id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.42 Rolnummer: P.23.0899.N Zaak: O. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Unierecht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 725 - laatst gezien 2026-06-15 08:36 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel heeft niet te oordelen over de wettigheid en regelmatigheid van de aan de basis van dat bevel liggende rechterlijke beslissing van de uitvaardigende lidstaat, noch over de regelmatigheid van het strafonderzoek dat in de uitvaardigende lidstaat werd gevoerd, maar enkel over de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de bepalingen van de Wet Europees Aanhoudingsbevel. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL ONDERZOEKSGERECHTEN Fiches 3 - 7 De omstandigheid dat het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen een persoon die in België het voorwerp uitmaakt van een strafonderzoek, niet de beschikking heeft over de stukken van het buitenlandse strafonderzoek waarop dat aanhoudingsbevel is gebaseerd, belet dit onderzoeksgerecht niet om te oordelen over de weigeringsgronden zoals bedoeld in de artikelen 4 tot 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel en artikel 6 EVRM en artikel 48 Handvest Grondrechten Europese Unie laten niet toe anders te oordelen; de beoordeling van de in de Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde weigeringsgronden vereist derhalve niet, mede gelet op het beginsel van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, dat het onderzoeksgerecht de beschikking heeft over de stukken van het strafonderzoek waarop het Europees aanhoudingsbevel is gebaseerd, noch over de in dit onderzoek reeds gewezen beslissingen, zonder dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de grondrechten van de betrokkene en het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, kan een verzoek tot het voegen van bijkomende informatie in dit verband dan ook verwerpen door te oordelen dat die informatie niet ter zake dienend is. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 7 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 48 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 7 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 48 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 7 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 48 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 7 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 48 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 5 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 7 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 48 Fiches 8 - 9 De in artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde vrees voor de aantasting van de fundamentele rechten van de betrokkene heeft betrekking op diens rechten in de uitvaardigende lidstaat en niet op zijn fundamentele rechten in een tegen hem in België gevoerde strafvervolging; het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen een persoon die ook in België het voorwerp uitmaakt van een strafvervolging, dient dan ook niet nader te antwoorden op een op artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel gesteund verweer dat louter betrekking heeft op een vrees voor de aantasting van de fundamentele rechten van de betrokkene in een Belgische strafvervolging. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiche 10 Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten en deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel; de rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene afdoende zijn om het voormelde vermoeden te weerleggen. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 11 - 12 Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of het zich op basis van de informatie die het dossier bevat en die door de partijen wordt overgelegd voldoende voorgelicht acht om zich uit te spreken over het toepassen van de weigeringsgrond van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel; uit het loutere feit dat de betrokkene melding maakt van een miskenning van de grondrechten omwille van de detentieomstandigheden in gevangenissen van de uitvaardigende staat, volgt niet dat het onderzoeksgerecht steeds verplicht is daarover nadere informatie in te winnen; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.5 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4.5 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 13 - 15 De mogelijkheid voorzien in artikel 24, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel om, in plaats van de overlevering uit te stellen, de betrokkene duidelijk aan de uitvaardigende Staat over te leveren onder voorwaarden die in overleg met de bevoegde autoriteit van die Staat worden vastgesteld, komt louter toe aan het openbaar ministerie na de definitieve beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel en kan niet worden beoordeeld tijdens de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel; het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, dient dan ook niet te antwoorden op het verzoek dat een betrokkene in dit verband formuleert tijdens de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24, § 2 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24, § 2 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24, § 2 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 16 - 17 Wanneer is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel, oordeelt het onderzoeksgerecht onaantastbaar of de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel al dan niet moet worden geweigerd. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 6, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 18 - 20 De beslissing om bij toepassing van artikel 24, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel de overlevering uit te stellen berust bij het openbaar ministerie en niet bij het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van het Europees Aanhoudingsbevel. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24, § 1 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0899.N I–II D. O., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
- Volgens artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan niemand een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet dit voorziet.
