id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.41 Rolnummer: P.23.0898.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 876 - laatst gezien 2026-06-19 04:49 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 De omstandigheid dat de feiten waarop een Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft gelijkaardig zijn aan andere feiten waarvoor de betrokkene in België wordt vervolgd en die binnen dezelfde misdrijfperiode worden gesitueerd, heeft niet tot gevolg dat er ernstige redenen zijn om te vrezen dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zal doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon zoals bedoeld in artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 2 - 3 Uit artikel 6.5°, eerste streepje, Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt dat de onderzoeksgerechten onaantastbaar oordelen over de weigering van de tenuitvoerlegging ingeval het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op strafbare feiten die geheel of gedeeltelijk gepleegd zijn op het Belgische grondgebied of op een plaats die met dat grondgebied wordt gelijkgesteld; het onderzoeksgerecht kan de beslissing om geen toepassing te maken van deze facultatieve weigeringsgrond steunen op het oordeel dat de in het aanhoudingsbevel bedoelde materiële feiten in de uitvaardigende staat of elders in het buitenland werden gepleegd, ook al zou de betrokkene hieraan geheel of gedeeltelijk vanuit de uitvoerende staat hebben deelgenomen. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 4 - 6 Wanneer een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een Europees Aanhoudingsbevel wordt bevolen het voorwerp uitmaakt van een strafvervolging in België, kan het openbaar ministerie bij toepassing van artikel 24, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel de overlevering van de betrokken persoon uitstellen opdat hij in België zou kunnen worden vervolgd; de beslissing om de overlevering uit te stellen berust bij het openbaar ministerie en niet bij het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van het Europees Aanhoudingsbevel. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 7 - 8 Het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel heeft niet te oordelen over de wettigheid en regelmatigheid van de aan de basis van dat bevel liggende rechterlijke beslissing van de uitvaardigende lidstaat, maar enkel over de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de bepalingen van de Wet Europees Aanhoudingsbevel. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL ONDERZOEKSGERECHTEN Fiches 9 - 11 De omstandigheid dat het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen een persoon die in België het voorwerp uitmaakt van een strafonderzoek, niet de beschikking heeft over de stukken van het Belgische strafonderzoek noch van de stukken van het buitenlandse strafonderzoek waarop dat aanhoudingsbevel is gebaseerd, belet dit onderzoeksgerecht niet om naar recht te oordelen over de verplichte weigeringsgrond van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel en over de facultatieve weigeringsgronden van artikel 6.1° en 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel; de beoordeling van de verplichte weigeringsgrond van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel en de in artikel 6.1° en 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde facultatieve weigeringsgronden, vereist derhalve niet, mede gelet op het beginsel van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, dat het onderzoeksgerecht de beschikking heeft over de stukken van het strafonderzoek in de uitvoerende staat, noch van de stukken van het strafonderzoek waarop het Europees aanhoudingsbevel is gebaseerd, zonder dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de grondrechten van de betrokkene. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 1° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 1° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiche 12 Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten en deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel; de rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene afdoende zijn om het voormelde vermoeden te weerleggen. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 13 - 15 De beslissing om bij toepassing van artikel 23, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel in uitzonderlijke omstandigheden de overlevering tijdelijk op te schorten wegens ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld wanneer gegronde redenen bestaan om te denken dat zij het leven of de gezondheid van de betrokken persoon kennelijk in gevaar zou brengen, komt louter het openbaar ministerie toe en niet het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van het Europees Aanhoudingsbevel. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 23, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 23, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 23, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0898.N L. C. A., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 VEU, de artikelen 1, 4, 6, 19.2, 48, 50 en 52 Handvest Grondrechten Europese Unie en de artikelen 4.5°, 6.1° en 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest niet naar recht oordeelt dat er geen ernstige redenen bestaan om te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 VEU; de eiser wordt blijkens het Europees aanhoudingsbevel sedert september 2020 reeds vervolgd in België voor minstens samenlopende feiten, zodat de uitlevering een onevenredige aantasting uitmaakt van het recht op een fair procesverloop en het recht van verdediging; door de uitlevering zal de eiser zijn verdediging in België niet meer persoonlijk kunnen waarnemen, waardoor zijn recht op persoonlijke aanwezigheid in de Belgische procedure en ook zijn andere fundamentele rechten niet meer zijn verzekerd en hieraan op een onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan, met name met betrekking tot de wapengelijkheid en het recht op de behandeling binnen een redelijke termijn; de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel zal in de toekomst onvermijdelijk leiden tot een formele “non bis in idem – botsing”, waaraan niet mag worden meegewerkt, en tot een onevenredige aantasting van het recht van verdediging ingevolge een dubbele procedure in twee landen; de cumulatie van een vervolging in België en in Italië tast de menselijke waardigheid aan, leidt tot sociale isolatie en tot aanzienlijk fysiek en psychisch lijden; de appelrechters hebben eisers verweer in dat verband ook niet onderzocht of beoordeeld; overbodige gelijklopende procedures moeten op grond van het Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures, zoveel mogelijk worden vermeden.
