id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.38 Rolnummer: P.22.1658.N Zaak: D. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 1064 - laatst gezien 2026-06-18 20:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche Het staat aan het appelgerecht om op basis van de inhoud van de verklaring van hoger beroep en vervolgens de overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering geformuleerde grieven de draagwijdte van het hoger beroep en dus de saisine van het appelgerecht te bepalen en hierbij kan het appelgerecht rekening houden met de door de appellant op het grievenformulier vermelde specificering die de grief beperkt tot een welbepaalde beslissing binnen de aangekruiste rubriek, ook al is de opgave van redenen niet verplicht
(1); wanneer de appellant op zijn grievenformulier niet alleen het beslissingsonderdeel van de beroepen beslissing aanduidt waartegen hij opkomt maar hierbij ook de reden vermeldt waarom hij die grief aanvoert, oordeelt het appelgerecht onaantastbaar wat de draagwijdte is van die vermelding maar uit de loutere omstandigheid dat de appellant hierbij een onduidelijke, impertinente of zelfs onjuiste reden vermeldt, kan evenwel niet worden afgeleid dat er sprake is van een onnauwkeurige grief, noch dat de grief hierdoor wordt beperkt
(2); het Hof gaat na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
(1)Cass. 8 september 2020, AR P.20.0296.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.23, AC 2020, nr. 505.
(2)Zie Cass. 16 oktober 2019, AR P.19.0803.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191016.4, AC 2019, nr.
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1658.N M. D.S., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Didier Baecke, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Martelaarslaan 402, waar de eiser woonplaats kiest, tegen S. D., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 15 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 203, 204 en 210 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 28 en 1068 Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat het hoger beroep behalve op de strafvordering ook betrekking heeft op de beslissing over de burgerlijke rechtsvorderingen van de beide burgerlijke partijen en het hof van beroep derhalve saisine heeft om te oordelen over het geheel van de zaak, miskent het arrest de devolutieve werking van de aangetekende hoger beroepen en is het bijgevolg niet naar recht verantwoord; het appelgerecht had geen saisine om te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering van de eiser tegen de verweerder; de eiser heeft geen hoger beroep aangetekend tegen het beroepen vonnis en ook het hoger beroep dat de verweerder als beklaagde heeft aangetekend had geen betrekking op de beslissing van de eerste rechter over de burgerlijkepartijstelling van de eiser tegen de verweerder; blijkens het grievenformulier van de verweerder heeft deze als beklaagde behalve op strafgebied met betrekking tot de beslissing over de schuld en de straf weliswaar ook hoger beroep aangetekend tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering, waarbij hij met betrekking tot die laatste grief in zijn grievenschrift evenwel heeft gespecificeerd dat hij het hoger beroep van de burgerlijke partij volgt; hieruit blijkt dat de verweerder op burgerrechtelijk vlak uitsluitend hoger beroep heeft aangetekend tegen de beslissing over de burgerlijkepartijstelling van de bv E., die eerder inderdaad hoger beroep had aangetekend, maar niet tegen de beslissing over de burgerlijkepartijstelling van de eiser, die geen hoger beroep heeft aangetekend; de eiser was dan ook geen partij in hoger beroep, ook al werd hij voor het appelgerecht gehoord in zijn standpunt; de eiser werd overigens ook niet vermeld in de eerste appelconclusie van de eiser maar slechts in diens appelsyntheseconclusie. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, voorheen de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat het op basis van verweerders grievenformulier duidelijk is dat de verweerder behalve de hervorming van het beroepen vonnis met betrekking tot de beslissingen over zijn schuld en de bestraffing ook de hervorming nastreeft van de beslissingen met betrekking tot de burgerlijke rechtsvorderingen en het hof van beroep derhalve saisine heeft om te oordelen over het geheel van de zaak, miskennen de appelrechters de bewijskracht van verweerders grievenformulier en verantwoorden zij hun beslissing niet naar recht; in verweerders grievenformulier werd met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering uitdrukkelijk verwezen naar het hoger beroep van één burgerlijke partij, zijnde de bv E. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest antwoordt niet op de appelsyntheseconclusie van de bv E., waarin deze had aangevoerd dat de verweerder geen hoger beroep heeft aangetekend tegen de beslissing over de aan de eiser als burgerlijke partij toegekende schadevergoeding, aangezien de verweerder als beklaagde, blijkens zijn grievenformulier, op burgerrechtelijk vlak een volgberoep heeft aangetekend, wat slechts betrekking kan hebben op de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de bv E., die immers als enige burgerlijke partij hoger beroep heeft aangetekend, en niet op de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de eiser, die heeft berust in het vonnis en niet eens werd vermeld in de eerste appelconclusie van de verweerder; door niet op die conclusie te antwoorden, is het arrest niet regelmatig met redenen omkleed.
- Het middel specificeert niet waarom het arrest artikel 6 EVRM schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
- De artikelen 28 en 1068 Gerechtelijk Wetboek zijn niet van toepassing in strafzaken. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. De appellant kan, maar moet niet de reden van zijn grief opgeven.
