id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.32 Rolnummer: P.23.0476.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 904 - laatst gezien 2026-06-19 00:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 195, zesde lid, Wetboek van Strafvordering is voldaan indien de beklaagde met documenten aantoont dat hij zich in een precaire financiële toestand bevindt; elke beklaagde kan om de toepassing van deze bepaling verzoeken en dit verzoek en de beoordeling ervan is niet afhankelijk van de aard van de bewezen verklaarde feiten. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, zesde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 195, zesde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0476.N M. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. David Frejlich, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 10 maart 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 65, tweede lid, Strafwetboek: het bestreden vonnis weigert in te gaan op eisers verzoek om toepassing te maken van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek omwille van het tijdsverloop tussen de ten laste gelegde en beoordeelde feiten en de feiten waarvan sprake in het vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen, van 6 december 2022; doorslaggevend is immers het feit of er sprake is van eenzelfde opzet bij het begaan van de misdrijven, ook wanneer het niet om dezelfde feiten gaat; de appelrechters hebben vastgesteld dat het in de beide gevallen om gelijkaardige misdrijven gaat en hebben de uitgesproken rijongeschiktheid bij toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet gemotiveerd op grond van de vaststelling dat de eiser een man van 25 jaar is, die reeds 15 maal werd veroordeeld voor verkeersgerelateerde feiten, waaronder 14 keer voor sturen zonder rijbewijs; ze oordelen dat er sprake is van een dermate normvervagend gedrag in het algemeen en in het wegverkeer dat hierdoor zijn geestelijke geschiktheid tot het besturen van een voertuig wordt aangetast; uit deze motivering volgt expliciet dat de door de eiser gepleegde verkeersmisdrijven de vrucht zijn van zijn psychische ongeschiktheid, zodat voor de beoordeling van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek niet anders kan worden geoordeeld dan dat de ten laste gelegde en beoordeelde feiten en de feiten, waarvan sprake in het voornoemde vonnis werden gepleegd met eenzelfde misdadig opzet. 2. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het bestreden vonnis artikel 149 Grondwet schendt. In zoverre is het middel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. 3. De rechter oordeelt onaantastbaar of het voor de toepassing van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek vereiste zelfde misdadig opzet aanwezig is. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. Het bestreden vonnis verwijst naar het tijdsverloop tussen de feiten van 5 juli 2020 en die van respectievelijk 12 en 14 december 2020 en het oordeelt dat de eiser met betrekking tot de feiten van 12 en 14 december 2020 een vernieuwde wilsuiting heeft gesteld na eerdere politionele tussenkomsten, zodat er sprake is van een nieuwe afzonderlijk strafbare gedraging. Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat er geen sprake is van een opeenvolgende en voortgezette uitvoering van eenzelfde misdadig opzet. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 37ter Strafwetboek: de afwijzing door het bestreden vonnis van eisers verzoek om een werkstraf is niet naar recht verantwoord en niet naar recht gemotiveerd; in zijn appelconclusie verwees de eiser naar een eerder vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Mechelen van 6 december 2022 voor gelijkaardige feiten die werden gepleegd in dezelfde tijdspanne en waarvoor aan de eiser een werkstraf werd opgelegd en naar zijn gunstige evolutie zoals uit een vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank blijkt en waarnaar de appelrechters expliciet verwijzen. 6. Artikel 37ter Strafwetboek heeft betrekking op de straf onder elektronisch toezicht en niet op de werkstraf. In zoverre het middel schending aanvoert van die bepaling, faalt het naar recht. 7. Binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België rechtstreekse werking hebben en in het licht van de strafdoeleinden die hij meent te moeten realiseren, bepaalt de rechter onaantastbaar de straffen en maatregelen die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van de veroordeelde. 8. De rechter die een gevraagde werkstraf weigert, dient die beslissing volgens artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek met redenen te omkleden. Die weigeringsbeslissing kan worden gemotiveerd of mede gemotiveerd door opgave van de redenen voor het opleggen van een andere straf. 9. Uit artikel 149 Grondwet volgt dat de rechter een in een conclusie betreffende de straftoemeting ontwikkeld verweer dient te beantwoorden, zonder dat hij daarbij moet ingaan op elk feitelijk gegeven dat wordt aangevoerd ter staving van dit verweer. 10. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 11. Het bestreden vonnis wijst eisers verzoek om een werkstraf af met de volgende redenen: - de ernst van de gepleegde feiten en eisers strafverleden laten niet toe om de eiser te veroordelen tot een werkstraf; - dit zou hem een onvoldoende besef bijbrengen over de bijzondere ernst van de door hem gepleegde feiten; - een gevangenisstraf dringt zich op gelet op de strafrechtelijke antecedenten van de eiser en het feit dat eerdere veroordelingen op hem blijkbaar bijzonder weinig indruk hebben gemaakt; - er wordt rekening gehouden met het feit dat de eiser in het kader van zijn strafuitvoeringsproject reeds diverse stappen in de goede richting heeft gezet om zijn leven weer op de rails te krijgen, wat blijkt uit de motivering van het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank van 14 november 2022 dat de eiser ter rechtszitting neerlegde. Met deze redenen beantwoorden de appelrechters het door het middel bedoelde verweer en omkleden ze de afwijzing van eisers verzoek om een werkstraf regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel 12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 210 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis wijst eisers in zijn appelconclusie gedane verzoek tot ambtshalve opwerping van een middel van openbare orde af zonder enige motivering; in zijn appelconclusie heeft de eiser verzocht om bij toepassing van artikel 210 Wetboek van Strafvordering ambtshalve een middel van openbare orde op te werpen met betrekking tot de schuld aan de telastlegging B. 13. Wanneer een beklaagde of het openbaar ministerie gelet op de afwezigheid van een grief in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering de beslissing over de schuld niet door het appelgerecht wensen beoordeeld te zien, is het appelgerecht slechts verplicht om een ambtshalve grief aan te voeren in de zin van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, indien het zelf oordeelt dat daartoe een reden is. De omstandigheid dat de beklaagde in zijn appelconclusie zijn onschuld motiveerde doet daaraan geen afbreuk. 14. Indien het appelgerecht dat oordeelt dat dit niet het geval is, wordt de saisine in hoger beroep beperkt door de verklaringen van hoger beroep en de in het grievenschrift aangevoerde grieven. Uit geen enkele bepaling volgt dat het appelgerecht dat oordeel moet motiveren. 15. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Derde middel 16. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, zesde lid, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis wijst eisers verzoek om de toepassing van artikel 195, zesde lid, Wetboek van Strafvordering af omdat dit een vrijbrief zou zijn voor het miskennen van de regelgeving, terwijl het ook vaststelt dat eisers financiële situatie niet rooskleurig is. 17. Artikel 195, zesde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de rechter een geldboete kan uitspreken beneden het wettelijk minimum indien de overtreder om het even welk document voorlegt dat zijn precaire financiële toestand bewijst. 18. Aan de voorwaarden voor die bepaling is voldaan indien de beklaagde met documenten aantoont dat hij zich in een precaire financiële toestand bevindt. Elke beklaagde kan om de toepassing van deze bepaling verzoeken. Dit verzoek en de beoordeling ervan is niet afhankelijk van de aard van de bewezen verklaarde feiten. 19. Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: “Blijkens de door [de eiser] aangebrachte argumenten mag diens financiële toestand dan niet rooskleurig zijn, doch er wordt niet aangetoond dat deze dermate penibel is dat hij niet de gevolgen van de gepleegde misdrijven dient te dragen. Een penibele financiële toestand houdt geen vrijbrief in om de regelgeving te miskennen.” 20. Daaruit volgt dat het bestreden vonnis enerzijds vaststelt dat de financiële toestand van de eiser precair is, maar dat anderzijds gelet op de aard van de bewezen verklaarde feiten de toepassing van artikel 195, zesde lid, Wetboek van Strafvordering moet worden uitgesloten. Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Omvang van de cassatie 21. De onwettigheid van de beslissing om de eiser te veroordelen tot geldboeten leidt tot de vernietiging van alle aan de eiser opgelegde straffen met inbegrip van de veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds, maar het laat de overige beslissingen van het bestreden vonnis onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige 22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser veroordeelt tot straffen en tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 188,98 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.32 Gerelateerde publicatie(
- s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.15 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250610.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.