← België

N. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.1 Rolnummer: P.23.0532.N Zaak: N. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-11-09 Raadplegingen: 520 - laatst gezien 2026-06-18 15:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Winstoogmerk is een wezenlijk constitutief bestanddeel van het misdrijf mensensmokkel als bedoeld in artikel 77bis, eerste lid, Strafwetboek, zodat de rechter voor elk feit van mensensmokkel dat hij bewezen verklaart het bestaan van dat constitutief bestanddeel bij de beklaagde moet vaststellen

(1); dit houdt echter niet in dat de rechter die de beklaagde schuldig verklaart aan meerdere feiten van mensensmokkel, gepleegd met eenzelfde modus operandi waaruit het winstoogmerk van de beklaagde blijkt, voor elk specifiek feit en elk individueel slachtoffer dat verder ter sprake wordt gebracht nogmaals moet vermelden waarin dat winstoogmerk bestond of hoe de beklaagde dat winstoogmerk beoogde te realiseren.
(1)Cass. 1 februari 2022, AR P.21.1292.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.2, AC 2022, nr. 86; G. VERMEULEN en L. ARNOU, "Nieuwe Belgische strafwetgeving tegen mensenhandel, mensensmokkel en huisjesmelkerij. Context en verkenning van de Wet van 10 augustus 2005", in XXXIIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva Strafrecht en strafprocesrecht 2005-2006, p. 73; C. MACQ, Droit pénal et lutte contre les migrations irrégulières, Die Keure 2021, p. 45 en 115-
  1. Thesaurus CAS: MENSENHANDEL Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 77bis, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 77bis, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0532.N I A. N. N., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  2. R. V., burgerlijke partij,
  3. B. C., burgerlijke partij, verweersters. II R. H. H. N., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Anthony Mallego, advocaat bij de balie Dendermonde. III I. D. N., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Anthony Mallego, advocaat bij de balie Dendermonde. IV A. V., beklaagde, aangehouden, eiseres, met als raadsman mr. Alex Buelens, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 16 maart
  4. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eisers II en III voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie gelijkluidende middelen aan. De eiseres IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser I
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de memorie van de eiser I ter kennis is gebracht aan de verweersters I, zoals nochtans vereist door artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de verweersters I, is die memorie niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I, II, III en IV
  6. In zoverre de cassatieberoepen I, II, III en IV zijn gericht tegen de beslissingen die de eisers I, II, III en IV vrijspreken van bepaalde telastleggingen en het cassatieberoep I is gericht tegen de beslissing die de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster I.2 tegen de eiser I ongegrond verklaart, zijn die cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep I is betekend aan de verweerster I.1, zoals nochtans vereist door artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de verweerster I.1, is dat cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.b EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest spreekt zich niet uit over het feit dat de eiser I geen mogelijkheid heeft gehad en bijgevolg onvoldoende tijd en faciliteiten heeft gekregen om kennis te nemen van en verweer te voeren over de informatie gehaald uit zijn in beslag genomen gsm; nochtans behoort een forensische kopie van die informatie tot het strafdossier.
  9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser I onvoldoende de mogelijkheid heeft gekregen om kennis te nemen van de bedoelde informatie. Integendeel vermeldt het proces-verbaal van de rechtszitting van 8 december 2022 dat de technische problematiek rond de door de eiser I gevraagde inzage van overtuigingsstukken in het debat wordt besproken, dat de partijen en het openbaar ministerie worden gehoord in hun desbetreffende standpunt, dat het openbaar ministerie voor de eiser I nog een inzagemoment op de griffie zal regelen in verband met de gsm’s en dat de zaak in voortzetting wordt gesteld. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van die stukken en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  10. De aangevoerde schending van artikel 6.3.b EVRM en miskenning van het recht van verdediging van de eiser I zijn afgeleid uit die onjuiste lezing. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel van de eiser I
  11. Het middel voert schending aan van artikel 77bis, eerste lid, Vreemdelingenwet: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan de telastleggingen B.3, B.4, B.8, B.9, B.11, B.12, B.13, B.14, B.15, B.16, B.17, B.19, B.20, B.25, B.28, B.30, B.31, B.32, B.36, B.45, B.53, B.54 (mensensmokkel), E.1, E.11 en E.12 (poging mensensmokkel); die misdrijven vereisen het bijzonder opzet dat de beklaagde direct of indirect een vermogensvoordeel wenst te verkrijgen; dat constitutief bestanddeel dient per telastlegging te worden beoordeeld; anders dan het geval is bij andere telastleggingen, beoordeelt het arrest voor wat betreft de voormelde telastleggingen niet per feit en per slachtoffer of de eiser I al dan niet direct of indirect een vermogensvoordeel verkreeg of wilde verkrijgen; het louter vermelden van de door de eiser I gestelde handelingen per feit volstaat niet om hem schuldig te verklaren aan mensensmokkel of poging tot mensensmokkel.
