id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:
Art. 5
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTSPERSOONLIJKHEID Wettelijke bepalingen:
Art. 5
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen:
Art. 5
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 5 Een loutere wijziging van de tijdsbepaling op basis van de aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag liggende feiten houdt niet in dat de rechter zich gelast met niet-vervolgde feiten; de rechter oordeelt op grond van de akte van aanhangigmaking en van de daaraan ten grondslag liggende gegevens uit het strafdossier onaantastbaar of de feiten die hij onder de verbeterde omschrijving bewezen verklaart, werkelijk deze zijn die het voorwerp uitmaken van de vervolgingen of daaraan ten grondslag liggen maar het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Tekst van de beslissing Nr. P.23.0141.N HORTUS CONSULTING bv, met zetel te 2260 Westerlo, Bergveld 120, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Steven Van de Kerkhof, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Turnhout, van 15 december
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, artikel 5 Strafwetboek en artikel 49 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis leidt eiseres’ schuld af van de schuld van A., bestuurder van de vennootschap, zonder rekening te houden met de concrete situatie; uit het feit dat A. wetens en willens het voertuig Volvo XC60 nam en gebruikte, kan niet automatisch worden afgeleid dat het gebruik met de toestemming van de eiseres gebeurde en dat het morele bestanddeel ook voor haar is vervuld; er moet een persoonlijke fout bij de eiseres worden vastgesteld.
- Een rechtspersoon kan maar strafrechtelijk verantwoordelijk zijn indien op het niveau van de rechtspersoon de aanwezigheid wordt vastgesteld van het voor het misdrijf vereiste materieel en moreel bestanddeel.
- Het autonoom karakter van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon belet de rechter niet bij de beoordeling van de aanwezigheid van het moreel misdrijfbestanddeel rekening te houden met het gedrag van de natuurlijke personen die handelen voor of namens de rechtspersoon. De rechtspersoon als fictieve entiteit handelt immers noodzakelijkerwijze via natuurlijke personen die hem juridisch of feitelijk besturen of voor zijn rekening optreden, zodat hun gedrag bij de beoordeling van de aanwezigheid van het moreel misdrijfbestanddeel bij de rechtspersoon in aanmerking kan worden genomen.
- Indien blijkt dat de handelingen van een rechtspersoon volledig worden bepaald door de enige zaakvoerder of bestuurder-natuurlijke persoon van die rechtspersoon, kan de rechter zich bij de beoordeling van de aanwezigheid van het moreel misdrijfbestanddeel op het niveau van de rechtspersoon en dus bij de vaststelling dat dit bestanddeel op dit niveau is aangetoond, laten leiden door het gedrag van die ene zaakvoerder of bestuurder. Dit houdt geen miskenning van het vermoeden van onschuld in.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - het voertuig Volvo XC60 waarmee de beklaagde A. op het ogenblik van de controle op 1 oktober 2021 reed, was eigendom van de eiseres op wiens naam het voertuig was ingeschreven bij DIV; - de eiseres is gevestigd op hetzelfde adres als de woonplaats van de beklaagde A.; - de eiseres is actief als holding en de beklaagde A. is sinds de oprichting de enige zaakvoerder of bestuurder van deze vennootschap; - de beklaagde A. bevestigde bij zijn verhoor over de eerder geregistreerde snelheidsovertreding van 8 september 2021 “als burgerlijk verantwoordelijke” van de eiseres “burgerlijk verantwoordelijk en eigenaar” te zijn van de eiseres; - uit de vermeldingen in het beroepen vonnis blijkt dat de beklaagde A. aan de eerste rechter meedeelde dat hij zaakvoerder was van enkele vennootschappen actief in de horecasector, dat hij zou werken met acht personeelsleden en dat de eiseres de managementvennootschap betreft in het kader waarvan hij zijn diensten levert aan de andere vennootschappen; - uit deze concrete gegevens van de zaak kan worden afgeleid dat de eiseres in rechte en in feite wordt vertegenwoordigd door haar enige bestuurder, de beklaagde A., die in die hoedanigheid het gedrag van de vennootschap volledig beheerst; - het is in deze omstandigheden toegestaan om het oordeel over de materiële en morele toerekening van het misdrijf aan de eiseres te gronden op de gedragingen of verzuimen van de beklaagde A.; - de beklaagde A. werd in verschillende vonnissen veroordeeld tot het afleggen van herstelexamens of -onderzoeken, maar gaf hieraan nog geen gevolg; - aangezien de beklaagde A. de enige bestuurder en vertegenwoordiger is van de eiseres, staat het op voldoende wijze vast dat ook de vennootschap ervan op de hoogte was dat de beklaagde A. geen voertuig mocht besturen omwille van de niet afgelegde herstelonderzoeken en -examens als gevolg van voormelde veroordelingen; - enige controle op wie het voertuig gebruikte, bleek op het ogenblik van de feiten volledig