← België

LION’S DIAMOND bv contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230904.3N.2 Rolnummer: C.22.0421.N Zaak: LION'S DIAMOND bv contra BELGISCHE STAAT Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2023-10-05 Raadplegingen: 1019 - laatst gezien 2026-06-18 15:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiche 1 Het staat aan de beslagleggende overheid om te bewijzen dat zij de in beslag genomen goederen teruggegeven heeft aan de persoon in wiens handen beslag werd gelegd; wanneer deze persoon aanvoert dat de teruggegeven goederen niet dezelfde zijn als de goederen die in beslag zijn genomen en hij de beslagleggende overheid daarvoor aanspreekt op grond van diens buitencontractuele aansprakelijkheid, draagt hij in de regel de bewijslast van de tot aansprakelijkheid leidende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4, eerste lid - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 KB nr. 260 van 24 maart 1936 op de bewaring, ter griffie, en de (procedure) tot teruggave van de in strafzaken in beslag genomen zaken - 260 - 24-03-1936 - Art. 2 - 30 ELI link Pub nr 1936032450 Fiche 2 De door een deskundige gedane vaststellingen, dit zijn de precieze door hem in het kader van zijn opdracht persoonlijk vastgestelde feiten, hebben een authentieke bewijswaarde die enkel door de instelling van de valsheidsprocedure kan worden ontkracht; het uit deze vaststellingen door de deskundige afgeleide advies heeft daarentegen geen bijzondere bewijswaarde, maar wordt vrij door de rechter beoordeeld. Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Wettelijke bepalingen: Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.17 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 962 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.22.0421.N LION’S DIAMOND bv, met zetel te 2018 Antwerpen (Berchem), Hoveniersstraat 2, bus 441, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0440.873.809, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/65, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 juni

  1. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 1 juni 2023 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 maart 1936 worden de zaken die in strafrechtelijk beslag worden genomen, behoudens een andersluidend bevel, teruggegeven aan de persoon in wiens handen beslag werd gelegd.
  3. Krachtens artikel 8.4, eerste lid, Burgerlijk Wetboek moet hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen. Krachtens het tweede lid moet hij die beweert bevrijd te zijn, de rechtshandelingen of feiten bewijzen die zijn bewering ondersteunen.
  4. Uit deze bepalingen volgt dat het aan de beslagleggende overheid staat om te bewijzen dat zij de in beslag genomen goederen teruggegeven heeft aan de persoon in wiens handen beslag werd gelegd. Wanneer deze persoon aanvoert dat de teruggegeven goederen niet dezelfde zijn als de goederen die in beslag zijn genomen en hij de beslagleggende overheid daarvoor aanspreekt op grond van diens buitencontractuele aansprakelijkheid, draagt hij in de regel de bewijslast van de tot aansprakelijkheid leidende gebeurtenis, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide.
  5. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de op de verweerder rustende resultaatsverbintenis (bewaar- en restitutieverplichting) in het kader van het strafrechtelijk beslag principieel niet betwist wordt; - het bewijs van de teruggave van de inbeslaggenomen diamanten dient te worden geleverd door de verweerder; - de verweerder hiervan het bewijs levert, vermits hij de op 8 september 2004 inbeslaggenomen diamanten overmaakte aan de curator en de curator op zijn beurt, na intrekking van het faillissement van de eiseres, deze diamanten overmaakte aan de op 7 juni 2013 op verzoek van de eiseres aangestelde gerechtelijk sekwester; - de eiseres de verweerder aanspreekt op grond van de artikelen 1382 en volgende Oud Burgerlijk Wetboek; - de eiseres voorhoudt dat de door de curator in ontvangst genomen en na-derhand aan de gerechtelijk sekwester overgedragen diamanten niet dezelfde zijn als de op 8 september 2004 in beslag genomen diamanten en dat een fout van de verweerder in het kader van zijn bewaar- en restitutieverplichting hieraan ten grondslag ligt; - de eiseres hiervan het bewijs dient te leveren.
