← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr.

22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1bis - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr.

22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1bis - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Fiches 3 - 4 Uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat volgens artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de hoven van beroep, volgt dat de rechter de beslissing tot het opleggen van de facultatieve straffen van het bestuurdersverbod en het ondernemersverbod en de maat ervan nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn ; uit die bepalingen volgt evenwel niet dat de rechter de keuze van zowel het bestuurdersverbod als het ondernemersverbod en de maat ervan steeds afzonderlijk moet motiveren; de rechter kan ter verantwoording van de keuze voor die beide verboden en de maat ervan eenzelfde motivering hanteren

(1).
(1)Cass. 30 mei 2023, AR P.23.0483.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.13, AC 2023, nr. 389. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr.

22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1bis - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211- 30 ELI link Pub nr 1808111701 KB nr.

22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1934102450 KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen - 22 - 24-10-1934 - Art. 1bis - 01 ELI link Pub nr 1934102450 Fiches 5 - 7 De appelrechter moet enkel de door hem opgelegde straffen motiveren; hij moet niet motiveren waarom hij anders straft dan de eerste rechter

(1).
(1)Cass. 5 juni 2012, AR P.11.2100.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.5, AC 2012, nr. 363; Cass. 21 okt. 2008, AR P.08.0915.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081021.7, AC 2008, nr. 570. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 195

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 211

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 9 Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet vermelden waarom hij geen verzachtende omstandigheden aanneemt. Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 85 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 85 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.22.1067.N T. L. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 juni

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest spreekt de eiser vrij voor de feiten omschreven onder de telastleggingen A1, A2, C, E1, E2, E3, I en N. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel
  3. De onderdelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van een beklaagde of zijn raadsman. Het eerste onderdeel voert aan dat het arrest niet motiveert waarom de veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf van één jaar en een geldboete van 8.000,00 euro niet volstaat om de eiser het ontoelaatbare van zijn wederrechtelijk gedrag te doen inzien, hem tot blijvend normbesef te brengen en recidive te voorkomen, zodat ook nog de facultatieve straffen van een bestuurdersverbod en een ondernemersverbod moeten worden opgelegd. Het tweede onderdeel voert aan dat het arrest niet motiveert waarom het opleggen van zowel het bestuurdersverbod als het ondernemersverbod noodzakelijk is om de eiser de ernst van de door hem gepleegde feiten te doen inzien, recidive te vermijden en het handelsverkeer te beschermen en waarom het bevelen van één van die beide verboden niet kan volstaan om die doeleinden te bereiken; aldus is het opleggen van deze straffen niet of minstens niet nauwkeurig gemotiveerd. Het derde onderdeel voert aan dat het arrest niet motiveert waarom zowel het bestuurdersverbod als het ondernemersverbod worden opgelegd voor de maximale termijn van tien jaar en waarom geen verzachtende omstandigheden worden aangenomen; aldus zijn die straffen niet of minstens niet nauwkeurig naar recht verantwoord. Het vierde onderdeel voert aan dat het arrest niet het in de appelconclusie van de eiser gevoerde verweer beantwoordt betreffende het door de eerste rechter opgelegde bestuurdersverbod voor een termijn van tien jaar en het door het openbaar ministerie gevorderde ondernemersverbod en de gevolgen daarvan voor zijn kansen op de arbeidsmarkt. Het vijfde onderdeel voert aan dat het arrest geen bijzondere redenen vermeldt om aan te tonen dat het door de eerste rechter opgelegde bestuurdersverbod van 10 jaar onvoldoende was en daarnaast ook een ondernemersverbod voor de maximale duur van tien jaar noodzakelijk is; het verhogen door het appelgerecht van de door de eerste rechter opgelegde straf vraagt om bijzondere redenen waaruit blijkt dat die straf onvoldoende is; de in hoger beroep opgelegde straf is niet naar recht verantwoord.
  4. Een algemene verplichting is geen wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek. In zoverre de onderdelen miskenning aanvoeren van een dergelijke verplichting, falen ze naar recht.
  5. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of het ter realisering van de doeleinden van de straftoemeting noodzakelijk is om een veroordeelde het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde bestuurdersverbod en het door artikel 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde ondernemersverbod op te leggen voor de door hem bepaalde duur.
  6. Het loutere feit dat het bestuurdersverbod en het ondernemersverbod een impact kunnen hebben op de kansen van een veroordeelde op de arbeidsmarkt belet de rechter niet ze toch op te leggen.
  7. Uit artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat volgens artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de hoven van beroep, volgt dat de rechter de beslissing tot het opleggen van de facultatieve straffen van het bestuurdersverbod en het ondernemersverbod en de maat ervan nauwkeurig moet motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
  8. Uit die bepalingen volgt evenwel niet dat de rechter de keuze van zowel het bestuurdersverbod als het ondernemersverbod en de maat ervan steeds afzonderlijk moet motiveren. De rechter kan ter verantwoording van de keuze voor die beide verboden en de maat ervan eenzelfde motivering hanteren.
  9. De appelrechter moet enkel de door hem opgelegde straffen motiveren. Hij moet niet motiveren waarom hij anders straft dan de eerste rechter.
  10. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet vermelden waarom hij geen verzachtende omstandigheden aanneemt.
  11. In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  12. Het arrest (p. 37) verantwoordt het opleggen aan de eiser van het bestuurders- en ondernemersverbod als volgt: “Zoals hierboven reeds gezegd is [de eiser] een onbetrouwbare deelnemer aan het economisch verkeer/handelsverkeer en heeft hij een oneerlijke ingesteldheid. Gelet op de oneerlijke ingesteldheid van [de eiser] en ter vrijwaring van de economische orde en teneinde [de eiser] het inzicht bij te brengen dat hij de regelgeving rigoureus moet naleven dringt zich bij toepassing van de artikelen 1g) en 1bis van het KB nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, een beroepsverbod op voor een termijn van telkens tien jaar. Deze beroepsverboden zijn absoluut noodzakelijk om [de eiser] tot inzicht te brengen van de ernst van de door hem gepleegde feiten, om recidive te vermijden en het handelsverkeer te beschermen.” Aldus motiveert het arrest op nauwkeurige wijze de keuze voor het opleggen van zowel het bestuurdersverbod als het ondernemersverbod én de keuze voor telkens de maximale termijn van tien jaar en beantwoordt en verwerpt dit het door de eiser in zijn appelconclusie op dit punt gevoerde verweer. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 186,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 5 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081021.7 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120605.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230530.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.