afwezig; concrete maatregelen om te verhinderen dat de beklaagde A. nog met het voertuig zou rijden, werden blijkbaar niet genomen. Met die redenen verantwoordt het bestreden vonnis naar recht de beslissing dat de eiseres het motorvoertuig wetens heeft toevertrouwd aan de beklaagde A., dit wil zeggen in de wetenschap dat die beklaagde vervallen was verklaard van het recht tot sturen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 182 Wetboek van Strafvordering: de veroordeling van de eiseres voor de feiten omschreven onder de telastlegging F is niet naar recht verantwoord; de appelrechters hebben hun saisine op onrechtmatige wijze uitgebreid door de datum van de onder de telastlegging F voorziene overtreding te wijzigen van 14 oktober 2021 naar 4 februari 2022; zij waren gebonden door de telastlegging opgenomen in de dagvaarding, met name het niet meedelen van de identiteit van de bestuurder begaan op 14 oktober 2021 en mochten zich niet uitspreken over feiten gepleegd op een andere datum; de appelrechters waren dan ook enkel bevoegd om te oordelen over de beweerdelijk begane overtreding van 14 oktober
- In correctionele zaken en politiezaken maakt de akte van aanhangigmaking niet de daarin vervatte kwalificatie aanhangig, maar wel de feiten zoals ze blijken uit de stukken van het dossier en die aan deze akte ten grondslag liggen. Die kwalificatie is voorlopig en de rechtbank, ook in hoger beroep, heeft de plicht om, mits eerbiediging van het recht van verdediging van de partijen, aan de feiten hun juiste omschrijving te geven met inbegrip van de bepaling van de incriminatieperiode en de plaats van de feiten. De rechter is daarbij niet gebonden door de zienswijze van het openbaar ministerie.
- Een loutere wijziging van de tijdsbepaling op basis van de aan de akte van aanhangigmaking ten grondslag liggende feiten houdt niet in dat de rechter zich gelast met niet-vervolgde feiten.
- De rechter oordeelt op grond van de akte van aanhangigmaking en van de daaraan ten grondslag liggende gegevens uit het strafdossier onaantastbaar of de feiten die hij onder de verbeterde omschrijving bewezen verklaart, werkelijk deze zijn die het voorwerp uitmaken van de vervolgingen of daaraan ten grondslag liggen.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De feiten onder de telastlegging F, namelijk als rechtspersoon nagelaten te hebben de identiteit van de onmiskenbare bestuurder mee te delen binnen een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de dag waarop de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd, werden door het openbaar ministerie gesitueerd te Westerlo op 14 oktober
- De eerste rechter verbeterde die datum naar 4 februari
- Het bestreden vonnis oordeelt in dat verband als volgt: - de uit artikel 67ter Wegverkeerswet voortvloeiende verplichting tot mededeling van de identiteit van de bestuurder heeft betrekking op de op 8 september 2021 vastgestelde snelheidsovertreding met het voertuig Volvo XC60 ingeschreven op naam van de eiseres; - een afschrift van het aanvankelijk proces-verbaal met een antwoordformulier werd verzonden op 28 september
- Een kopie van het antwoordformulier is evenwel niet gevoegd aan het strafdossier zodat de precieze inhoud ervan niet is gekend en bijgevolg ook niet vaststaat dat hiermee effectief een vraag om inlichtingen als bedoeld door artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet werd gesteld; - de eiseres betwist het antwoordformulier te hebben ontvangen en de eerste rechter overwoog terecht dat het openbaar ministerie niet het tegendeel bewijst; - de beklaagde A. werd op 20 januari 2022 onder meer in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de eiseres verhoord over de snelheidsovertreding van 8 september 2021 met voorafgaande mededeling van het voertuig, het tijdstip en de plaats van de overtreding; - uit de inhoud van de verklaring van dit verhoor kan duidelijk worden afgeleid dat hierbij een vraag om inlichtingen als bedoeld in artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet werd gesteld; - volgens de vaststellingen zegde de beklaagde A. na het verhoor bovendien toe dat hij zou doorgeven wie met het voertuig reed op het ogenblik van de feiten, maar deed hij dat niet; - het blijkt niet dat de eiseres eerder dan bij het verhoor van haar zaakvoerder op 20 januari 2022 kennis had van de vraag om inlichtingen. Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat de niet-nakoming door de eiseres van de wettelijke verplichting de identiteit van de bestuurder mee te delen zich situeert op 4 februari 2022, dit is vijftien dagen na het mondeling verzoek aan de beklaagde A. op 20 januari 2022 om die informatie te verschaffen, zonder dat het appelgerecht zich daarmee heeft gevat met andere feiten dan die welke met de initiële dagvaarding aanhangig werden gemaakt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.34 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220524.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220524.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div