← België

J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.33 Rolnummer: P.23.0301.N Zaak: J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 817 - laatst gezien 2026-06-18 23:45 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Om na te gaan of er een strafverzwaring is in de zin van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering moeten in de eerste plaats de door de eerste rechter en het appelgerecht opgelegde hoofdstraffen worden vergeleken en bij gelijkheid van die hoofstraffen vervolgens de bijkomende straffen; er is geen strafverzwaring indien het appelgerecht eenzelfde hoofdstraf oplegt als de eerste rechter maar de bijkomende straf vermindert en dit ongeacht de toevoeging van een aan die bijkomende straf gekoppelde beveiligingsmaatregel. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0301.N Ph. P. H. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Cavit Yurt, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 12 januari 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis maakt geen melding van het neerleggen van conclusies en verwijst er niet naar; het blijkt evenmin dat de appelrechters eisers besluiten in aanmerking hebben genomen. 2. Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter niet de verplichting in zijn vonnis melding te maken van het indienen van een conclusie. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3. In zoverre het middel nalaat te preciseren welk in zijn appelconclusie gevoerd verweer niet wordt beantwoord met het bestreden vonnis, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Tweede middel 4. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis legt een alcoholslot op, dat niet was opgelegd door het beroepen vonnis, zonder de eenstemmigheid van de appelrechters vast te stellen. 5. Om na te gaan of er een strafverzwaring is in de zin van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering moeten in de eerste plaats de door de eerste rechter en het appelgerecht opgelegde hoofdstraffen worden vergeleken en bij gelijkheid van die hoofstraffen vervolgens de bijkomende straffen. Er is geen strafverzwaring indien het appelgerecht eenzelfde hoofdstraf oplegt als de eerste rechter maar de bijkomende straf vermindert en dit ongeacht de toevoeging van een aan die bijkomende straf gekoppelde beveiligingsmaatregel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 6. Het bestreden vonnis legt dezelfde geldboete op als het beroepen vonnis, maar het vermindert de duur van het verval van het recht tot sturen van zes tot drie maanden, met behoud van het afhankelijk maken van het herstel van dit verval in het slagen in de vier examens en onderzoeken en met de toevoeging dat de geldigheid van het rijbewijs wordt beperkt tot motorvoertuigen die uitgerust zijn met een alcoholslot voor een periode van één jaar. Aldus verzwaart het bestreden vonnis de aan de eiser opgelegde bestraffing niet in de zin van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel 7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet eisers in conclusie geformuleerd verzoek om de kosten van de herstelonderzoeken overeenkomstig artikel 29, § 4, tweede lid, Wegverkeerswet in mindering te brengen. 8. Het bestreden vonnis beantwoordt niet het in het middel bedoelde verweer. Het middel is gegrond. Ambtshalve onderzoek voor het overige 9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het geen uitspraak doet over eisers verzoek tot toepassing van artikel 29, § 4, tweede lid, Wegverkeerswet. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 116,55 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.33 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.