  6. Door aldus te oordelen, maken de appelrechters een juiste toepassing van de regels inzake de verdeling van de bewijslast. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  7. Artikel 37, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat ingeval wordt overgegaan tot inbeslagneming op basis van de artikelen 35 en 35ter, of op basis van het eerste lid, door de procureur des Konings of door de officier van gerechtelijke politie een proces-verbaal wordt opgemaakt waarin de in beslag genomen zaken worden vermeld alsmede de door andere wetsbepalingen voorgeschreven vermeldingen. Voor zover mogelijk worden de zaken geïndividualiseerd in het proces-verbaal. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, regelt deze bepaling niet de verdeling van de bewijslast. Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.
  8. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 8 EVRM is het afgeleid uit de in het tweede onderdeel tevergeefs aangevoerde schending van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek en artikel 962 Gerechtelijk Wetboek en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  9. De door een deskundige gedane vaststellingen, dit zijn de precieze door hem in het kader van zijn opdracht persoonlijk vastgestelde feiten, hebben een authentieke bewijswaarde die enkel door de instelling van de valsheidsprocedure kan worden ontkracht. Het uit deze vaststellingen door de deskundige afgeleide advies heeft daarentegen geen bijzondere bewijswaarde, maar wordt vrij door de rechter beoordeeld.
  10. Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat: - deskundige P. in haar verslag van 2015 de verschillen tussen de expertise van 2015 en die van 2004 als volgt trachtte te verklaren: “Gezien de tijdsdruk bij de originele expertise en de moeilijkheid om loten ruwe diamant exact te beschrijven, is het moeilijk hieruit conclusies te trekken. Wel is het duidelijk dat de huidige expertise relatief overwegend gewag maakt van ‘rejections’ waar deze term in de originele expertise niet gebruikt wordt. Ik moet hieruit concluderen dat het hier niet meer om dezelfde goederen gaat. Een tekenend voorbeeld is lot 7/5, dat ik in 2004 omschreef als ‘D/Flat’. Ik heb dit lot ruwe diamant gezien als een collectie van de meest kleurloze diamanten. Nu omschrijf ik dit met de kleuromschrijving ‘Cape’, hetgeen een direct zichtbare sterk geelachtige tint betekent. Een dergelijke uiteenlopende omschrijving kan niet te wijten zijn aan een vergissing onder tijdsdruk bij de originele expertise”; - de eiseres voor de appelrechters heeft aangevoerd dat deze vaststellingen authentieke bewijswaarde hebben en de rechter deze vaststellingen niet in twijfel mag trekken en aldus bewezen is dat de verweerder niet aan de op hem rustende restitutieplicht heeft voldaan.
  11. De appelrechters oordelen dat: - de eiseres zich ten onrechte beroept op de authentieke bewijswaarde van de door deskundige P. gedane vaststellingen in haar expertiseverslagen om daaruit af te leiden dat het hof van beroep geen ander oordeel mag vellen; - de rechter vrij de bewijswaarde van deskundigenverslagen mag beoordelen; - een deskundigenverslag voor hem de waarde van een advies heeft, zodat het verslag mag worden verworpen op grond van andere door de partijen aangebrachte gegevens of meer waarde mag worden gehecht aan de verklaringen van andere deskundigen.
  12. De appelrechters die aldus te kennen geven dat zij niet gebonden zijn door het advies van de deskundige dat het niet meer om dezelfde diamanten gaat, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  13. De appelrechters oordelen verder dat de omstandigheid dat één beperkt lot in 2004 omschreven werd als D/Flat (kleurloos) en in 2015 als Cape (sterk geelachtig) niet aantoont dat het niet meer om dezelfde diamanten gaat, vermits zulks kan wijzen op een loutere vergissing van de deskundige in haar eerste verslag.
  14. Door aldus te oordelen, miskennen de appelrechters de authentieke bewijswaarde van de feitelijke vaststellingen van de deskundige niet maar beoordelen zij de bewijswaarde van het advies dat de deskundige uit die vaststellingen heeft afgeleid. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  15. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 8 EVRM is het afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde schending van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek en artikel 962 Gerechtelijk Wetboek en bijgevolg niet ontvankelijk. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 330,29 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 4 september 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230904.3N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.