- De eiser heeft op 16 juni 2023 zelf cassatieberoep ingesteld door het afleggen van een verklaring tegenover de afgevaardigde van de gevangenisdirecteur (cassatieberoep I). De raadsman van de eiser heeft vervolgens op 19 juni 2023 cassatieberoep ingesteld door het afleggen van een verklaring ter griffie van het appelgerecht (cassatieberoep II).
- Met toepassing van artikel 419 Wetboek van Strafvordering is het cassatieberoep II niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert onder meer schending aan van artikel 47 Handvest Grondrechten Europese Unie, maar specificeert in geen enkel van zijn onderdelen waarom het arrest die bepaling schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 48 Handvest Grondrechten Europese Unie: met het oordeel dat bijkomende informatie over de Italiaanse wetgeving en over het Italiaanse strafdossier dat aan de basis ligt van het Europees aanhoudingsbevel, niet ter zake dienend is, is de verwerping van eisers verzoek tot het opvragen van bijkomende informatie in dit verband niet naar recht verantwoord; hierdoor miskennen de appelrechters immers eisers recht van verdediging en zijn recht op tegenspraak, aangezien die informatie van belang is voor de beoordeling van de regelmatigheid van het bewijs en van de weigeringsgronden om de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel te beoordelen; door te oordelen dat artikel 6 EVRM niet van toepassing is, oordeelt het arrest dat ook artikel 48 Handvest Grondrechten Europese Unie niet van toepassing is, aangezien die bepaling moet worden uitgelegd overeenkomstig artikel 6 EVRM. In ondergeschikte orde dient aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in dit verband de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld: “Dient het Kaderbesluit van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ) en in het bijzonder de artikelen 3, 4 en 5 van dit Kaderbesluit, in samenhang gelezen met de artikelen 48 en 52 van het Handvest, zo te worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de toepassing van artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de EU uitgelegd in overeenstemming met 6 EVRM?”
- Het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel heeft niet te oordelen over de wettigheid en regelmatigheid van de aan de basis van dat bevel liggende rechterlijke beslissing van de uitvaardigende lidstaat, noch over de regelmatigheid van het strafonderzoek dat in de uitvaardigende lidstaat werd gevoerd, maar enkel over de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de bepalingen van de Wet Europees Aanhoudingsbevel.
- De omstandigheid dat het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen een persoon die in België het voorwerp uitmaakt van een strafonderzoek, niet de beschikking heeft over de stukken van het buitenlandse strafonderzoek waarop dat aanhoudingsbevel is gebaseerd, belet dit onderzoeksgerecht niet om te oordelen over de weigeringsgronden zoals bedoeld in de artikelen 4 tot 7 Wet Europees Aanhoudingsbevel. Artikel 6 EVRM en artikel 48 Handvest Grondrechten Europese Unie laten niet toe anders te oordelen.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt niet dat artikel 48 Handvest Grondrechten Europese Unie niet van toepassing is, maar dat er geen schending voorligt van die bepaling. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- De voorgestelde prejudiciële vraag die berust op deze onjuiste lezing, wordt niet gesteld. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.1.c en 5.2 EVRM, artikel 48 Handvest Grondrechten Europese Unie en artikel 7.1 Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting van de rechter: door eisers verzoek om bijkomende informatie te laten voegen over de Italiaanse wetgeving en over het Italiaanse strafdossier dat aan de basis ligt van het Europees aanhoudingsbevel, te verwerpen op grond van de loutere reden dat dit niet ter zake dienend is, miskennen de appelrechters de motiveringsverplichting; de eiser verwees naar de noodzaak van deze bijkomende informatie om zijn recht op tegenspraak en zijn recht van verdediging te vrijwaren, in het bijzonder met het oog op de beoordeling van de weigeringsgronden. In ondergeschikte orde dient aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in dit verband de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld: “Dient het Kaderbesluit van 13 juni 2002 (2002/584/JBZ) en in het bijzonder de artikelen 3, 4 en 5 van dit Kaderbesluit, in samenhang gelezen met de artikelen 48 en 52 van het Handvest, zo te worden geïnterpreteerd en uitgelegd dat de betrokkene ten aanzien van wie een Europees aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd geen bijkomende informatie kan verkrijgen van de nationale procedure in de uitvaardigende Lidstaat teneinde tegenspraak te kunnen voeren in het kader van de procedure aangaande de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel?”
- Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel, waarvan de Wet Europees Aanhoudingsbevel de omzetting naar Belgisch recht uitmaakt, blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Dit beginsel van wederzijds vertrouwen dient in het bijzonder in acht te worden genomen bij de beoordeling van de gronden om de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren.
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt, mede gelet op het voormelde beginsel van het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten, dat de beoordeling van de in de Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde weigeringsgronden niet vereist dat het onderzoeksgerecht de beschikking heeft over de stukken van het strafonderzoek waarop het Europees aanhoudingsbevel is gebaseerd, noch over de in dit onderzoek reeds gewezen beslissingen, zonder dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de grondrechten van de betrokkene. Het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, kan een verzoek tot het voegen van bijkomende informatie in dit verband dan ook verwerpen door te oordelen dat die informatie niet ter zake dienend is.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt als volgt : “ - In hoofdorde verzoekt [de eiser] het openbaar ministerie uit te nodigen om bijkomende informatie bij te brengen inzake de Italiaanse wetgeving met betrekking tot de saisine van de rechter van het onderzoek en de onafhankelijkheid/partijdigheid van de rechter, de uitgevoerde onderzoeksdaden die aanleiding gaven tot het uitvaardigen van het Europees aanhoudingsmandaat, alle Italiaanse stukken die aan het EAB ten grondslag liggen en waarop de motivering gesteund ís. - Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de Belgische procedure van tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. De beweerde onvolledigheid van het Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot de Italiaanse wetgeving aangaande de saisine van de rechter van het onderzoek, de uitgevoerde onderzoeksdaden, dan wel de afwezigheid van de relevante stukken van het Italiaanse onderzoekdossier is niet ter zake dienend. Het Europees aanhoudingsbevel werd ten aanzien van [de eiser] afdoende gemotiveerd, Uit de beknoptheid van de inlichtingen die in het Europees aanhoudingsbevel staan vermeld kan geen schending van de informatieverplichting dan wel een schending van artikel 5.1.c en 5.2 EVRM worden afgeleid, Er zijn geen redenen voorhanden om het [Europees aanhoudingsbevel] ten aanzien van [de eiser] te weigeren op grond van een schending van de rechten van verdediging. De zaak is dus wel degelijk in staat. Er ligt geen schending van artikel 48 Handvest noch van enige andere nationale of supranationale normgeving voor.”
- Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer en verantwoordt het naar recht de beslissing tot het afwijzen van het verzoek om bijkomende informatie. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Aangezien er geen redelijke twijfel bestaat over de juiste uitlegging van de in de door de eiser voorgestelde prejudiciële vraag vermelde bepalingen, wordt die prejudiciële vraag niet gesteld. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 267 VWEU en artikel 23bis Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie: met het oordeel dat, gelet op de spoedeisendheid van de zaak en de omstandigheid dat de eiser zich in een hechtenistoestand bevindt, de door de eiser voorgestelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie niet moeten worden gesteld, verantwoordt het arrest de weigering tot het stellen van die prejudiciële vragen niet naar recht; de spoedeisendheid van de zaak en eisers hechtenistoestand zijn geen wettige redenen om te weigeren de prejudiciële vraag te stellen, aangezien hiervoor ook een spoedprocedure kan worden gevoerd.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, met name de door de eiser op de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 15 juni 2023 neergelegde conclusie, blijkt dat de eiser de appelrechters heeft verzocht dat er twee prejudiciële vragen zouden worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, namelijk de prejudiciële vragen die worden aangehaald in het eerste en het tweede onderdeel.