  12. Winstoogmerk is een wezenlijk constitutief bestanddeel van het misdrijf mensensmokkel als bedoeld in artikel 77bis, eerste lid, Strafwetboek, zodat de rechter voor elk feit van mensensmokkel dat hij bewezen verklaart het bestaan van dat constitutief bestanddeel bij de beklaagde moet vaststellen. Dit houdt echter niet in dat de rechter die de beklaagde schuldig verklaart aan meerdere feiten van mensensmokkel, gepleegd met eenzelfde modus operandi waaruit het winstoogmerk van de beklaagde blijkt, voor elk specifiek feit en elk individueel slachtoffer dat verder ter sprake wordt gebracht nogmaals moet vermelden waarin dat winstoogmerk bestond of hoe de beklaagde dat winstoogmerk beoogde te realiseren. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. Het arrest verklaart de eiser I schuldig aan feiten van mensensmokkel (telastleggingen B.2, B.3, B.4, B.5, B.7, B.8, B.9, B.10, B.11, B.12, B.13, B.14, B.15, B.16, B.17, B.18, B.19, B.20, B.24, B.25, B.28, B.30, B.31, B.32, B.36, B.40, B.41, B.42, B.43, B.44, B.45, B.49, B.53 en B.54) en poging mensensmokkel (telastleggingen E.1, E.2, E.3, E.5, E.6, E.7, E.8, E.11, E.12, E.13, E.14 en E.15) met de onder meer de verzwarende omstandigheid dat het een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een criminele organisatie betreft.
  14. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 28-31) oordeelt het arrest onder meer als volgt: - het staat vast dat het uiteindelijke doel van de criminele organisatie het verwezenlijken van winst was. De slachtoffers moesten een geldsom van minstens tussen 1.000,00 en 5.000,00 euro betalen. Zij werden opgevangen, gehuisvest en begeleid in de verschillende procedures, naargelang hun keuze en financiële middelen. De kosten van zulke acties overstijgen de opbrengst per persoon zeker niet; - de eiser I straalt als hoofd van de criminele organisatie een groot gezag uit op de slachtoffers en medebeklaagden en doet uitschijnen dat zijn hulp tegen betaling noodzakelijk is en enkel via hem kan verlopen (onderdak, bijstand procedure, …). Wanneer slachtoffers niet ingaan op zijn eisen (betalingen of andere) dreigt hij ermee de ‘onontbeerlijke hulp’ stop te zetten, waardoor de kwetsbare slachtoffers hun verblijfsrecht zouden verliezen; - de feiten zijn bewezen op basis van de samenlezing van onder meer volgende bewijselementen: - de gelijkluidende verklaringen van slachtoffers, waarbij er expliciet wordt verwezen naar de verschillende ‘opties’ en de te betalen bedragen en/of hun schijnsamenwoonst of nog dat ‘alles om geld ging’; - de relevante tapgesprekken en chatcommunicaties die gaan over het uitbetalen van hoge commissies voor (het aanbrengen van) nieuwe klanten, de te volgen procedures en de daaraan verbonden kosten, de kosten-afrekeningen, het feit dat ‘niets gratis is’ en steeds een aanbetaling dient te worden gevraagd en het effectief stopzetten van procedures bij het ontbreken van verdere betaling; - de resultaten van het bankonderzoek, waaruit blijkt dat N. via Western Union aanzienlijke bedragen (tussen 1.700,00 en 9.500,00 euro) aan verschillende beklaagden overmaakt; - de vaststelling dat de eiser I geen officiële inkomsten heeft in België en Nederland. Met eigen redenen oordeelt het arrest (p. 38-39) onder meer dat uit teruggevonden documenten en berichten blijkt dat een arbeidscontract met drie loonstroken bijvoorbeeld 500,00 euro kostte, een partnerschap 10.000,00 euro kostte, de vraagprijs voor de procedure asiel 1.450,00 tot 1.500,00 euro bedroeg, de procedure gezinshereniging tussen 3.000,00 en 4.500,00 euro kostte en de procedure partnerschap tussen 4.000,00 en 13.000,00 euro kostte. Er is sprake van verblijfskosten uit (…) (12.000,00 euro voor mannen en 10.000,00 euro voor vrouwen) en buiten (…) (15.000,00 euro voor mannen en 12.500,00 euro voor vrouwen).