- Het arrest toetst de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wel degelijk aan de in het onderdeel bedoelde grondrechten. Het oordeelt evenwel dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel geen afbreuk doet aan de fundamentele rechten van de eiser zoals bedoeld in artikel 6 VEU, dat er geen beletsel is zoals bedoeld in de artikelen 4 en 6 Wet Europees Aanhoudingsbevel en dat er geen schending voorligt van artikel 48 Handvest Grondrechten Europese Unie noch van enige andere nationale of supranationale normgeving. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Het arrest oordeelt niet dat het door de Italiaanse gerechtelijke overheid tegen de eiser uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op een parallelle strafprocedure of op dezelfde feiten als deze waarvoor de eiser in België wordt vervolgd. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag.
- De omstandigheid dat de feiten waarop een Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft gelijkaardig zijn aan andere feiten waarvoor de betrokkene in België wordt vervolgd en die binnen dezelfde misdrijfperiode worden gesitueerd, heeft niet tot gevolg dat er ernstige redenen zijn om te vrezen dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zal doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon zoals bedoeld in artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige gaat het onderdeel uit van veronderstellingen over een eventuele miskenning van eisers rechten bij de verdere behandeling van de tegen hem in België gevoerde strafprocedure en van de tegen hem in Italië te voeren strafvervolging, welke veronderstellingen geen verband houden met het arrest. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest niet naar recht oordeelt dat er geen toepassing moet worden gemaakt van artikel 6.1° en 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel; de eiser heeft de feiten in België gepleegd, zodat artikel 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel “prima facie” van toepassing is; het arrest gaat er op een simplistische en onjuiste wijze van uit dat de in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feiten betrekking hebben op de invoer van cocaïne via de haven van G. T. in Italië en dat de feiten die het voorwerp uitmaken van het Belgische strafonderzoek betrekking hebben op de invoer van cocaïne via de haven van Antwerpen; een opdeling per haven van bestemming of van invoer is volstrekt kunstmatig en geeft automatisch aanleiding tot een dubbele vervolging; uit de analyse van de sky-conversaties blijkt dat de haven van G. T. niet alleen als eindbestemming maar ook als transitbestemming fungeerde; de basismisdrijven in het Belgische en het Italiaanse dossier zijn gelijk, minstens gelijklopend, hebben betrekking op dezelfde kwalificaties en locaties, zijn ook temporeel grotendeels overlappend en geven blijk van dezelfde modus operandi, waarbij er steeds vanuit België werd geopereerd; de eiser kan niet tweemaal voor hetzelfde feit worden vervolgd of berecht; het volstaat bovendien niet om te oordelen dat het niet om identieke feiten gaat, wat immers louter wordt beoogd in artikel 6.1° en niet in artikel 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel.
- Uit het arrest en uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser in België wordt vervolgd wegens het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat het arrest artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel had dienen toe te passen, komt het op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.
