id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.43 Rolnummer: P.22.0886.N Zaak: RUIMDIENST LATHOUWERS BVBA Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 1086 - laatst gezien 2026-06-18 10:52 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Uit artikel 13.1 Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en artikel 40, f KB 17 oktober 2016 inzake de tachograaf en de rij- en rusttijden volgt dat bestuurders van voertuigen vermeld in artikel 40, f KB 17 oktober 2016 (onder meer voertuigen die worden gebruikt in verband met de rioleringsdienst of de huis-aan-huisophaling en verwijdering van huishoudelijk afval), zijn vrijgesteld van de verplichting de rij- en rusttijden in acht te nemen en van het gebruik van het controleapparaat; dit uitzonderingsstelsel is in het licht van de overweging
(23)van de preambule bij de Verordening (EG) nr. 561/2006 dat de nationale uitzonderingen moeten beperkt blijven tot die elementen welke niet aan concurrentiedruk onderhevig zijn en de in artikel 1 Verordening (EG) nr. 561/2006 vermelde doelstelling de concurrentievoorwaarden te harmoniseren, strikt uit te leggen; uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt kennelijk dat de in artikel 13.1.h), Verordening (EG) nr. 561/2006 vermelde uitzonderingen gebaseerd zijn op de aard van de diensten waarvoor deze voertuigen worden gebruikt, die alle algemene diensten van openbaar belang zijn en die worden verricht door overheidsinstanties of onder hun toezicht door particuliere ondernemingen; voertuigen, gebruikt door een particuliere dienstenverstrekker met een commercieel doel in een sector waar mededinging plaatsvindt
(1), vallen aldus niet onder deze uitzonderingen; artikel 40, f), KB 17 oktober 2016 heeft eenzelfde draagwijdte; dit houdt in dat wanneer een voertuig ruimingswerkzaamheden uitvoert en de afvalstoffen, afkomstig van deze werkzaamheden vervolgens vervoert in het kader van een taak die geen openbare dienst is en in een activiteitensector waarin concurrentie plaatsvindt, dit vervoer niet onder de uitzonderingen, vermeld in deze bepalingen valt; het gegeven dat de aldus uitgevoerde ruimingswerkzaamheden betrekking hebben op een bijzondere huishoudelijke afvalstof, zoals het slib van septische putten, die enkel mits erkenning door OVAM mogen worden uitgevoerd, doet niet anders besluiten.
(1)HvJ 21 maart 1996, arresten C-335/94 (Mozrek) en C-39/95 (Goupil), www.curia.europa.eu. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Wettelijke bepalingen: Verordening 561/2006/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer - 15-03-2006 - Art. 13.1 - 35 Link Justel databank 20060315-35 KB 17 oktober 2016 inzake de tachograaf en de rij- en rusttijden - 17-10-2016 - Art. 40,
- f)- 01 ELI link Pub nr 2016014165 Fiche 2 Uit de artikelen 91 en 148 Tarief Strafzaken, de artikelen 9, 11, eerste en derde lid, Wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 in het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1, 2°, en 28 KB 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd, in hun onderlinge samenhang gelezen, volgt dat de wetgever beoogde de gerechtskosten in strafzaken en daarmee gelijkgestelde kosten, met inbegrip van de kosten opgenomen in het nog steeds van toepassing zijnde Tarief Strafzaken, aan indexering te onderwerpen; de beperkende definitie van tariefbesluit, opgenomen in het KB 15 december 2019, doet niet anders besluiten. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Algemeen reglement van 28 december 1950 op de gerechtskosten in strafzaken - 28-12-1950 - Art. 91 - 31 Link Justel databank 19501228-31 Algemeen reglement van 28 december 1950 op de gerechtskosten in strafzaken - 28-12-1950 - Art. 148 - 31 Link Justel databank 19501228-31 Wet 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoering van een artikel 648 in het Wetboek van Strafvordering - 23-03-2019 - Art. 9 - 18 ELI link Pub nr 2019011850 Wet 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoering van een artikel 648 in het Wetboek van Strafvordering - 23-03-2019 - Art. 11, eerste en derde lid - 18 ELI link Pub nr 2019011850 KB 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd - 15-12-2019 - Art. 1, 2° - 06 ELI link Pub nr 2019031201 KB 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd - 15-12-2019 - Art. 28 - 06 ELI link Pub nr 2019031201 Fiches 3 - 4 Bij gebreke van daartoe strekkende conclusie verplicht artikel 149 Grondwet de rechter niet om de omvang van de verplicht op te leggen vaste vergoeding, die met ingang van 1 januari 2022 is vastgesteld op 52,42 euro, in het bijzonder te motiveren. (Afdeling VI van de omzendbrief 131/9 van 8 januari 2022 over de indexering van de tarieven van de gerechtskosten in strafzaken en de gelijkgestelde kosten) Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Nr. P.22.0886.N RUIMDIENST LATHOUWERS bv, met zetel te 2830 Willebroek, Breendonkstraat 209, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 31 mei 2022, gewezen op verwijzing in gevolge het arrest van het Hof van 16 februari 2021. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 40,