  15. Uit die redenen en de redenen die het middel zelf vermeldt, blijkt het oordeel van de appelrechters dat de eiser I handelde met winstoogmerk voor wat betreft alle feiten van mensensmokkel of poging mensensmokkel waaraan zij hem schuldig verklaren, ongeacht of zij bij de bespreking van bepaalde telastleggingen nog bijkomende gegevens in verband met eisers winstoogmerk hebben gepreciseerd. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser I Eerste onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van artikel 375, eerste en tweede lid (oud), Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan de telastlegging F.1 (verkrachting van V.), terwijl het beweerde slachtoffer in haar herverhoor van 19 mei 2021 en in haar getuigenissen onder eed voor de eerste rechter en de appelrechters heeft verklaard vrijwillig seks met de eiser I te hebben gehad; in die omstandigheden kan het arrest niet wettig oordelen dat er sprake is van het constitutieve bestanddeel van dwang.
  17. Het arrest (p. 70-72) vermeldt onder meer: “Het hof (van beroep) is van oordeel dat [V.] in een zeer kwetsbare positie verkeert ingevolge haar precair verblijfsstatuut. Ze tracht onder de dwingende verzoeken tot seks met [de eiser I] onderuit te komen doch geeft soms toe omdat ze niet anders kan. De eerste verklaring van [V.] komt het hof zeer waarachtig over en wordt volledig ondersteund door de enorme hoeveelheid aangetroffen WhatsApp conversaties met [de eiser I] die zeer expliciet zijn in zijn voortdurende dwingende vraag naar onmiddellijke bevrediging van zijn seksuele behoeften. Er is zeker sprake van “dwangseks” gelet op haar precaire positie en zijn dwingende vragen”. Op grond van die redenen kunnen de appelrechters wel degelijk wettig oordelen dat ongeacht de ontkenning van V. in haar latere verklaringen, waaronder deze afgelegd onder eed, zij overeenkomstig haar eerste verklaringen wel degelijk het slachtoffer is geweest van feiten van verkrachting met dwang gepleegd door de eiser I. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet waarom het de getuigenis onder eed van V. buiten beschouwing laat.
  19. Met de redenen aangehaald in het antwoord op het eerste onderdeel vermeldt het arrest waarom enkel de eerste verklaringen van V. geloofwaardig zijn. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Eerste middel van de eisers II en III
  20. De middelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 77bis, eerste lid, Vreemdelingenwet: het arrest verklaart de eisers II en III elk schuldig aan de telastleggingen B.4, B.5, B.7, B.9, B.11, B.14, B.18, B.20, B.24, B.28, B.30, B.31, B.32, B.36, B.40, B.41, B.42, B.43, B.44, B.45, B.49, B.53 en B.54 (mensensmokkel); die schuldigverklaring vereist dat bij de eisers II en III per telastlegging het oogmerk tot het verkrijgen van een vermogensvoordeel is aangetoond; de rechter moet dit motiveren; het louter vermelden van de actieve handelingen of de betrokkenheid van de eisers II en III bij de verschillende telastleggingen is niet voldoende om hen schuldig te verklaren.