- Uit artikel 6.5°, eerste streepje, Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt dat de onderzoeksgerechten onaantastbaar oordelen over de weigering van de tenuitvoerlegging ingeval het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft op strafbare feiten die geheel of gedeeltelijk gepleegd zijn op het Belgische grondgebied of op een plaats die met dat grondgebied wordt gelijkgesteld. Het onderzoeksgerecht kan de beslissing om geen toepassing te maken van deze facultatieve weigeringsgrond steunen op het oordeel dat de in het aanhoudingsbevel bedoelde materiële feiten in de uitvaardigende staat of elders in het buitenland werden gepleegd, ook al zou de betrokkene hieraan geheel of gedeeltelijk vanuit de uitvoerende staat hebben deelgenomen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Na te hebben benadrukt dat uit het beginsel van de wederzijdse erkenning tussen de lidstaten moet worden afgeleid dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel de regel is en de weigering ervan de uitzondering, oordeelt het arrest dat de in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feiten in wezen betrekking hebben op de invoer van cocaïne via de haven van G. T. in Italië, terwijl de feiten die het voorwerp uitmaken van het Belgische strafonderzoek in essentie betrekking hebben op de invoer van cocaïne via de haven van Antwerpen. Met die redenen geeft het arrest op een naar recht verantwoorde wijze te kennen dat de in artikel 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde facultatieve weigeringsgrond niet wordt toegepast. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte weigert om in te gaan op zijn verzoek om de overlevering op te schorten bij toepassing van artikel 24, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel en dit verzoek ook niet inhoudelijk beoordeelt, hoewel die beoordeling toekomt aan een rechterlijke instantie.
- Wanneer een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een Europees Aanhoudingsbevel wordt bevolen het voorwerp uitmaakt van een strafvervolging in België, kan het openbaar ministerie bij toepassing van artikel 24, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel de overlevering van de betrokken persoon uitstellen opdat hij in België zou kunnen worden vervolgd. De beslissing om de overlevering uit te stellen berust bij het openbaar ministerie en niet bij het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van het Europees Aanhoudingsbevel. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.1 en 5.4 EVRM, de artikelen 56 en 296, tweede lid, VWEU, de artikelen 6, 41, 47, 48, 50 en 52 Handvest Grondrechten Europese Unie, artikel 7.1 Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures en de artikelen 4.5°, 6.1° en 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van “de motiveringsplicht van rechterlijke beslissingen en van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering van gerechtelijke uitspraken dat uit de ingeroepen rechtsnormen voortvloeit”: met het oordeel dat uit de beknoptheid van de inlichtingen in het Europees Aanhoudingsbevel geen miskenning van de informatieverplichting kan worden afgeleid, verantwoordt het arrest de beslissing tot tenuitvoerlegging van het Italiaanse Europees Aanhoudingsbevel van 28 maart 2023 niet naar recht en is die beslissing niet regelmatig gemotiveerd; het arrest antwoordt niet op eisers verweer dat het voor de beoordeling van het Europees Aanhoudingsbevel noodzakelijk is om kennis en inzage te hebben van zowel het Italiaanse strafdossier als van de gegevens van het Belgische strafdossier waarin de eiser is betrokken; de eiser had slechts een zeer onvolledige toegang tot het dossier en kon niet nagaan of aan het Europees Aanhoudingsbevel wel een regelmatig Italiaanse aanhoudingsbevel is voorafgegaan; door de onvolledigheid van het dossier kon het arrest, dat steunt op algemene en stereotiepe formuleringen, ook niet de weigeringsgrond van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel toetsen, noch de facultatieve weigeringsgronden van artikel 6.1° en 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel; hierdoor werden eisers grondrechten, gewaarborgd door het Handvest Grondrechten Europese Unie, niet gerespecteerd; het arrest oordeelt bovendien niet naar recht dat voor de toepassing van de voormelde facultatieve weigeringsgronden van artikel 6.1° en 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel vereist is dat het om identieke feiten moet gaan.
- De artikelen 56 en 296, tweede lid, VWEU zijn vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre het schending van die bepalingen aanvoert, faalt het middel naar recht.
- Het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel heeft niet te oordelen over de wettigheid en regelmatigheid van de aan de basis van dat bevel liggende rechterlijke beslissing van de uitvaardigende lidstaat, maar enkel over de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de bepalingen van de Wet Europees Aanhoudingsbevel.