- Uit het antwoord op het eerste en het tweede onderdeel blijkt dat de voormelde prejudiciële vragen niet moeten worden gesteld omwille van de in dat antwoord vermelde redenen. Het onderdeel kan bijgevolg niet tot cassatie leiden en is derhalve, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede middel in zijn geheel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM , de artikelen 47 en 48 Handvest Grondrechten Europese Unie en artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel: met het oordeel dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de eiser zich niet persoonlijk zou kunnen verdedigen voor de Belgische gerechten, verantwoordt het arrest de beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel tegen de eiser niet naar recht; de eiser wordt ook vervolgd in een strafprocedure in België, waaromtrent er reeds een eindvordering werd opgesteld; er kon dan ook niet zonder meer worden geoordeeld dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de eiser niet persoonlijk zou kunnen verschijnen in zijn Belgische strafprocedure, wat een fundamenteel recht is. Het tweede onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: met het oordeel dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat de eiser zich niet persoonlijk zou kunnen verdedigen voor de Belgische gerechten indien nodig, antwoordt het arrest niet op eisers verweer dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel tot gevolg zal hebben dat hij niet persoonlijk aanwezig zal kunnen zijn op zijn proces in België; hierdoor miskent het arrest de motiveringsplicht.
- Artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 VEU.
- De in die bepaling bedoelde vrees voor de aantasting van de fundamentele rechten van de betrokkene heeft betrekking op diens rechten in de uitvaardigende lidstaat en niet op zijn fundamentele rechten in een tegen hem in België gevoerde strafvervolging. Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen een persoon die ook in België het voorwerp uitmaakt van een strafvervolging, dient dan ook niet nader te antwoorden op een op artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel gesteund verweer dat louter betrekking heeft op een vrees voor de aantasting van de fundamentele rechten van de betrokkene in een Belgische strafvervolging. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: met het oordeel dat de in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feiten strafbaar zijn met een vrijheidsbenemende straf of veiligheidsmaatregel met een maximale duur van ten minste twaalf maanden, is het oordeel van de appelrechters dat artikel 5, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel van toepassing is, niet naar recht verantwoord en niet regelmatig met redenen omkleed; de toepassing van die bepaling vereist immers dat de in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feiten met een maximale vrijheidsbenemende straf van minimaal drie jaar worden bestraft, wat het arrest niet vaststelt.
- De omstandigheid dat het Europees aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende Staat worden gestraft met een vrijheidsberovende straf of veiligheidsmaatregel met een maximale duur van ten minste twaalf maanden, wordt door het arrest louter vermeld bij de beoordeling van de in artikel 3 Wet Europees Aanhoudingsbevel omschreven algemene toepassingsvoorwaarde voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel. Het arrest vermeldt die omstandigheid niet als motivering van het oordeel dat artikel 5, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel van toepassing is. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, met name het Europees aanhoudingsbevel dat op 28 maart 2023 werd uitgevaardigd door de rechterlijke autoriteit van Italië, blijkt dat de feiten waarvoor om de overlevering van de eiser wordt verzocht, strafbaar worden gesteld met opsluiting van vierentwintig tot dertig jaar, verhoogd met een derde (telastlegging C) en met opsluiting van zes tot twintig jaar, verhoogd met de helft tot twee derde (telastlegging C23). Het oordeel van het arrest dat artikel 5, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel van toepassing is en de dubbele incriminatie niet moet worden nagegaan, is bijgevolg naar recht verantwoord en regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het oordeel dat de overlevering voor de in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feiten geen schending inhoudt van artikel 5, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel, is niet naar recht verantwoord en niet regelmatig met redenen omkleed; de eiser had in zijn conclusie voor de appelrechters aangevoerd dat de feiten in het Europees aanhoudingsbevel werden omschreven als het “hebben van een contact”, wat niet strafbaar is in België, zodat de overlevering diende te worden geweigerd; dit verweer wordt door de appelrechters niet beantwoord.