  21. Het arrest veroordeelt de eisers II en III als deelnemers in de zin van artikel 66 Strafwetboek aan de feiten van mensensmokkel gepleegd door de eiser I. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 29) oordeelt het in dat verband onder meer als volgt: A/ voor wat betreft de beide eisers II en III: - “De [andere beklaagden dan de eiser I] hebben niet enkel een ongeoorloofde feitelijke toestand aanvaard, ze pleegden zelf ook misdrijven en hadden verschillende taken en een verschillende rol, gaande van rechtstreekse contacten en besprekingen met de slachtoffers, het in ontvangst nemen van de gelden en het storten op de rekening van [E.] Agency, het zoeken, bezichtigen en huren van geschikte panden, het samenstellen van het dossier, de voorbereiding op de interviews bij DVZ en het vervoer naar Brussel of elders te regelen, het opstellen en ondertekenen en aanbrengen van valse arbeidsovereenkomsten, het ter beschikking stellen van voertuigen tot nieuwe slachtoffers te zoeken of aan te brengen. Het dossier heeft aangetoond dat alle beklaagden wetens en willens hebben deelgenomen en/of bijgedragen aan concrete smokkelactiviteiten en het geen sporadische contacten of een toevallige samenwerking betrof. Evenmin kaderen hun handelingen in de begeleiding van de slachtoffers uit menslievendheid, nu vast staat dat er grof geld moest betaald worden. Dat beklaagden niet steeds zelf rechtstreeks betalingen ontvingen van de slachtoffers voor hun contacten, informatie en begeleiding doet aan de strafbare handelingen geen enkele afbreuk. Tot slot wijst de rechtbank erop dat, zelfs indien bepaalde beklaagden zelf geen vermogensvoordeel ontvingen, de leiders alleszins geld verdienden door de deelname van de medebeklaagden aan de smokkelactiviteiten.” B/ Voor wat betreft de eiser II (p. 32-33) -“Uit het strafdossier blijkt dat [de eiser II] lid is van de criminele organisatie die zich bezig hield met het smokkelen van personen uit (…). (…) Zijn betrokkenheid, het verlenen van hand- en spandiensten, bestond erin dat: - hij op vraag van [de eiser I] (minstens één van) de schijnkoppels voorbereidt op hun interview met de bevoegde instanties; hij overloopt met hen de vragen; - hij verantwoordelijk is voor het maken van de foto’s van de koppels als bewijs van hun duurzame relatie; hij ontvangt hiervoor eveneens een vergoeding; dat dit geënsceneerde valse foto’s zijn volgt onder meer uit de vaststelling dat de foto’s steeds dezelfde datumaanduiding hebben en er steeds, bij verschillende koppels, gebruik wordt gemaakt van dezelfde poses en locaties; tevens vervalst hij digitale communicatie; - hij nieuwe klanten aanbrengt; - hij wordt benoemd als ‘beheerder’ van de woningen gelegen in de [E.]straat 61 en ook toegang heeft tot deze woningen; - hij contact neemt met advocaten met betrekking tot de procedures.” C/ Voor wat betreft de eiser III (p. 32-33): -“Uit het strafdossier blijkt duidelijk dat [de eiser III] lid was van de criminele organisatie en actief meewerkte aan de mensensmokkelactiviteiten. (…). Uit het dossier blijkt dat: - hij op de hoogte was van de clandestiene activiteiten van de organisatie; - hij fysiek aanwezig is op kantoor en de klanten onthaalt en hen te woord staat; hij geeft (mits navraag bij broer [de eiser I]) instructies aan de andere aanwezige personeelsleden; - hij klanten aanbrengt, gelden ontvangt en kwitanties uitschrijft; - hij contacten onderhoudt met de slachtoffers inzake hun proces, verblijfskaart of inschrijving ([de eiser I] benoemt dit ook als een taak die hij aan [de eiser III] uitbesteedt).”
  22. Met eigen redenen oordeelt het arrest (p. 40-41) bovendien: “De schuldigverklaring van een mededader in de zin van artikel 66 Strafwetboek aan een misdrijf vereist dat hij weet dat hij door het stellen van positieve daden deelneemt aan dit misdrijf en ook het opzet heeft om aldus tot de verwezenlijking van dit misdrijf bij te dragen. De schuldigverklaring van een mededader aan een misdrijf vereist niet dat alle bestanddelen van het misdrijf in de deelnemingshandelingen begrepen zijn. Een schuldigverklaring van een mededader aan het misdrijf mensensmokkel vereist dat de mededader weet dat hij door zijn positieve handelingen bijdraagt aan een op het verkrijgen van een vermogensvoordeel gerichte smokkel, zonder dat moet vaststaan dat hijzelf het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel heeft beoogd of een dergelijk voordeel heeft verkregen.”