- Het staat aan het appelgerecht om op basis van de inhoud van de verklaring van hoger beroep en vervolgens de overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering geformuleerde grieven de draagwijdte van het hoger beroep en dus de saisine van het appelgerecht te bepalen. Hierbij kan het appelgerecht rekening houden met de door de appellant op het grievenformulier vermelde specificering die de grief beperkt tot een welbepaalde beslissing binnen de aangekruiste rubriek, ook al is de opgave van redenen niet verplicht.
- Wanneer de appellant op zijn grievenformulier niet alleen het beslissingsonderdeel van de beroepen beslissing aanduidt waartegen hij opkomt maar hierbij ook de reden vermeldt waarom hij die grief aanvoert, oordeelt het appelgerecht onaantastbaar wat de draagwijdte is van die vermelding. Uit de loutere omstandigheid dat de appellant hierbij een onduidelijke, impertinente of zelfs onjuiste reden vermeldt, kan evenwel niet worden afgeleid dat er sprake is van een onnauwkeurige grief, noch dat de grief hierdoor wordt beperkt.
- Het Hof gaat na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt het volgende: - de verweerder werd als beklaagde in het beroepen vonnis van 8 oktober 2021 veroordeeld op strafgebied en op burgerrechtelijk gebied tot het betalen van een schadevergoeding aan de eiser, wiens burgerlijke rechtsvordering gedeeltelijk gegrond werd verklaard, terwijl de burgerlijke rechtsvordering van de bv E. tegen de verweerder ontvankelijk maar ongegrond werd verklaard; - de burgerlijke partij bv E. tekende op 27 oktober 2021 hoger beroep aan tegen het beroepen vonnis en legde op diezelfde datum een grievenschrift neer waarin zij een grief formuleerde met betrekking tot de onterechte afwijzing van haar burgerlijke rechtsvordering; - de verweerder stelde op 5 november 2021 hoger beroep in tegen het beroepen vonnis en legde op diezelfde datum een model-grievenformulier neer waarin de rubrieken “Schuld”, “Straf en of maatregel” en “Burgerlijke rechtsvordering” werden aangekruist en nader werden toegelicht, waarbij onder de rubriek “Burgerlijke rechtsvordering” na de vermelding “Reden(en)” de volgende vermelding werd aangebracht : “Vanwege hoger beroep Burgerlijke Partij”; - het openbaar ministerie tekende op 8 november 2021 hoger beroep aan tegen de verweerder, waarbij in het op die datum neergelegde grievenschrift werd vermeld dat er een volgberoep werd ingesteld wat de uitgesproken straffen betreft; - de eiser heeft geen hoger beroep ingesteld; - het arrest verklaart de enige telastlegging niet bewezen, ontslaat de verweerder van rechtsvervolging en verklaart zich onbevoegd om te oordelen over de burgerlijke rechtsvorderingen van de eiser en van de bv E.
- Het arrest oordeelt niet dat de verweerder met betrekking tot de burgerlijke rechtsvordering louter een volgberoep heeft ingesteld of in zijn grievenschrift heeft vermeld dat hij het hoger beroep van de burgerlijke partij volgt, terwijl dat laatste ook niet in het grievenschrift van de verweerder wordt vermeld. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Na de weergave van de inhoud van het grievenschrift van de verweerder, oordeelt het arrest (p. 5-6, nrs. 1.3 en 1.5) als volgt: - “ten onrechte houdt de burgerlijke partij [E.] bv voor dat het hoger beroep van de [verweerder] onontvankelijk is omdat de grieven niet nauwkeurig zouden zijn bepaald; - De verplichting tot vermelding van de grieven is niet bedoeld om de appellant te verplichten de middelen die hij voornemens is te ontwikkelen voor de beroepsrechter te specifiëren, maar om diens saisine te bepalen; - Een grief als bedoeld in artikel 204 Sv. is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt. Niet vereist is dat de appellant in zijn verzoekschrift of zijn grievenformulier reeds opgave doet van de redenen waarom hij die hervorming vraagt; - Op basis van het grievenformulier van de [verweerder] is het voor het hof (van beroep) duidelijk dat hij de hervorming nastreeft van de beslissingen van de eerste rechter met betrekking tot zijn schuld aan de feiten voorwerp van de enige tenlastelegging, met betrekking tot de bestraffing en met betrekking tot de burgerlijke rechtsvorderingen; - Het hoger beroep van de [verweerder] is tijdig en regelmatig; - Het hof (van beroep) beslist in het voorliggend arrest binnen de perken van de grieven zoals bedoeld in artikel 210 van het Wetboek van Strafvordering (zoals aangevuld bij artikel 94 van de wet van 5 februari 2016); - Ingevolge de voormelde hoger beroepen is het hof (van beroep) gevat om te oordelen over het geheel van de zaak.” Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het in het middel bedoelde verweer en verantwoordt het naar recht, zonder miskenning van de bewijskracht van het grievenschrift van de verweerder, de beslissing dat het hoger beroep van de verweerder ook betrekking heeft op de beslissing betreffende de burgerlijke rechtsvordering van de eiser tegen de verweerder. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,41 euro, waarvan 42,41 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.38 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231011.2F.14 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191016.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.23 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240305.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div