- Uit het antwoord op het tweede onderdeel volgt dat het arrest naar recht oor¬deelt dat artikel 5, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel van toepassing is. Het onderdeel, dat louter betrekking heeft op de toepassing van artikel 5, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel, is bijgevolg gericht tegen een overtollige reden en bij gebrek aan belang dienvolgens niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 24.2 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van 13 juni 2002 van de Raad betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel) en artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: met het oordeel dat de eiser geen melding maakt van concrete of persoonlijke gegevens over de detentieomstandigheden in de Italiaanse gevangenissen, is de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling om geen toepassing te maken van de verplichte weigeringsgrond om in te gaan op het verzoek tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel omdat er ernstige redenen bestaan om te denken dat die tenuitvoerlegging afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, niet naar recht verantwoord en niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest antwoordt niet op eisers conclusie, waarin hij op grond van mensenrechtenrapporten had gewezen op de toestand in de Italiaanse gevangenissen en waarin hij ook had gesteld dat er niets gekend is van de gevangenis waarin en het gevangenisregime waaronder hij zou moeten verblijven; de appelrechters beperken zich tot het overnemen van de redenen van de raadkamer in de beroepen beschikking en laten ook na om te antwoorden op eisers verzoek om hierover nadere informatie op te vragen of minstens bij toepassing van artikel 24.2 Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel aan de overlevering nadere voorwaarden te koppelen, zoals voorwaarden betreffende het detentieregime in een welbepaalde gevangenis en betreffende bepaalde detentieomstandigheden; het arrest laat zelfs na om over dat laatste aspect uitspraak te doen.
- Uit de overweging
(10)van de preambule van het Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel blijkt dat de regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. Deze hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten houdt een vermoeden in van eerbiediging door de uitvaardigende lidstaat van de fundamentele rechten bedoeld in artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de aangevoerde omstandige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene afdoende zijn om het voormelde vermoeden te weerleggen.
- Het onderzoeksgerecht oordeelt evenzeer onaantastbaar of het zich op basis van de informatie die het dossier bevat en die door de partijen wordt overgelegd voldoende voorgelicht acht om zich uit te spreken over het toepassen van de weigeringsgrond van artikel 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel. Uit het loutere feit dat de betrokkene melding maakt van een miskenning van de grondrechten omwille van de detentieomstandigheden in gevangenissen van de uitvaardigende staat, volgt niet dat het onderzoeksgerecht steeds verplicht is daarover nadere informatie in te winnen.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In het licht van de in het middel aangehaalde conclusie van de eiser konden de appelrechters naar recht oordelen dat de eiser geen melding maakt van concrete of persoonlijke gegevens over de detentieomstandigheden in de Italiaanse gevangenissen. Hierdoor verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het middel bedoelde verweer, zonder dat zij ertoe gehouden waren nadere informatie over de detentieomstandigheden in te winnen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Artikel 24, § 2, Wet Europees Aanhoudingsbevel, dat de omzetting inhoudt van artikel 24.2 Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel, laat het openbaar ministerie toe om, in plaats van de overlevering uit te stellen, de betrokken persoon tijdelijk aan de uitvaardigende Staat over te leveren onder voorwaarden die in overleg met de bevoegde autoriteit van die Staat worden vastgesteld.
- Die mogelijkheid komt louter toe aan het openbaar ministerie na de definitieve beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel en kan niet worden beoordeeld tijdens de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, dient dan ook niet te antwoorden op het verzoek dat een betrokkene in dit verband formuleert tijdens de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vijfde middel in zijn geheel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 47 en 48 Handvest Grondrechten Europese Unie en de artikelen 2, § 3, en 4.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel: het oordeel dat het vermoeden van onschuld niet is miskend door de wijze waarop de feiten in het Europees aanhoudingsbevel worden omschreven, is niet naar recht verantwoord; uit de bewoordingen waarin het aanhoudingsbevel is opgesteld, namelijk dat de eiser als deelnemer contacten heeft onderhouden met de vereniging en met een medebeklaagde, dat hij de invoer organiseerde en contacten onderhield met de leveranciers, blijkt dat het vermoeden van onschuld werd miskend; ingevolge deze miskenning van het vermoeden van onschuld van de eiser is er sprake van gewettigde verdenking dat de rechter die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd niet onafhankelijk en onpartijdig is; het arrest kon aldus niet oordelen dat dit aanhoudingsbevel werd uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit. Het tweede onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: de appelrechters antwoorden niet op eisers conclusie waarin hij had aangevoerd dat het Europees aanhoudingsbevel, gelet op de erin gebruikte bewoordingen en het gebrek aan terughoudendheid waarmee het werd opgesteld, niet werd uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit die voldoet aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid; door dit met redenen gestaafde verweer niet te beantwoorden, miskennen de appelrechters de motiveringsplicht.
- Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, heeft in beginsel niet te oordelen over de wettigheid en regelmatigheid van dit bevel maar dient enkel na te gaan of dit bevel regelmatig werd uitgevaardigd en de tenuitvoerlegging ervan kan worden bevolen overeenkomstig de bepalingen van de Wet Europees Aanhoudingsbevel. Het onderzoeksgerecht kan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dan ook niet weigeren op de enkele grond dat de feiten door de uitvaardigende autoriteit in dat bevel niet op een voorwaardelijke wijze worden beschreven. Hieruit kan ook niet worden afgeleid dat het vermoeden van onschuld van de betrokken persoon wordt miskend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat het vermoeden van onschuld niet is miskend door de wijze waarop in het Europees aanhoudingsbevel de telastgelegde feiten worden omschreven. Met dit oordeel beantwoordt en verwerpt het arrest het in het middel bedoelde verweer en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zesde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel: met het oordeel dat het begrip “dezelfde feiten” van de facultatieve weigeringsgrond niet dient te worden uitgelegd op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie in verband met artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst, verantwoorden de appelrechters de beslissing niet naar recht; het begrip “dezelfde feiten s” is een Unierechtelijk begrip en moet eenvormig worden uitgelegd; ondergeschikt dient aan het Hof van Justitie van de Europese Unie in dit verband de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld: “Moet het begrip ‘dezelfde feiten’ in artikel 4, punt 2, van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen lidstaten (2002/584/JBZ) (omgezet in de nationale wetgeving middels artikel 6, 1° EAB-wet) op dezelfde wijze worden uitgelegd als datzelfde begrip in artikel 3, punt 2, van voornoemd kaderbesluit en, zo niet, hoe moet dat begrip in de eerstgenoemde bepaling dan worden uitgelegd?”
- De appelrechters oordelen niet dat het aan de nationale rechter toekomt of er sprake is van “dezelfde feiten” zoals bedoeld in artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel. Het arrest oordeelt integendeel als volgt: “Bij nazicht van de stukken en uit de vordering van het Openbaar Ministerie blijkt dat de feiten vermeld in het [Europees aanhoudingsbevel] ten aanzien van [de eiser] betrekking hebben op onder meer invoer van cocaïne via de haven van G. T. in Italië daar waar de tenlasteleggingen weerhouden in het [Belgische dossier] ten aanzien van [de eiser] betrekking hebben op onder meer invoer van cocaïne via de haven van Antwerpen. Het feit dat eenzelfde ruime incriminatieperiode werd voorzien in beide dossiers, dan wel dat er sprake is van eenzelfde kwalificatie zoals aangehaald door [de eiser], volstaat dan ook niet om thans vast te stellen dat dit om identieke feiten gaat waarvoor de facultatieve weigeringsgrond voorzien door artikel 6.1° [Wet Europees Aanhoudingsbevel] dan wel [artikel] 6.5° [Wet Europees Aanhoudingsbevel] kan worden ingeroepen.”
- Het arrest oordeelt aldus dat de in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feiten niet geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de feiten, voorwerp van het strafonderzoek waarvoor de eiser in België wordt vervolgd, zonder hierbij te kennen te geven dat dit oordeel uitgaat van een uitlegging die afwijkt van het begrip “dezelfde feiten” zoals bedoeld in artikel 54 Schengen Uitvoeringsovereenkomst of in de artikelen 3.2 of 4.2 Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel. Het oor¬deelt wel dat het aan de nationale feitenrechter en niet aan het onderzoeksgerecht toekomt “om te oordelen of er een objectief verband bestaat tussen de Belgische feiten en de buitenlandse feiten, te begrijpen als het bestaan van een geheel van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn naar wat betreft plaats, tijd en voorwerp, waarbij het bestaan van hetzelfde misdadig opzet niet voltstaat.”
