← België

V. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 27 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.8 Rolnummer: P.22.1736.N Zaak: V. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2023-07-04 Raadplegingen: 793 - laatst gezien 2026-06-18 18:25 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Een algemene verplichting is geen wet als bedoeld in artikel 608 Gerechtelijk Wetboek, waarvan de schending aanleiding kan geven tot cassatie; niet-ontvankelijk is het middel dat miskenning aanvoert van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de partijen of hun raadsman. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - ALGEMEEN Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 608 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 2 - 3 Uit artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek kan niet worden afgeleid dat voor de bepaling van schade veroorzaakt door het door artikel 489bis, 4°, Strafwetboek bedoelde misdrijf van laattijdige aangifte van de faillissementstoestand enkel rekening mag worden gehouden met schulden waarvan de juridische oorzaak dateert van voor de datum van virtueel faillissement. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 489bis, 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1382 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 489bis, 4° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1736.N A. G. M. V.L., geboren te Waregem op 13 mei 1969, wonende te 8570 Anzegem, Holstraat 50/A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen Joris Jan DE SMET, met kantoor te 1180 Ukkel, Winston Churchilllaan 118B, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement VAN LANCKER TEXTIEL bv, burgerlijke partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 6, bus 11, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 22 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest verklaart de burgerlijk rechts vordering van de verweerder op grond van de telastlegging D ongegrond. In zoverre ook gericht tegen deze beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van een beklaagde of zijn raadsman: het arrest is niet naar recht verantwoord; de schade die voortvloeit uit de niet- tijdige aangifte van het faillissement bestaat uit de schuld waarvan de juridische oorzaak zich situeert na de datum van het virtueel faillissement; het arrest kent aan de verweerder ten onrechte een vergoeding toe voor schulden die opeisbaar werden na de datum van het virtueel faillissement, maar waarvan de juridische oorzaak zich situeert vóór deze datum; het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat er geen enkel bewijs voorligt dat toelaat vast te stellen welke van de door de verweerder opgesomde schulden voortkomen uit een contractueel feit dat dateert van na de datum van staking van betaling.
  4. Een algemene verplichting is geen wet als bedoeld in artikel 608 Gerechtelijk Wetboek, waarvan de schending aanleiding kan geven tot cassatie. In zoverre het middel miskenning aanvoert van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de partijen of hun raadsman, is het niet ontvankelijk.
  5. Uit artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek kan niet worden afgeleid dat voor de bepaling van schade veroorzaakt door het door artikel 489bis, 4°, Strafwetboek bedoelde misdrijf van laattijdige aangifte van de faillissementstoestand enkel rekening mag worden gehouden met schulden waarvan de juridische oorzaak dateert van voor de datum van virtueel faillissement. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Met de redenen die het arrest (p. 17-18) bevat onder punt 9.3.3 betreffende de bepaling van de schade voortvloeiend uit het misdrijf van niet-tijdige aangifte van het faillissement, beantwoorden en verwerpen de appelrechters het door het middel bedoelde verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat het gevorderde bedrag van 222.171,00 euro is samengesteld uit een reeks van schulden die volgens het overzicht van de verweerder in zijn besluiten zijn aangegroeid na de datum van het virtueel faillissement, met name 1 februari 2012, miskent het arrest de bewijskracht van de synthese-appelconclusie van de verweerder waaruit blijkt dat het bedrag van 29.050,79 euro slaat op een toename van de schuld van P. GmbH vanaf 1 januari 2012; minstens is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de schadevergoeding waarop de verweerder is gerechtigd, bestaat uit schulden die zijn ontstaan en aangegroeid na de datum van het virtueel faillissement; het oordeelt anderzijds dat de verweerder is gerechtigd op een bedrag van onder meer 29.050,79 euro, dat reeds bestond of aangroeide voorafgaand aan de datum van het virtueel faillissement.