- f)van het koninklijk besluit van 17 oktober 2016 inzake de tachograaf en de rij- en rusttijden (hierna KB 17 oktober 2016), artikel 3, 17°, Materialendecreet en artikel 4.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiseres niet valt onder de vrijstelling voor het gebruik van de tachograaf; de appelrechters oordelen hierbij dat de uitzondering, bepaald in voormeld artikel 40, f), beperkt is tot “voertuigen van diensten ter bescherming tegen overstromingen, diensten voor nutsvoorzieningen en diensten van allerhande telecommunicatie”, terwijl ook de huis-aan-huisophaling en verwijdering van huishoudelijk afval hieronder valt, ongeacht of dit in opdracht van overheidsdiensten of particulieren gebeurt; tevens laten zij na rekening te houden met het gegeven dat het ophalen van slib van septische putten, wat een bijzondere huishoudelijke afvalstof is in de zin van voormeld besluit van de Vlaamse Regering, onder strenge overheidscontrole en na erkenning door OVAM dient te gebeuren; aldus betreft het een dienst van openbaar belang, waarvoor de vrijstelling geldt; anders dan de appelrechters voorhouden, kan een dergelijke dienst van openbaar belang ook worden verricht door particuliere ondernemingen, handelend onder overheidstoezicht. Ondergeschikt verzoekt de eiseres volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Sluit artikel 40, f, van het Koninklijk Besluit van 17 oktober 2016 voertuigen van particuliere ondernemingen voor afvalverwijdering en -verwerking (onderhevig aan een strenge overheidsreglementering en -controle door o.a. erkenning te houden bij de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij), die rioolslib en diverse soorten putten (septische put, regenput, bezinkput, vetputten, …) ruimen, van de werkingssfeer uit van de Verordening (EG) nr. 561 van het Europees Parlement en de Raad dd. 15/03/2006, ook wanneer de vraag tot ruiming uitgaat van een particulier?” 2. Artikel 13.1 Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (hierna Verordening (EG) nr. 561/2006) bepaalt: “Mits geen afbreuk wordt gedaan aan doelstellingen van artikel 1, mag elke lidstaat voor zijn eigen grondgebied of, met instemming van de betrokken staat, voor het grondgebied van een andere lidstaat uitzonderingen toestaan op de artikelen 5 tot en met 9, en deze uitzonderingen laten afhangen van bijzondere voorwaarden, voor vervoer dat wordt verricht met:
- h)voertuigen die worden gebruikt in verband met de rioleringsdienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen, diensten met betrekking tot de water-, gas- of elektriciteitsvoorziening, onderhoud van en toezicht op wegen, de ophaaldienst voor huishoudelijk afval en de verwijdering ervan, diensten van telegrafie en telefonie, radio- en televisie-uitzendingen, evenals voor de opsporing van zend- of ontvangstapparatuur voor radio en televisie.” Artikel 40, f), KB 17 oktober 2016 bepaalt: “Niet onderworpen aan de artikelen 5 tot 9 van de verordening is het vervoer door de volgende voertuigen: voertuigen die worden gebruikt in verband met de rioleringsdienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen, diensten met betrekking tot de water-, gas- of elektriciteitsvoorziening, het onderhoud van en het toezicht op wegen, de huis-aan-huisophaling en verwijdering van huishoudelijk afval, diensten van telegrafie en telefonie, radio- en televisie-uitzendingen, evenals voor de opsporing van zend- of ontvangstapparatuur voor radio en televisie.” 3. Uit deze bepalingen volgt dat bestuurders van de door artikel 40, f), KB 17 oktober 2016 bedoelde voertuigen zijn vrijgesteld van de verplichting de rij- en rusttijden in acht te nemen en van het gebruik van het controleapparaat. Dit uitzonderingsstelsel is in het licht van de overweging
(23)van de preambule bij de Verordening (EG) nr. 561/2006 dat de nationale uitzonderingen moeten beperkt blijven tot die elementen welke niet aan concurrentiedruk onderhevig zijn en de in artikel 1 Verordening (EG) nr. 561/2006 vermelde doelstelling de concurrentievoorwaarden te harmoniseren, strikt uit te leggen.
- Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt kennelijk dat de in artikel 13.1.h), Verordening (EG) nr. 561/2006 vermelde uitzonderingen gebaseerd zijn op de aard van de diensten waarvoor deze voertuigen worden gebruikt, die alle algemene diensten van openbaar belang zijn en die worden verricht door overheidsinstanties of onder hun toezicht door particuliere ondernemingen. Voertuigen, gebruikt door een particuliere dienstenverstrekker met een commercieel doel in een sector waar mededinging plaatsvindt, vallen aldus niet onder deze uitzonderingen. Artikel 40, f), KB 17 oktober 2016 heeft eenzelfde draagwijdte. Dit houdt in dat wanneer een voertuig ruimingswerkzaamheden uitvoert en de afvalstoffen, afkomstig van deze werkzaamheden vervolgens vervoert in het kader van een taak die geen openbare dienst is en in een activiteitensector waarin concurrentie plaatsvindt, dit vervoer niet onder de uitzonderingen, vermeld in deze bepalingen valt. Het gegeven dat de aldus uitgevoerde ruimingswerkzaamheden betrekking hebben op een bijzondere huishoudelijke afvalstof, zoals het slib van septische putten, die enkel mits erkenning door OVAM mogen worden uitgevoerd, doet niet anders besluiten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Mede met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, oordelen de appelrechters dat: - rijdende werkplaatsen, zoals de voertuigen van de eiseres, waarbij ook bijkomstig vervoer van goederen plaatsvindt, met name het transport van afvalstoffen (slib en vet) afkomstig van ruimingswerkzaamheden over de weg, vallen onder de toepassing van de Verordening (EG) nr. 561/2006; - de uitzonderingen vermeld in artikel 13, 1.h), Verordening (EG) nr. 561/2006 restrictief moeten worden ingevuld, waarbij hun draagwijdte moet worden bepaald in het licht van de doelstellingen van de verordening, zijnde het harmoniseren van de concurrentievoorwaarden en de verbetering van de arbeidsvoorwaarden en de verkeersveiligheid; - de toepassing van deze uitzonderingen, waaronder de voertuigen gebruikt in verband met de ophaling en verwijdering van huishoudelijk afval vallen, gebaseerd is op de aard van de diensten waarvoor deze voertuigen worden gebruikt, die allen algemene diensten van openbaar belang zijn en die worden verricht door overheidsinstanties of onder hun toezicht door particuliere ondernemingen; - het uitvoeren van particuliere commerciële ruimingswerken, waardoor men rechtstreeks in concurrentie treedt met andere vervoersbedrijven die dezelfde activiteiten uitoefenen, evenwel niet onder de noemer van een algemene dienst van openbaar belang valt, zodat de uitzondering op deze voertuigen niet van toepassing is; - artikel 40, f), KB 17 oktober 2016, dat voormeld artikel 13, 1.h), implementeerde deze zienswijze bevestigt; - wanneer de eiseres, die een private firma is en voor de overgrote meerderheid van haar activiteiten hetzij bij particulieren, hetzij bij bedrijven, op hun vraag afvalstoffen afhaalt, waarbij een private overeenkomst tot stand komt en de individuele gebruiker van de dienst de integrale kostprijs van deze dienst betaalt, zij geen dienst van openbaar belang vervult; - het gegeven dat de eiseres voor deze ruimingswerken een erkenning van OVAM verkreeg, niet maakt dat zij algemene diensten van openbaar belang levert die rechtstreeks door overheidsinstanties of onder hun toezicht door particuliere ondernemingen worden verricht; - de eiseres bijgevolg haar voertuigen had moeten uitrusten met een tachograaf, het correct gebruik ervan had moeten verzekeren en de registratiebladen had moeten bewaren, aangezien de vrijstelling van tachograaf voor haar activiteiten oneerlijke concurrentie oplevert met andere private dienstverleningen die op dezelfde wijze werken. Met deze redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De prejudiciële vraag die berust op een onjuiste rechtsopvatting, dient niet te worden gesteld. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 91 Tarief Strafzaken: het bestreden vonnis heeft de eiseres ten onrechte een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken opgelegd van 52,42 euro; noch voormeld artikel 91, noch enige omzendbrief laat toe af te wijken van de in dit artikel vastgelegde vergoeding van 50,00 euro; de appelrechters motiveren ook niet waarom ze dit hogere bedrag toekennen.
