← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 augustus 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230801.VAK.7 Rolnummer: P.23.1111.N Zaak: B. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-08-03 Raadplegingen: 606 - laatst gezien 2026-06-17 16:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Artikel 33, § 2, Voorlopige Hechteniswet is niet van toepassing op de beslissing van de rechter die het verzoek van een beklaagde tot voorlopige invrijheidstelling op grond van artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet verwerpt; overeenkomstig artikel 27, § 3, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet moet de rechter die beslissing enkel motiveren met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, §§ 2 en 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 33, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, §§ 2 en 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 33, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 3 - 4 De rechter die oordeelt op grond van artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet, kan het gevaar voor onttrekking afleiden uit de dreiging die voor de beklaagde uitgaat van de hoogte van de hem opgelegde straf. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1111.N F. B., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, vakantiekamer, van 14 juli

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 27, § 2, en 33, § 2, Voorlopige Hechteniswet: het arrest verwerpt het verzoek tot voorlopige invrijheidstelling dat de eiser heeft ingediend na zijn onmiddellijke aanhouding bevolen bij het vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Hasselt, van 30 juni 2023; die verwerping is niet gemotiveerd volgens de vereisten bepaald in artikel 33, § 2, Voorlopige Hechteniswet; het arrest vermeldt niet de omstandigheden die het gevaar voor recidive of onttrekking wettigen; de aard en de ernst van de feiten volstaan niet om de onmiddellijke aanhouding te bevelen wegens recidivegevaar; evenmin volstaat de zwaarte van de straf om de onmiddellijke aanhouding te bevelen wegens onttrekkingsgevaar.
  3. Artikel 27, § 2, eerste zin, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: “De voorlopige invrijheidstelling kan ook worden aangevraagd door degene die aangehouden is ingevolge een na veroordeling uitgesproken bevel tot onmiddellijke aanhouding, mits er tegen de veroordeling zelf hoger beroep, verzet of cassatieberoep is aangetekend.” Artikel 33, § 2, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: “Wanneer de hoven en de rechtbanken de beklaagde of de beschuldigde veroordelen tot (…), kunnen zij, op vordering van het openbaar ministerie, zijn onmiddellijke aanhouding gelasten, indien te vrezen is dat de beklaagde of de beschuldigde zich aan de uitvoering van de straf zou pogen te onttrekken of dat hij nieuwe misdaden of wanbedrijven zou plegen. Die beslissing moet nader aangeven welke omstandigheden van de zaak die vrees bepaaldelijk wettigen.”
  4. Artikel 33, § 2, Voorlopige Hechteniswet is niet van toepassing op de beslissing van de rechter die het verzoek van een beklaagde tot voorlopige invrijheidstelling op grond van artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet verwerpt. Overeenkomstig artikel 27, § 3, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet moet de rechter die beslissing enkel motiveren met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet.
  5. De rechter die oordeelt op grond van artikel 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet, kan het gevaar voor onttrekking afleiden uit de dreiging die voor de beklaagde uitgaat van de hoogte van de hem opgelegde straf.
  6. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Het arrest oordeelt onder meer: “2.3 De hierna vermelde gegevens eigen aan de zaak en aan de persoonlijkheid van [de eiser], maken omstandigheden uit die thans nog bestaan en die dermate de openbare veiligheid raken dat hierdoor de handhaving van de hechtenis van [de eiser] volstrekt noodzakelijk is. 2.4 Het gevaar op recidive blijft actueel gelet op de aard, de ernst en het kennelijke herhaald karakter van de ten laste gelegde feiten en de omstandigheid dat [de eiser] in dezelfde straat woont dan het beweerde slachtoffer. 2.5 Er is gevaar op onttrekking gelet op de dreiging die uitgaat van de hoogte van de door de eerste rechter opgelegde bestraffing.” Met die redenen, die niet enkel betrekking hebben op de aard en de ernst van de feiten, is zowel het gevaar voor recidive als het gevaar voor onttrekking bij de eiser regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  8. Voor het overige komt het onderdeel in werkelijkheid op tegen het vonnis dat de onmiddellijke aanhouding van de eiser heeft bevolen. In zoverre het onderdeel aldus geen betrekking heeft op het bestreden arrest, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van de algemene motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet het verweer dat de eiser in zijn verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling heeft gevoerd over het onttrekkingsgevaar en het recidivegevaar, noch op zijn verzoek om een invrijheidstelling onder voorwaarden of om een plaatsing onder elektronisch toezicht; uit geen enkele vermelding blijkt dat het hof van beroep heeft acht geslagen op die verzoeken.
  10. Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing op de gerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis. In zoverre het onderdeel schending van dat artikel aanvoert, faalt het naar recht.
  11. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel beantwoordt het hof van beroep eisers verweer over het recidivegevaar en het onttrekkingsgevaar zonder dat het, gelet op de beperkte termijn voor de uitspraak, dat verweer tot in het detail moest beantwoorden. Evenmin moest het hof van beroep antwoorden op argumenten die de eiser enkel tot staving van zijn verweer heeft aangevoerd, zonder een zelfstandig verweer uit te maken. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  12. In zijn verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling heeft de eiser in ondergeschikte orde gevraagd hem vrij te laten onder voorwaarden of hem te plaatsen onder elektronisch toezicht zonder daarover nadere toelichting te verstrekken, behoudens dat die verzoeken (“dan ook”) volgen uit zijn voorgaand verweer in verband met de onmiddellijke aanhouding. Het hof van beroep kon die verzoeken dan ook afwijzen met de redenen op grond waarvan het oordeelt dat eisers voorlopige hechtenis na zijn onmiddellijke aanhouding dient te worden gehandhaafd, dit zijn de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel. Uit die redenen blijkt dat het arrest acht slaat op eisers verzoeken en op de grond daarvan is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit raadsheer Erwin Francis, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Marie-Claire Ernotte, Eric de Formanoir, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 1 augustus 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230801.VAK.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.