- Het onderdeel berust bijgevolg op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag.
- De in het onderdeel voorgestelde prejudiciële vraag, die geheel op de voormelde onjuiste lezing is gebaseerd, dient bijgevolg niet te worden gesteld. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het oordeel van de appelrechters dat de in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feiten en deze van de Belgische strafvordering tegen de eiser verschillende feiten zouden betreffen, is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; het arrest maakt geen inhoudelijke vergelijking van de feiten aan de hand van de stukken, beperkt zich tot een overname van de redenen van de beroepen beschikking en antwoordt niet op de elementen die de eiser in zijn conclusie had aangevoerd tot staving van zijn standpunt dat het wel degelijk om dezelfde feiten gaat, en waarbij de eiser zelf had gesteld dat de beoordeling hiervan diende te gebeuren onafhankelijk van de juridische kwalificatie.
- Met de in het antwoord op het eerste onderdeel aangehaalde redenen verantwoorden de appelrechters naar recht de weigering om toepassing te maken van artikel 6.1° Wet Europees Aanhoudingsbevel en verwerpen en beantwoorden ze het andersluidende verweer van de eiser, zonder dat ze dienden in te gaan op elk argument dat ter staving van dat verweer door de eiser werd ingeroepen maar geen afzonderlijk middel inhoudt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: de weigering van de appelrechters om toepassing te maken van de facultatieve weigeringsgrond van artikel 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel, is niet regelmatig met redenen omkleed en niet naar recht verantwoord; de appelrechters antwoorden niet op eisers verweer dat er toepassing diende te worden gemaakt van deze facultatieve weigeringsgrond aangezien de feiten minstens gedeeltelijk in België werden gepleegd en hij enkel in België verbleef.
- Wanneer is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.5° Wet Europees Aanhoudingsbevel, oordeelt het onderzoeksgerecht onaantastbaar of de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel al dan niet moet worden geweigerd.
- Het arrest oordeelt dat de in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde feiten betrekking hebben op activiteiten die hoofdzakelijk werden geconcentreerd rond de haven van G. T. in Italië, zodat het opportuun voorkomt dat de eiser met betrekking tot deze feiten door de Italiaanse overheden wordt vervolgd. Het onderdeel, dat niet gericht is tegen die zelfstandige reden, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Zevende middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 47 en 48 Handvest Grondrechten Europese Unie en artikel 24, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel, in samenhang gelezen met de bepalingen van het Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: de weigering van de appelrechters om in te gaan op eisers verzoek om de overlevering op te schorten bij toepassing van artikel 24, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel teneinde hem toe te laten persoonlijk aanwezig te zijn bij de tegen hem in België gevoerde strafprocedure, is niet regelmatig met redenen omkleed en ook niet wettig verantwoord; het arrest oordeelt ten onrechte dat deze bevoegdheid zich louter in handen van het openbaar ministerie bevindt; het onderzoeksgerecht is wel degelijk bevoegd om hierover uitspraak te doen, gelet op het recht op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter.
- Wanneer een persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een Europees Aanhoudingsbevel wordt bevolen het voorwerp uitmaakt van een strafvervolging in België, kan het openbaar ministerie bij toepassing van artikel 24, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel de overlevering van de betrokken persoon uitstellen opdat hij in België zou kunnen worden vervolgd. De beslissing om de overlevering uit te stellen berust bij het openbaar ministerie en niet bij het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over de tenuitvoerlegging van het Europees Aanhoudingsbevel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de in het middel aangehaalde oordeel, verwerpt en beantwoordt het arrest het door de eiser op artikel 24, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel gesteunde verzoek, en verantwoordt het naar recht deze beslissing. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 126,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.42 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div