- Artikel 91 Tarief Strafzaken bepaalt dat de rechter voor elke criminele, correctionele en politiezaken aan iedere veroordeelde een vergoeding van 50,00 euro wordt opgelegd. Artikel 148 Tarief Strafzaken, zoals van toepassing voor de opheffing ervan bij koninklijk besluit van 15 december 2019 tot vaststelling van de organisatie van de arrondissementele bureaus gerechtskosten en de procedure volgens dewelke gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten worden toegekend, geverifieerd, betaald en teruggevorderd (hierna KB 15 december 2019), bepaalde: “Met ingang van 1 januari 1984 worden de in het algemeen reglement vastgestelde bedragen en de krachtens dit algemeen reglement door de Minister van Justitie bepaalde bedragen op 1 januari van elk jaar gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen”.
- Artikel 9 van de wet van 23 maart 2019 betreffende de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en tot invoeging van een artikel 648 in het Wetboek van Strafvordering (hierna Wet 23 maart 2019) bepaalt dat de tarieven van de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en van de verplaatsingsvergoeding worden geïndexeerd volgens de nadere regels bepaald door de Koning. Krachtens artikel 11, eerste lid, Wet 23 maart 2019 bepaalt de Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de ministerraad, de lijsten van de gerechtskosten in strafzaken en gelijkgestelde kosten en hun tarifering, tariefbesluiten genaamd. Artikel 11, derde lid, Wet 23 maart 2019 voegt hieraan toe dat de minister bevoegd voor Justitie na elke indexatie van de tarieven daarvan overzichtslijsten, schalen genaamd, bekend maakt in het Belgisch Staatsblad. Krachtens artikel 28 KB 15 december 2019 worden de bedragen bepaald in de tariefbesluiten elk jaar op 1 januari aangepast aan de afgevlakte gezondheidsindex van de voorgaande maand december en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad voor 30 januari. Artikel 1, 2°, KB 15 december 2019 definieert “tariefbesluit” als “een koninklijk besluit voor een of meerdere categorieën van prestatieverleners genomen op basis van artikel 11, eerste lid, Wet 23 maart 2019”.
- Uit deze bepalingen, in hun onderlinge samenhang gelezen, volgt dat de wetgever beoogde de gerechtskosten in strafzaken en daarmee gelijkgestelde kosten, met inbegrip van de kosten opgenomen in het nog steeds van toepassing zijnde Tarief Strafzaken, aan indexering te onderwerpen. De beperkende definitie van tariefbesluit, opgenomen in het KB 15 december 2019, doet niet anders besluiten. In zoverre het middel ervan uitgaat dat elke rechtsgrond ontbreekt om de vaste vergoeding, bepaald in artikel 91 Tarief Strafzaken te indexeren, faalt het naar recht.
- Afdeling VI van de omzendbrief 131/9 van 8 januari 2022 over de indexering van de tarieven van de gerechtskosten in strafzaken en de gelijkgestelde kosten (B.S. 11 januari 2022, err. B.S. 25 januari 2022) bepaalt dat met ingang van 1 januari 2022 de verplicht op te leggen vaste vergoeding aan elke veroordeelde, 52,42 euro bedraagt. In zoverre het middel aanvoert dat deze omzendbrief niet toelaat de geïndexeerde vaste vergoeding te bepalen op de som van 52,42 euro, mist het feitelijke grondslag.
- Bij gebreke van daartoe strekkende conclusie verplicht artikel 149 Grondwet de rechter niet om de omvang van de verplicht op te leggen vaste vergoeding in het bijzonder te motiveren. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 162 en 176 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis veroordeelt de eiseres tot de totaliteit van de kosten van de strafvordering, zonder vast te stellen dat al deze kosten werden veroorzaakt door de feiten waarvoor de eiseres werd veroordeeld.
- Artikel 162, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat bij toepassing van artikel 176 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de vonnissen in hoger beroep, gewezen door de correctionele rechtbanken, bepaalt: “Ieder veroordelend vonnis, uitgesproken tegen de beklaagde en tegen de personen die voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijk zijn, verwijst hen in de kosten, zelfs jegens de openbare partij.”
- Bij gebrek aan daartoe strekkende conclusie dient de rechter de beslissing tot veroordeling van de beklaagde tot de kosten van de strafvordering niet in het bijzonder te motiveren. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De appelrechters, die na te hebben vastgesteld dat hun saisine is beperkt tot de schuldvraag en de strafmaat wat de betichtingen lastens de eiseres betreft, deze partij veroordelen tot de kosten van de strafvordering, geven te kennen dat deze kosten werden veroorzaakt door de feiten waarvoor de eiseres werd veroordeeld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.43 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240625.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div