  23. Met die redenen zijn de beslissingen tot schuldigverklaring van de eisers II en III aan de in het middel vermelde telastleggingen regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord, zonder dat het arrest met betrekking tot enige van die telastleggingen het winstoogmerk van die eisers dient vast te stellen. De middelen kunnen niet worden aangenomen. Tweede middel van de eisers II en III
  24. De middelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eisers II en III schuldig aan de telastleggingen B.4, B.5, B.7, B.9, B.11, B.14, B.18, B.20, B.24, B.28, B.30, B.31, B.32, B.36, B.40 tot B.45, B.49, B.53, B.54, E.1, E.2, E.5 tot E.8 en E.11 tot E.15; het vermeldt louter dat de eisers II en III hand- en spandiensten voor de organisatie hebben verricht en daartoe overleg hebben gepleegd met hun broer, zonder per telastlegging te specificeren welke diensten zij zouden hebben geleverd; bovendien verklaart het arrest de eisers II en III schuldig aan de telastlegging E.8 (poging mensensmokkel) zonder deze feiten te verduidelijken, zoals het dat bij alle andere telastleggingen wel doet.
  25. Het arrest oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het eerste middel van de eisers II en III, alsook, met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 32-33), dat de feiten ten aanzien van de eisers II en III bewezen zijn op basis van de samenlezing van volgende bewijselementen: de resultaten van de woonstcontroles door de politiediensten, de analyse van de dossiers van DVZ, de gelijkluidende verklaringen van slachtoffers, de resultaten van het retroactief telefonieonderzoek, de relevante tapgesprekken en chatcommunicaties, de verklaringen van medebeklaagden, de resultaten van de huiszoekingen, de brief van 26 mei 2021 van M. aan een aantal slachtoffers onmiddellijk na de arrestatie van de beklaagden, waarin wordt aangestuurd op het afleggen van nieuwe verklaringen, de resultaten van het bankonderzoek waaruit blijkt dat M. via Western Union aanzienlijke bedragen aan verschillende beklaagden overmaakt, de onduidelijkheid over de legale inkomsten van de eisers II en III en de verklaringen van die eisers. Voor wat betreft de eiser II worden daaraan nog toegevoegd: de materiële vaststellingen van de politiediensten en het gebrek aan positieve zakelijke cijfers inzake E. Agency sinds
  26. Aldus specificeert het arrest de diensten die de eisers II en III als mededaders aan de organisatie hebben geleverd en zijn de beslissingen regelmatig met redenen omkleed, zonder dat het arrest voor het overige per telastlegging dient te herhalen welke specifieke diensten de eisers II en III telkens hebben geleverd.
  27. Het arrest verklaart de eisers II en III in de bewoordingen van de strafwet schuldig aan de telastlegging E.8, omschreven als poging mensensmokkel gepleegd ten nadele van A., met de verzwarende omstandigheden bepaald in de artikelen 77quater, eerste lid, 2°, en 77quinquies, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet. Met de hiervoor vermelde redenen motiveert het arrest bovendien waarin het bewezen verklaarde mededaderschap van de eisers II en III bestaat. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet het arrest niet de specifieke gedragingen van de eisers II en III in het kader van de telastlegging E.8 beschrijven.
  28. De middelen kunnen niet worden aangenomen. Derde middel van de eisers II en III
  29. De middelen voeren schending aan van artikel 6.3.b EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging: aan de eisers II en III werd geen mogelijkheid geboden om via het neerleggen van een eigen verklaring bij de politie hun versie in te brengen via een verhoor; eigen verklaringen van de eisers II en III werden niet weerlegd in de motivering van het beroepen vonnis en het arrest; er konden bovendien geen slachtoffers van mensensmokkel worden teruggevonden en die konden hierover dus niet worden ondervraagd; er is geen onafhankelijk en objectief onderzoek gevoerd door de onderzoeksrechter en het openbaar ministerie; de eisers II en III mochten van de politiediensten en de onderzoekers hun eigen verhaal en ervaring niet in het verhoor laten opnemen; dit diende via de onderzoeksrechter te gebeuren en werd niet in het debat ten gronde gebracht en daarover werd niet gemotiveerd.
  30. In zoverre de middelen niet opkomen tegen het arrest, maar tegen de houding van de onderzoeksrechter, het openbaar ministerie en de politie, alsmede tegen het gerechtelijk onderzoek en het beroepen vonnis, zijn ze niet ontvankelijk.
  31. In zoverre de middelen aanvoeren dat het arrest de verklaringen van de eisers II en III niet weerlegt, zonder die verklaringen te specificeren, zijn zij onduidelijk en bijgevolg evenmin ontvankelijk.