  8. Het arrest (p. 17) verwijst voor de bepaling van de schade veroorzaakt door het bewezen verklaarde feit omschreven onder de telastlegging E naar het door de verweerder in zijn synthese-appelconclusie gemaakt overzicht van de schuldvorderingen waarvan de schuldvordering van P. GmbH deel uitmaakt. Het arrest stelt vast dat volgens de bijgevoegde stukken al die schuldvorderingen ontstaan zijn of aangegroeid zijn na 1 maart
  9. Met dit oordeel geeft het arrest van het door de verweerder in zijn syntheseappelconclusie opgenomen overzicht een uitlegging die niet volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en dit ongeacht het gegeven dat in dit overzicht voor de schuldvordering van P. GmbH de datum van 1 januari 2012 wordt vermeld als datum van de toename van deze vordering. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  10. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van de bewijskracht van akten en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van een beklaagde of zijn raadsman: het arrest verwerpt de aanvoering van de eiser dat er met betrekking tot de schuldvorderingen nr. 11, 21, 22, 23, 33 en 39 die zijn opgenomen in het overzicht van de verweerder tot staving van de schade-eis van 222.171,00 euro geen stukken zijn gevoegd, zodat die schuldvorderingen bezwaarlijk kunnen worden aanvaard en daaruit niets kan worden afgeleid betreffende het ontstaan van deze schuld; het arrest beantwoordt dit verweer enkel met de stelling dat bij alle aangiften facturen of andere stukken werden gevoegd, zonder dit op enige wijze te concretiseren; met die loutere vaststelling wordt dit verweer niet beantwoord.
  12. Een algemene verplichting is geen wet als bedoeld in artikel 608 Gerechtelijk Wetboek, waarvan de schending aanleiding kan geven tot cassatie. In zoverre het onderdeel miskenning aanvoert van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de partijen of hun raadsman, is het niet ontvankelijk.
  13. Met het oordeel dat schuldvorderingen worden gestaafd met stukken, beantwoordt en verwerpt de rechter de aanvoering van een partij dat dit niet het geval is, zonder dat de rechter die vaststelling nader moet concretiseren. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  14. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit het voormelde vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van een beklaagde of zijn raadsman: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat voor de in het overzicht van de verweerder opgenomen schuldvorderingen nr. 1, 3, 12, 14, 15, 23 en 38 geen rekening is gehouden met betalingen die zijn gebeurd na de datum van het virtueel faillissement en welke in mindering hadden moeten worden gebracht van de gevorderde schadevergoeding van 222.171,00 euro; door met die betalingen geen rekening te houden kent het arrest een hogere schadevergoeding toe dan de werkelijke schade.
  16. Een algemene verplichting is geen wet als bedoeld in artikel 608 Gerechtelijk Wetboek, waarvan de schending aanleiding kan geven tot cassatie. In zoverre het onderdeel miskenning aanvoert van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van partijen of hun raadsman, is het niet ontvankelijk.
  17. Er blijkt niet dat de eiser het door het onderdeel bedoelde verweer heeft gevoerd met betrekking tot het bedrag van de schade veroorzaakt door het feit omschreven onder de telastlegging E. Het arrest diende bijgevolg bij de beoordeling van die schadepost dit verweer niet te beantwoorden. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  18. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van een beklaagde of zijn raadsman: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat er nog betalingen zijn gebeurd met een AXA-rekening maar dat het de curator toekomt de betreffende rekeninguittreksel voor te brengen of het appelgerecht de overlegging ervan te bevelen; het oordeel van het arrest dat de via de AXA-rekening gedane betalingen geen afbreuk doen aan het duurzaam karakter van de datum van staking van betaling, vormt geen antwoord op de door de eiser gevoerde betwisting betreffende de omvang van de schade veroorzaakt door de laattijdige aangifte van het faillissement; door aan de verweerder een schadevergoeding toe te kennen van 222.171,00 euro wegens de sinds het virtueel faillissement ontstane of toegenomen schulden, zonder rekening te houden met de betalingen via AXA kent het arrest een hogere schadevergoeding toe dan de werkelijke schade.
  20. Een algemene verplichting is geen wet als bedoeld in artikel 608 Gerechtelijk Wetboek, waarvan de schending aanleiding kan geven tot cassatie. In zoverre het onderdeel miskenning aanvoert van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van partijen of hun raadsman, is het niet ontvankelijk.
  21. Er blijkt niet dat de eiser het door het onderdeel bedoelde verweer heeft gevoerd met betrekking tot het bedrag van de schade veroorzaakt door het feit omschreven onder de telastlegging E. Het arrest diende bijgevolg bij de beoordeling van die schadepost dit verweer niet te beantwoorden. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  22. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,71 euro, waarvan 78,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.