- De omstandigheid dat het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen een persoon die in België het voorwerp uitmaakt van een strafonderzoek, niet de beschikking heeft over de stukken van het Belgische strafonderzoek noch van de stukken van het buitenlandse strafonderzoek waarop dat aanhoudingsbevel is gebaseerd, belet dit onderzoeksgerecht niet om naar recht te oordelen over de verplichte weigeringsgrond van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel en over de facultatieve weigeringsgronden van artikel 6.1° en 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel. De in het middel aangehaalde grondrechten laten niet toe anders te oordelen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het arrest bevat, oordelen de appelrechters dat het tegen de eiser uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel voldoet aan de voorwaarden van de Wet Europees Aanhoudingsbevel en dat er geen redenen zijn om de in de wet omschreven verplichte of facultatieve weigeringsgronden toe te passen. Met die redenen, die geen algemene of stereotiepe formuleringen inhouden, verwerpt en beantwoordt het arrest het in het middel bedoelde verweer en verantwoordt het naar recht de beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel aanvoert dat het arrest op grond van het oordeel dat de in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feiten geen identieke feiten zijn als deze waarvoor de eiser in België wordt vervolgd, niet naar recht de in artikel 6.1° en 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde weigeringsgronden kon uitsluiten, moet het om de in het antwoord op het tweede onderdeel van het derde middel vermelde redenen worden verworpen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 267 VWEU, de artikelen 6, 47, 48, 50 en 52 Handvest Grondrechten Europese Unie en de artikelen 4.5°, 6.1° en 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de proportionaliteit en van “de motiveringsplicht van gerechtelijke uitspraken die uit de ingeroepen rechtsnormen voortvloeit”: met het oordeel dat, gelet op de spoedeisendheid van de zaak en de omstandigheid dat de eiser zich in een hechtenistoestand bevindt, de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie niet moet worden gesteld, verantwoordt het arrest de weigering tot het stellen van die prejudiciële vraag niet naar recht; die vraag was wel degelijk pertinent voor de beoordeling van het Europees Aanhoudingsbevel in het licht van eisers grondrechten, rekening houdend met de omstandigheid dat het Belgische strafdossier niet en het Italiaanse strafdossier slechts onvolledig werd meegedeeld; door de prejudiciële vraag niet te stellen, werden eisers recht van verdediging en het recht op een tegensprekelijk debat miskend; de spoedeisendheid van de zaak en eisers hechtenistoestand zijn geen wettige redenen om te weigeren de prejudiciële vraag te stellen, aangezien hiervoor ook een spoedprocedure kan worden gevoerd; gelet op het belang van de vrijheid van de persoon en de toestand van vrijheidsberoving waarin de eiser zich bevindt, miskent het arrest door die weigering ook het evenredigheidsbeginsel; aan het Hof van Justitie van de Europese Unie dient in dit verband de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld : “Verzetten de vereisten van de rechtsstaat, die kennelijk aan art. 16 van het Handvest Grondrechten EU ten grondslag liggen en of het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een eerlijk proces en een doeltreffende voorziening in rechte en of art. 48 en art. 52 van de in het Handvest neergelegde plicht de rechten van verdediging te respecteren en het in art. 50 Handvest neergelegde verbod van dubbele vervolging en bestraffing en het in art. 56 VWEU neergelegde transparantievereiste, er zich tegen om, bij de behandeling van de uitvoering van het EAB, de artt. 3, 4 en 5 van het Kaderbesluit, van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ), art. 4.5°, EAB Wet, de art. 6.1° wet-EAB en art. 6.5° wet-EAB, die het Kaderbesluit uitvoeren, waar ze enerzijds de vereiste van de ernstige redenen van gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokken persoon bij de overlevering vermelden en anderzijds waar ze de vereiste van “dezelfde feiten” vooropstellen, zo worden toegepast en geïnterpreteerd dat de uitvoering van het EAB, niet vereist, kennis te nemen van de feiten zelf waarop het EAB van het uitvaardigende land steunt en tevens van de feiten aangevoerd in een strafvordering, reeds in uitvoering, in het aangezochte land tegen dezelfde persoon als beoog[d] door het EAB, die inroept dat hij reeds wordt vervolgd in het aangezochte. En in het uitvoerende land door een gerechtelijke autoriteit voor dezelfde feiten reeds werd vervolgd en derhalve aan een tweede vervolging voor dezelfde feiten wordt onderworpen, zoals bedoeld in art. 54 e.v. van de Schengenovereenkomst ?”
- Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, waarvan de Wet Europees Aanhoudingsbevel de omzetting naar Belgisch recht uitmaakt, blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Dit beginsel van wederzijds vertrouwen dient in het bijzonder in acht te worden genomen bij de beoordeling van de gronden om de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren.
- Uit het antwoord op het eerste middel volgt, mede gelet op het voormelde beginsel van het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten, dat de beoordeling van in de artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde verplichte weigeringsgrond en de in artikel 6.1° en 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde facultatieve weigeringsgronden, niet vereist dat het onderzoeksgerecht de beschikking heeft over de stukken van het strafonderzoek in de uitvoerende staat, noch van de stukken van het strafonderzoek waarop het Europees aanhoudingsbevel is gebaseerd, zonder dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de grondrechten van de betrokkene.
- Aangezien er geen redelijke twijfel bestaat over de juiste uitlegging van de in de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag vermelde bepalingen, wordt die prejudiciële vraag niet gesteld.
- Voor het overige kan het middel, in zoverre het opkomt tegen de weigering tot het stellen van de voormelde prejudiciële vraag, niet tot cassatie leiden en is het, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM, de artikelen 3, 4, 6 en 35 Handvest Grondrechten Europese Unie en artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van de motiveringsplicht: met het oordeel dat de eiser geen melding maakt van concrete of persoonlijke gegevens over de detentieomstandigheden in de Italiaanse gevangenissen, is de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling om geen toepassing te maken van de verplichte weigeringsgrond om in te gaan op het verzoek tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel omdat er ernstige redenen bestaan om te denken dat die tenuitvoerlegging afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, niet naar recht verantwoord; het arrest miskent de tweestappen-beoordeling door niet eerst na te gaan of er sprake is van onaanvaardbare detentieomstandigheden in Italië en vervolgens of de eiser het risico loopt daaraan te zullen worden onderworpen; de eiser loopt een reëel risico om in Italië te worden onderworpen aan het verstrengde detentieregime dat van toepassing is op personen die worden verdacht van betrokkenheid in het maffiamilieu, “carcere duro” of “41bis-regime” genoemd, waarbij gedetineerden in volledig isolement worden gehouden met slechts een mogelijkheid tot beperkt familiebezoek; het arrest weigert ten onrechte om de detentieomstandigheden na te gaan van de inrichting waarin de eiser naar alle waarschijnlijkheid zal worden opgesloten, mede gelet op de verwijzingen in het Italiaanse moederdossier naar de Zuid-Italiaanse maffiaorganisatie Ndrangheta.
- Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene afdoende zijn om het voormelde vermoeden te weerleggen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is of opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten tegen het arrest, is het niet ontvankelijk. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van de artikel 3 EVRM, de artikelen 3, 4, 6, 35, 47 en 48 Handvest Grondrechten Europese Unie en artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van “de motiveringsplicht eigen aan een gerechtelijk oordeel en aan de ingeroepen wetsbepalingen”: de weigering van de appelrechters om in te gaan op eisers verzoek om de overlevering wegens ernstige gezondheidsproblemen op te schorten bij toepassing van artikel 23, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel, is niet naar recht verantwoord; de eiser is een hartpatiënt en heeft een ernstig verhoogd risico op plots overlijden; het arrest weigert dit verzoek te beoordelen, hoewel die beoordeling toekomt aan een rechterlijke instantie.
- Artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel is vreemd aan de in het middel aangevoerde kritiek. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- De beslissing om bij toepassing van artikel 23, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel in uitzonderlijke omstandigheden de overlevering tijdelijk op te schorten wegens ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld wanneer gegronde redenen bestaan om te denken dat zij het leven of de gezondheid van de betrokken persoon kennelijk in gevaar zou brengen, komt louter het openbaar ministerie toe en niet het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van het Europees Aanhoudingsbevel.
- Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.41 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251021.2N.26 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div