id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 augustus 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.9 Rolnummer: P.23.1206.N Zaak: R. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2023-08-24 Raadplegingen: 864 - laatst gezien 2026-06-19 04:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het onderzoeksgerecht dat over de handhaving van de voorlopige hechtenis dient te beslissen binnen een korte termijn, moet niet tot in de bijzonderheden antwoorden op het verweer van de inverdenkinggestelde, noch moet het antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken
(1).
(1)Cass. 7 maart 2023, AR P.23.0287.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.16, AC 2023, nr. 179; Cass. 2 augustus 2022, AR P.22.1002.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220802.VAK.2, AC 2022, nr. 485, RABG 2022, 1361, NC 2023, 226; Cass. 17 juli 2019, AR P.19.0732.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.4, AC 2019, nr. 421; Cass. 8 mei 2019, AR P.19.0441.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16, AC 2019, nr. 273 en nota OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 4 - 7 Uit artikel 5.3 EVRM, die beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld
(1); bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van de voorlopige hechtenis kan de rechter onder meer rekening houden met de omvang en de complexiteit van de zaak, de voortgang van het onderzoek naar de feiten waarvoor de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd en het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking; bij de beoordeling van die voortgang van het onderzoek kan het onderzoeksgerecht ook rekening houden met onderzoekshandelingen die betrekking hebben op andere inverdenkinggestelden, voor zover die onderzoekshandelingen informatie kunnen opleveren betreffende de inverdenkinggestelde die zich in voorlopige hechtenis bevindt
(2); de rechter die uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis, beoordeelt onaantastbaar of de duur van de voorlopige hechtenis redelijk is; het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(3).
(1)Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, nr. 312 met concl. OM; Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1655.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13, AC 2022, nr. 3; Cass. 28 december 2021, AR P.21.1654.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211228.2N.4, AC 2021, nr. 833; Cass. 30 maart 2021, AR P.21.0388.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18, AC 2021, nr. 236; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel Svacina, 2019, 1219-1220.
(2)Cass. 4 januari 2022, AR P.21.1655.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13, AC 2022, nr. 3; Cass. 31 maart 2021, AR P.21.0394.F ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.14, AC 2022, nr. 241; Cass. 15 februari 2020, AR P.20.0915.N, arrest niet gepubliceerd.
(3)Cass. 7 februari 2023, AR P.23.0156.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 14 juni 2022, AR P.22.0760.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14, AC 2022, nr. 421; Cass. 3 mei 2022, AR P.22.0548.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16, AC 2022, nr. 312, met concl. OM; Cass. 8 maart 2022, AR P.22.0274.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.16, AC. 2022, nr.
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1206.N M. R., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Kristof Lauwens, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer betreffende de overschrijding van de redelijke termijn van eisers hechtenis en beoordeelt die overschrijding niet individueel naar de eiser toe, rekening houdend met het feit dat eisers hechtenis reeds tien maanden duurt; de reden dat een mede-inverdenkinggestelde recent werd overgeleverd en belastende verklaringen heeft afgelegd waarover de eiser nog moet worden verhoord, volstaat niet in het licht van eisers persoonlijke situatie en de reeds verlopen termijn en is evenmin nieuw.
- Het onderzoeksgerecht dat over de handhaving van de voorlopige hechtenis dient te beslissen binnen een korte termijn, moet niet tot in de bijzonderheden antwoorden op het verweer van de inverdenkinggestelde, noch moet het antwoorden op alle tot staving van dat verweer aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken.
- Volgens artikel 5.3 EVRM heeft eenieder die is gearresteerd of wordt gevangen gehouden het recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. Uit die verdragsbepaling, die beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld.
- Bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van de voorlopige hechtenis kan de rechter onder meer rekening houden met de omvang en de complexiteit van de zaak, de voortgang van het onderzoek naar de feiten waarvoor de inverdenkinggestelde van zijn vrijheid is beroofd en het gevaar voor recidive, collusie en onttrekking. Bij de beoordeling van die voortgang van het onderzoek kan het onderzoeksgerecht ook rekening houden met onderzoekshandelingen die betrekking hebben op andere inverdenkinggestelden, voor zover die onderzoekshandelingen informatie kunnen opleveren betreffende de inverdenkinggestelde die zich in voorlopige hechtenis bevindt.
- De rechter die uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis, beoordeelt onaantastbaar of de duur van de voorlopige hechtenis redelijk is. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Op grond van de redenen die het onderdeel aanhaalt, waaronder de omstandigheden dat het een omvangrijk dossier betreft, dat het onderzoek een normaal verloop kent en dat de eiser nog moet worden geconfronteerd met de voor hem belastende verklaringen van een recent overgeleverde mede-inverdenkinggestelde, kan het arrest wettig oordelen dat de redelijke termijn van eisers voorlopige hechtenis niet is overschreden, beantwoordt het eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest oordeelt dat het tactisch onderzoek verloopt zonder onredelijke vertraging en de uitvoeringsstukken ervan ondertussen vier dikke harde kaften beslaan; of een gerechtelijk onderzoek al dan niet een normaal verloop kent, dient te worden beoordeeld op grond van de inhoud van het strafdossier en niet op grond van de dikte ervan; aldus schraagt deze reden niet de beslissing dat de redelijke termijn van eisers voorlopige hechtenis hier niet is overschreden.
- Het onderdeel dat in zijn kritiek niet alle zelfstandige redenen betrekt waarop het arrest de bekritiseerde beslissing steunt, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: met overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie steunt het arrest het recidivegevaar bij de eiser op zijn vroegere veroordeling van 22 maart 2022, terwijl volgens eisers strafregister die veroordeling dateert van 9 maart 2022; aldus miskent het arrest de bewijskracht van eisers strafregister.
- Het onderdeel dat niet preciseert welk belang de aangevoerde miskenning van de bewijskracht van eisers strafregister heeft voor de wettigheid van de bekritiseerde beslissing, is onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit raadsheer Erwin Francis, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Bart Wylleman, Eric de Formanoir, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 22 augustus 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.9 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210331.2F.14 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211228.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220104.2N.13 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.16 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.16 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220802.VAK.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230307.2N.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260506.2F.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div