id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.36 Rolnummer: P.23.0475.N Zaak: Y. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 749 - laatst gezien 2026-06-15 22:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het door artikel 32 Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf vereist geen bijzonder opzet zodat het noodzakelijk is maar volstaat dat de dader wetens het motorvoertuig heeft toevertrouwd aan een persoon, die niet is voorzien van een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs; wetens in de zin van deze bepaling handelt niet alleen hij die met kennis van zaken een motorvoertuig toevertrouwt aan een persoon die niet voorzien is van een rijbewijs, maar ook hij die door zijn schuld niet weet of de derde aan wie hij het voertuig toevertrouwt wel beschikt over het vereiste rijbewijs
(1); uit die bepaling volgt niet dat, behoudens bij daartoe strekkende conclusie, de rechter een inbreuk op artikel 32 Wegverkeerswet slechts bewezen kan verklaren, indien hij vaststelt dat de beklaagde heeft voldaan aan de op hem rustende actieve onderzoeksplicht en hij aldus de redelijke zekerheid heeft dat de bestuurder van het voertuig over een rijbewijs beschikte.
(1)Cass. 11 juni 2019, AR P.19.0111.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.2, AC 2019, nr.
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 32 MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Tekst van de beslissing Nr. P.23.0475.N A. Y., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ali Fadili, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 24 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 47bis, § 2, § 3, § 5 en § 6, Wetboek van Strafvordering: de eiser heeft niet de mogelijkheid gehad zich tijdens zijn verhoor te laten bijstaan door een advocaat; het blijkt niet dat de eiser een afstandsverklaring heeft ondertekend om daarvan af te zien; het bestreden vonnis neemt daarom ten onrechte de verklaring van de eiser in aanmerking.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser de met het middel aangevoerde miskenning van zijn recht op bijstand van een raadsman heeft aangevoerd voor de appelrechters hoewel hij dat kon doen. Hij kan die miskenning niet voor het eerst voor het Hof aanvoeren. Het onderdeel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.1.1°, 8.1.4°, 8.1.5°, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: door op basis van de afgelegde verhoren te oordelen dat de eiser wist dat zijn nicht geen houder was van een rijbewijs, miskent het bestreden vonnis de bewijskracht van eisers grievenformulier en van zijn syntheseconclusie.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser een syntheseconclusie heeft ingediend. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Het bestreden vonnis verwijst voor het door het onderdeel bekritiseerde oordeel niet naar eisers grievenformulier. Het kan dan ook de bewijskracht van dit stuk niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel evenzeer feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 32 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis stelt niet vast dat de eiser niet op een redelijke wijze heeft onderzocht of de bestuurster van het voertuig al dan niet over een rijbewijs beschikte; het beantwoordt niet het desbetreffende in het grievenformulier ontwikkelde verweer; de redenen van het bestreden vonnis laten het Hof niet toe na te gaan waarom het bestreden vonnis aanneemt dat alle constitutieve bestanddelen van de telastlegging bewezen zijn.
- Het door artikel 32 Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf vereist geen bijzonder opzet. Het is noodzakelijk maar volstaat dat de dader wetens het motorvoertuig heeft toevertrouwd aan een persoon, die niet is voorzien van een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs. Wetens in de zin van deze bepaling handelt niet alleen hij die met kennis van zaken een motorvoertuig toevertrouwt aan een persoon die niet voorzien is van een rijbewijs, maar ook hij die door zijn schuld niet weet of de derde aan wie hij het voertuig toevertrouwt wel beschikt over het vereiste rijbewijs.
- Uit die bepaling volgt niet dat, behoudens bij daartoe strekkende conclusie, de rechter een inbreuk op artikel 32 Wegverkeerswet slechts bewezen kan verklaren, indien hij vaststelt dat de beklaagde heeft voldaan aan de op hem rustende actieve onderzoeksplicht en hij aldus de redelijke zekerheid heeft dat de bestuurder van het voertuig over een rijbewijs beschikte.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt op basis van de afgelegde verhoren dat de eiser wel degelijk wist dat de bestuurster van de wagen geen houder was van een rijbewijs. Met die redenen beantwoorden zij het door de eiser in zijn grievenformulier ontwikkelde verweer en motiveren zij de beslissing over het voorhanden zijn van het vereiste moreel element regelmatig met redenen en zonder het Hof te beletten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel onder het mom van een motiveringsgebrek opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.36 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241106.2F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div