← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.10 Rolnummer: P.23.0791.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-09 Raadplegingen: 406 - laatst gezien 2026-06-16 13:50 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 162, laatste zin, Wetboek van Strafvordering en artikel 4, § 3, Wet Bijdrage Juridische Tweedelijnsbijstand volgt dat indien een beklaagde aanvoert dat hij juridische tweedelijnsbijstand geniet, de rechter hem slechts kan veroordelen tot betaling van de bijdrage als bedoeld door artikel 4, § 3, Wet Bijdrage Juridische Tweedelijnsbijstand indien hij vaststelt dat de in die bepaling opgenomen vrijstellingsregeling niet van toepassing is. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 162, laatste zin - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Thesaurus CAS: RECHTSBIJSTAND Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 162, laatste zin - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4, § 3 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0791.N S. J.-C. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nathalie Buisseret, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 april 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest laat na te antwoorden op eisers verweer dat gelet op een periode van één jaar inactiviteit bij de behandeling van de zaak in hoger beroep zijn recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn is miskend; er ligt een jaar tussen het beroepen vonnis en de vaststelling van de zaak voor het appelgerecht en nogmaals twee maanden en een half vooraleer het arrest is gewezen; het is niet duidelijk of de appelrechters bij de bepaling van de strafmaat met de overschrijding van de redelijke termijn hebben rekening gehouden; het arrest dat geen verklaring verstrekt voor een dergelijk tijdsverloop en er bij de bepaling van de strafmaat geen rekening mee houdt, is niet naar recht verantwoord. 2. De eiser heeft in zijn appelconclusie (randnr. 41) onder de rubriek strafmaat aangevoerd dat “rekening (dient) te worden gehouden met het gegeven dat er reeds een redelijke termijn, minstens een periode van inactiviteit van meer dan 1 jaar, is overschreden”, waarbij werd verwezen naar een periode van inactiviteit tussen de behandeling van de zaak in eerste aanleg en de vaststelling voor het appelgerecht. Het arrest beantwoordt dit verweer niet. Het middel is in zoverre gegrond. Derde middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 162 en 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (hierna Wet Bijdrage Juridische Tweedelijnsbijstand): het arrest veroordeelt de eiser tot betaling van een bijdrage aan het Begrotingsfonds Juridische Tweedelijnsbijstand, niettegenstaande de eiser heeft aangevoerd dat hij in het kader van de appelprocedure zelf genoot van de juridische tweedelijnsbijstand. 4. Volgens artikel 162, laatste zin, Wetboek van Strafvordering dat volgens artikel 211 van dat wetboek ook van toepassing is op de hoven van beroep, bepaalt het vonnis de kosten en omvatten die kosten de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 3, Wet Bijdrage Juridische Tweedelijnsbijstand. 5. Artikel 4, § 3, Wet Bijdrage Juridische Tweedelijnsbijstand bepaalt dat iedere door een strafgerecht veroordeelde beklaagde wordt veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Fonds, behalve indien hij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet of indien de rechter oordeelt dat hij zich op het vlak van zijn bestaansmiddelen in een situatie bevindt waarbij hij een beroep zou kunnen doen op juridische tweedelijnsbijstand of op rechtsbijstand. 6. Uit deze bepalingen volgt dat indien een beklaagde aanvoert dat hij juridische tweedelijnsbijstand geniet, de rechter hem slechts kan veroordelen tot betaling van de bijdrage als bedoeld door artikel 4, § 3, Wet Bijdrage Juridische Tweedelijnsbijstand indien hij vaststelt dat de in die bepaling opgenomen vrijstellingsregeling niet van toepassing is. 7. De eiser heeft in zijn appelconclusie (randnr. 39) aangevoerd dat hij geniet van de juridische tweedelijnsbijstand. Het arrest kan dan ook de eiser niet veroordelen tot de betaling van de bijdrage als bedoeld door artikel 4, § 3, Wet Bijdrage Juridische Tweedelijnsbijstand, zonder die aanvoering te verwerpen. Het middel is gegrond. Overige grieven 8. De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie 9. De onwettigheid van de beslissing betreffende de aangevoerde overschrijding van de redelijke termijn leidt tot de vernietiging van de beslissing over de aan de eiser opgelegde straffen met inbegrip van eisers veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Ambtshalve onderzoek voor het overige 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt: - tot straffen met inbegrip van de veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds; - tot betaling van de bijdrage als bedoeld door artikel 4, § 3, Wet Bijdrage Juridische Tweedelijnsbijstand. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 213,40 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 5 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.10 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250204.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.