← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 203

, § 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen - 25-07-1893 - Art. 1, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Fiches 2 - 3 Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel; die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast

(1).
(1)Cass. 12 oktober 2021, AR P.21.0937.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10, AC 2021, nr. 635; Cass. 3 mei 2017, AR P.17.0145.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.4, AC 2017, nr. 305, met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas.; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0087.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5, AC 2017, nr. 263; Cass. 28 februari 2017, AR P.16.1177.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5, AC 2017, nr. 141, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 4 Met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, beoogt de wetgever een doelmatigere behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermijden van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan het appelgerecht en ten slotte de tegenpartijen en het appelgerecht in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst; die verplichting, alsook de duidelijk in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grieven schriftelijk in te dienen zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep in de kern niet aan; de loutere omstandigheid dat een gedetineerde beklaagde zelf het hoger beroep instelt, laat niet toe anders te oordelen
(1).
(1)Cass. 15 maart 2022, AR P.21.1649.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6, AC 2022, nr. 194; Cass. 12 oktober 2021, AR P.21.0937.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10, AC 2021, nr. 635. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Uit artikel 6.1 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toegang tot de rechter en op een daadwerkelijk rechtsmiddel, volgt dat het appelgerecht een vervallenverklaring van het hoger beroep enkel mag uitspreken indien het redelijkerwijze kan aannemen dat een gedetineerde beklaagde, die zelf hoger beroep heeft ingesteld door het afleggen van een verklaring aan de gevangenisdirecteur of zijn afgevaardigde, op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om tijdig een grievenschrift in te dienen; indien de gedetineerde beklaagde op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep of tijdens de in artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn wordt bijgestaan door een raadsman, kan er redelijkerwijze worden aangenomen dat die raadsman hem ter zake heeft voorgelicht; uit artikel 6.1 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toegang tot de rechter en op een daadwerkelijk rechtsmiddel volgt voor de overheid in de regel niet de verplichting om een beklaagde die tijdens de procedure in eerste aanleg werd bijgestaan door een raadsman en die kennis heeft gekregen van de beroepen beslissing, alle vormvereisten voor het hoger beroep tegen die beslissing, waaronder de voorgeschreven verplichting om tijdig nauwkeurig bepaalde grieven in te dienen, ter kennis te brengen of toe te lichten; dat geldt ook voor de griffie van de gevangenis die aan de gedetineerde beklaagde een in te vullen grievenformulier ter beschikking stelt

(1).
(1)Cass. 31 mei 2022, AR P.22.0182.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.3, AC 2022, nr. 387; Cass. 15 maart 2022, AR P.21.1649.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6, AC 2022, nr. 194; Cass. 18 januari 2022, P.21.1294.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.1, AC 2022, nr. 39, met concl. OM, T. Strafr. 2022, 101. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 203

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 203

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 7 De appelrechter kan op het enkel hoger beroep van een beklaagde geen door artikel 210 Wetboek van Strafvordering bedoelde grieven ambtshalve aanvoeren indien hij dit hoger beroep op grond van artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervallen verklaart

(1).
(1)Cass. 3 maart 2020, AR P.19.1171.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.4, AC 2022, nr. 159; Cass. 17 november 2017, AR P.17.0892.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.7, AC 2017, nr. 620; S. VAN OVERBEKE, Grievenstelsel en hoger beroep in strafzaken, Kluwer, 2022, 191. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 210

