id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 augustus 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 28q
uater, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 55
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 28q
uater, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 55
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 28q
uater, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 55
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 28q
uater, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 55- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.23.1200.N A. L. G. R.-A.-B., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Serge Defrenne, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 28quater, derde lid, 55 en 56 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de tijdens het opsporingsonderzoek door de procureur des Konings verleende machtigingen tot observatie niet zijn komen te vervallen na het vorderen van een gerechtelijk onderzoek, zodat de observatie van 18 juli 2023 regelmatig is ook al is zij uitgevoerd tijdens het gerechtelijk onderzoek; de opsporingsplicht en het opsporingsrecht van de procureur des Konings houden echter op te bestaan voor de feiten die bij de onderzoeksrechter zijn aangebracht voor zover het opsporingsonderzoek de prerogatieven van de onderzoeksrechter bewust zou aantasten; het arrest doet afbreuk aan de prerogatieven van de onderzoeksrechter; de begane onregelmatigheid raakt aan de organisatie van de hoven en rechtbanken en moet dus leiden tot bewijsuitsluiting.
- Overeenkomstig artikel 28quater, derde lid, Wetboek van Strafvordering blijven de opsporingsplicht en het opsporingsrecht van de procureur des Konings bestaan nadat de strafvordering is ingesteld. Deze plicht en dit recht houden evenwel op te bestaan voor de feiten die bij de onderzoeksrechter zijn aangebracht voor zover het opsporingsonderzoek zijn prerogatieven bewust zou aantasten.
- Die bepaling strekt ertoe te vermijden dat parallel aan het gerechtelijk onderzoek een opsporingsonderzoek zou worden gevoerd waardoor bewust afbreuk zou worden gedaan aan de leiding en het gezag over het gerechtelijk onderzoek, die krachtens artikel 55 Wetboek van Strafvordering toekomen aan de onderzoeksrechter. Die bepaling belet aldus niet dat een door de procureur des Konings gestelde opsporingshandeling tijdens het daarop volgende gerechtelijk onderzoek verder zijn uitwerking kan hebben.
- Wanneer aldus de procureur des Koning tijdens het opsporingsonderzoek een machtiging tot observatie heeft verleend en hij in de loop van de tenuitvoerlegging van die observatie het opstarten van een gerechtelijk onderzoek vordert, vereist de regelmatigheid van de verdere tenuitvoerlegging van die observatie tijdens het gerechtelijk onderzoek niet dat de onderzoeksrechter daarvoor opnieuw machtiging verleent of de bestaande machtiging uitdrukkelijk bevestigt. Die machtiging blijft dan namelijk haar gelding behouden tenzij de onderzoeksrechter anders beslist. Dit houdt geen inbreuk in op enig prerogatief van de onderzoeksrechter, noch levert het een situatie op die de wetgever heeft willen uitsluiten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest stelt vast dat er zich in het dossier beslissingen van de procureur des Konings van 22 mei 2023 en 1 juni 2023 bevinden, houdende de bevestiging van het bestaan van een machtiging tot observatie en van het bestaan van de aanvulling van die machtiging. Het oordeelt verder als volgt: “Uit de bepalingen van de artikelen 28quater en 55 van het Wetboek van Strafvordering volgt niet dat de tijdens het opsporingsonderzoek door de procureur des Konings gegeven onderzoeksopdrachten, de door de procureur des Konings genomen vorderingen of de door de procureur des Konings verleende machtigingen die voorafgingen aan de adiëring van de onderzoeksrechter, komen te vervallen of worden beëindigd nadat een gerechtelijk onderzoek wordt gevorderd en de leiding van het onderzoek berust bij de onderzoeksrechter. De door de procureur des Konings verleende machtiging tot observatie conform de artikelen 47sexies en 47septies van het Wetboek van Strafvordering, waarvan de beslissing tot bevestiging van het bestaan van de machtiging in het dossier voorligt, is niet komen te vervallen door de vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek van 7 juli
- [De eiser] maakt niet concreet, noch aannemelijk dat er sprake is van een gebrek aan rechtsgeldige machtiging tot observatie op 18 juli
- Prima facie, op basis van het thans voorliggend dossier, moet dan ook besloten worden dat de observatie uitgevoerd op 18 juli 2023 regelmatig is.” Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 17 IVBPR, artikel 15 Grondwet en artikel 6bis Drugwet: het arrest kan uit zijn vaststellingen niet wettig afleiden dat de speurders vóór de huiszoeking beschikten over ernstige en objectieve aanwijzingen dat de loods werd gebruikt voor het vervaardigen, bewaren, bereiden of opslaan van in de Drugwet genoemde stoffen.
- In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen rechtsmacht heeft, is het niet ontvankelijk.
- Wanneer een inverdenkinggestelde de nietigheid van een onderzoekshandeling of van een ingezameld bewijselement en de daaruit voortvloeiende rechtspleging aanvoert, dient het onderzoeksgerecht dat niet optreedt met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, enkel een prima facie onderzoek van de opgeworpen onregelmatigheid en van de weerslag ervan op de wettelijke voorwaarden tot handhaving van de voorlopige hechtenis uit te voeren.
- Uit de vaststellingen die het arrest vermeldt, in het bijzonder de aanvankelijke politionele inlichtingen, de camerabeelden en de observaties, kan de kamer van inbeschuldigingstelling prima facie het voldaan zijn aan de wettelijke vereisten voor het uitvoeren van de huiszoeking op grond van artikel 6bis Drugwet afleiden. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit raadsheer Erwin Francis, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Bart Wylleman, Eric de Formanoir, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 22 augustus 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div