voorwaarden kan intrekken of vrijstelling kan verlenen van sommige daarvan.
- Noch uit deze bepaling noch uit de wetsgeschiedenis ervan noch uit enige verdragsbepaling noch uit enige andere wetsbepaling noch uit enig algemeen rechtsbeginsel vloeit voort dat het vonnisgerecht deze beslissing slechts kan nemen nadat het verzoek werd behandeld op een rechtszitting in aanwezigheid van de verdachte en het openbaar ministerie. De omstandigheid dat ingeval van hoger beroep tegen die beslissing de appelprocedure wel tegensprekelijk verloopt, doet daaraan geen afbreuk.
- Het recht op tegenspraak als onderdeel van het recht van verdediging zijn voldoende gewaarborgd doordat het vonnisgerecht bij een met redenen omklede beslissing uitspraak moet doen over het verzoek.
- Verder moet een op een dergelijk verzoek gegeven beslissing, die geen vonnis is in de zin van artikel 149 Grondwet, niet worden uitgesproken in aanwezigheid van het openbaar ministerie.
- In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Voor het overige zijn de middelen afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.31 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div