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 9 Het appelgerecht oordeelt onaantastbaar op grond van de concrete gegevens van de zaak of de gedetineerde beklaagde op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om tijdig een grievenschrift in te dienen; het Hof gaat wel na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 204- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.0549.N M. B., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Johan Vermeersch, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 203 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht op hoger beroep en het recht van toegang tot de rechter: het arrest verklaart eisers hoger beroep ten onrechte vervallen omdat hij niet tijdig een grievenformulier heeft ingediend; het kan die sanctie enkel toepassen indien er kan worden aangenomen dat de gedetineerde eiser, die zelf hoger beroep heeft ingesteld op de griffie van de gevangenis, op de hoogte kon zijn van de verplichting om tijdig een grievenformulier in te dienen; uit de omstandigheid dat de eiser bij het instellen van zijn hoger beroep een nog in te vullen grievenformulier heeft ontvangen noch uit de omstandigheid dat hij de vereisten voor het instellen van het rechtsmiddel vooraf heeft besproken met zijn raadsman, kan worden afgeleid dat hij van de verplichte grievenopgave binnen dezelfde beroepstermijn op de hoogte was; uit het feit dat de eiser zelf hoger beroep heeft ingesteld in de gevangenis en uit het feit dat na de beroepstermijn alsnog een grievenformulier werd ingediend, kan daarentegen wel worden afgeleid dat de eiser toegang wilde tot de rechter in hoger beroep; het arrest dat anders oordeelt, geeft blijk van overdreven formalisme en laat evenmin toe dat ambtshalve nog grieven van openbare orde worden opgeworpen.
  3. Op grond van artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervalt het recht van hoger beroep van een beklaagde indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan uiterlijk dertig dagen na de uitspraak van een op tegenspraak gewezen vonnis. Artikel 204 van dat wetboek bepaalt dat een beklaagde, op straffe van verval van het hoger beroep, binnen dezelfde termijn ook een grievenschrift moet indienen, dat nauwkeurig de tegen het vonnis ingebrachte grieven bevat. Volgens artikel 1, eerste lid, van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aantekening van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen kunnen in de gevangenis opgesloten personen de verklaringen van hoger beroep in strafzaken en de verzoekschriften waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, doen aan de directeur van de instelling of zijn gemachtigde.
  4. Uit die bepalingen volgt dat het appelgerecht, behoudens overmacht, in beginsel verplicht is om het hoger beroep van een gedetineerde beklaagde die heeft nagelaten tijdig een grievenschrift in te dienen, vervallen te verklaren.
  5. Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lidstaten niet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaarden, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke verantwoording bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechtsmiddel in de kern wordt aangetast.
  6. Met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, beoogt de wetgever een doelmatigere behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermijden van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan het appelgerecht en ten slotte de tegenpartijen en het appelgerecht in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appellant de hervorming wenst. Die verplichting, alsook de duidelijk in artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grieven schriftelijk in te dienen zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een redelijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep in de kern niet aan. De loutere omstandigheid dat een gedetineerde beklaagde zelf het hoger beroep instelt, laat niet toe anders te oordelen.
  7. Uit artikel 6.1 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toegang tot de rechter en op een daadwerkelijk rechtsmiddel, volgt dat het appelgerecht een vervallenverklaring van het hoger beroep enkel mag uitspreken indien het redelijkerwijze kan aannemen dat een gedetineerde beklaagde, die zelf hoger beroep heeft ingesteld door het afleggen van een verklaring aan de gevangenisdirecteur of zijn afgevaardigde, op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om tijdig een grievenschrift in te dienen.
  8. Indien de gedetineerde beklaagde op het ogenblik van het instellen van het hoger beroep of tijdens de in artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn wordt bijgestaan door een raadsman, kan er redelijkerwijze worden aangenomen dat die raadsman hem ter zake heeft voorgelicht.
  9. Uit artikel 6.1 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toegang tot de rechter en op een daadwerkelijk rechtsmiddel volgt voor de overheid in de regel niet de verplichting om een beklaagde die tijdens de procedure in eerste aanleg werd bijgestaan door een raadsman en die kennis heeft gekregen van de beroepen beslissing, alle vormvereisten voor het hoger beroep tegen die beslissing, waaronder de voorgeschreven verplichting om tijdig nauwkeurig bepaalde grieven in te dienen, ter kennis te brengen of toe te lichten. Dat geldt ook voor de griffie van de gevangenis die aan de gedetineerde beklaagde een in te vullen grievenformulier ter beschikking stelt.
  10. De appelrechter kan op het enkel hoger beroep van een beklaagde geen door artikel 210 Wetboek van Strafvordering bedoelde grieven ambtshalve aanvoeren indien hij dit hoger beroep op grond van artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vervallen verklaart.
  11. Het appelgerecht oordeelt onaantastbaar op grond van de concrete gegevens van de zaak of de gedetineerde beklaagde op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om tijdig een grievenschrift in te dienen. Het Hof gaat wel na of dat gerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  13. Het arrest oordeelt dat: - de eiser op 19 december 2022 tegen het beroepen vonnis van 9 december 2022 een verklaring van hoger beroep heeft gedaan op de griffie van de gevangenis te (…); - deze verklaring van hoger beroep tijdig was, alsook regelmatig naar de vorm; - de eiser bij het instellen van hoger beroep op de voormelde griffie een grievenformulier heeft ontvangen, waarvoor hij tekende voor ontvangst; - deze ontvangstbevestiging vermeldt dat aan de eiser werd meegedeeld dat het grievenformulier uiterlijk dertig dagen na de uitspraak van het beroepen vonnis moet worden ingediend; - de eiser ter rechtszitting heeft bevestigd dat hij steeds bijstand heeft gehad van dezelfde advocaat, zodat die bijstand er ook was tijdens de termijn waarbinnen het grievenformulier had moeten zijn ingediend; - er redelijkerwijze kan worden vanuit gegaan dat dezelfde advocaat met de eiser het beroepen vonnis en de beroepsmogelijkheid daartoe heeft besproken of dat daar minstens de mogelijkheid toe bestond; - het feit dat het op de griffie van de gevangenis overhandigde grievenformulier en de ontvangstbevestiging daarvan in het Nederlands zijn opgesteld, zonder relevantie is; - door de ononderbroken bijstand van zijn advocaat de eiser redelijkerwijze op de hoogte was of kon zijn van de verplichting om een grievenformulier in te dienen; - het indienen van het grievenformulier buiten de wettelijk bepaalde termijn redelijkerwijze niet als overmacht kan worden aanvaard.
  14. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser op de hoogte was van de verplichting om bij het instellen van hoger beroep tijdig een grievenschrift in te dienen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 5 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170228.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170503.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171107.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.14 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220118.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220315.2N.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220531.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.