  32. Voor het overige verplichten de middelen tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en zijn zij eveneens niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiseres IV
  33. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.b EVRM, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest motiveert de schuldigverklaring van de eiseres IV onder meer door te verwijzen naar de gevoerde communicaties op basis van de uitlezing van gsm-toestellen, voornamelijk deze van de eiser I; gedurende de procedure werd veelvuldig verzocht inzage te kunnen nemen van het desbetreffende gsm-toestel, hetgeen steeds werd geweigerd of niet mogelijk is gebleken; aldus werd aan de eiseres IV, zoals aan de andere beklaagden, de mogelijkheid ontzegd om bewijsmateriaal à charge van enige kritiek te voorzien; een beklaagde moet voor de rechtszitting de gelegenheid krijgen om in beginsel het volledig dossier in te zien en kennis te nemen van alle stukken; door te oordelen dat de feiten bewezen zijn en de eiseres IV te veroordelen miskent het arrest het recht van verdediging van de eiseres IV.
  34. De eiseres IV heeft geen hoedanigheid om op te komen voor het recht van verdediging van medebeklaagden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  35. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel van de eiser I en kan het om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres IV
  36. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 77bis, eerste lid, Vreemdelingenwet: het arrest motiveert niet waarom het de eiseres IV schuldig verklaart aan de haar ten laste gelegde feiten van mensensmokkel en poging mensensmokkel die het bewezen verklaart; het arrest vermeldt noch beantwoordt het verweer van de eiseres IV dat zij mocht uitgaan van het legale karakter van haar activiteiten als werkneemster van E. Agency.
  37. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 29 en 34) verklaart het arrest de eiseres IV schuldig aan de vermelde feiten en leidt het haar schuld af uit het feit dat zij als zakelijke rechterhand van de eiser I zeer actief betrokken was bij de smokkelactiviteiten, waarbij haar rol onder meer bestond in: - haar verantwoordelijkheid voor de valse contracten in de eerste jaren en haar betrokkenheid bij de opmaak van valse loonstroken en contracten; - het voeren, al dan niet samen met de eiser I, van gesprekken met klanten, waarbij het proces van de klanten zowel praktisch als financieel wordt besproken; zij is aanwezig wanneer betalingen worden uitgevoerd; - het onderhouden van contacten met klanten, waar zij door de eiser I wordt gezien als verantwoordelijke voor hun proces; - het bijhouden van financiële overzichten van de klanten, met vermeldingen van de afgesproken bedragen en afbetalingen inzake hun proces. Zulke documenten werden bij verschillende huiszoekingen teruggevonden; - de verantwoordelijkheid voor de begeleiding van de slachtoffers en hun “verwanten” ten aanzien van de administratieve gemeentelijke diensten om hun inschrijving te verzorgen en documenten in te dienen en op te halen. Zij is eveneens verantwoordelijk voor de contacten met de wijkagent; - de verantwoordelijkheid voor het verzamelen van de nodige documenten en bewijsstukken inzake het dossier van de slachtoffers en het doorsturen van deze stukken naar de bevoegde instanties zoals DVZ; - de contactname, in naam van de slachtoffers en hun “verwanten”, met de officiële instanties zoals Dienst Schijnrelaties en Stedelijk Contactcentrum Antwerpen; - de verantwoordelijkheid voor bijkomende administratieve taken, zoals het sluiten van verplichte ziekteverzekeringen voor de slachtoffers en hun verwanten, bankrekeningen, het zoeken van een school voor de kinderen, het aanvragen of afsluiten van gsm-nummers en het sluiten of opzeggen van energiecontracten op naam van de slachtoffers; - het in opdracht van de eiser I contact opnemen met de advocaten en het maken van afspraken en bijhouden van de financiële administratie; - het voortdurend zoeken naar woningen, het leggen van contacten, het plannen van bezoeken en samen met M. het financieel beheren van de huurwoningen; - het verschaffen van onderdak aan de slachtoffers via onderverhuur van panden gehuurd op haar naam. Aldus vermeldt en beantwoordt het arrest het verweer van de eiseres IV en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  38. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 513,19 euro, waarvan de eisers I, II en III elk 123,35 euro zijn verschuldigd en de eiseres IV 143,14 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 5 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.