id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.4 Rolnummer: P.23.0556.N Zaak: K. contra M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-09 Raadplegingen: 557 - laatst gezien 2026-06-18 18:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Geen enkele internationale bepaling verplicht de rechter ertoe om een beklaagde over wiens schuld hij twijfelt wegens het onvoldoende vaststaan van de feiten, te veroordelen
(1)Over het beginsel dat twijfel in het voordeel speelt van de beklaagde (in dubio pro reo) Cass. 7 december 2022, AR P.22.1052.F ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221207.2F.3, AC 2022, nr. 801; Cass. 28 maart 2012, AR P.11.0202.F, AC 2012, nr. 200, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; B. DEJEMEPPE, “La présomption d'innocence entre réalité et fiction”, in Liber amicorum Paul Martens. L'humanisme dans la résolution des conflits. Utopie ou réalité?, Larcier, 2007, 17-40; P. DUINSLAEGER, “Het vermoeden van onschuld” (deel 1), RW 2017-18, 643-663; M.-A BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 24-30; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2022, 767-771; F. KUTY, Justice pénale et droits de l'homme, Vol.2, Larcier, 2023, 1722-1723 en 1818-
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 326 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 326 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0556.N E. K., burgerlijke partij, eiser, met als raadslieden mr. Dimitri de Béco en mr. Dries Paternot, advocaten bij de balie Brussel, tegen J. E. B. M., beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering. Eerste onderdeel Het onderdeel voert aan dat het arrest met het oordeel: “De verklaring van [de eiser] is coherent en geloofwaardig, maar ze vermeldt weinig controleerbare gegevens en bevat een aantal ongerijmdheden (bijv. i.v.m. de Mercedes cabriolet of de elektrische poort). Het onderzoek levert geen doorslaggevend steunbewijs op”, niet of minstens niet adequaat antwoordt op eisers appelconclusie waarin de schuld van de verweerder uitvoerig is uiteengezet; evenmin preciseert het arrest de vermelde ongerijmdheden of beantwoordt het eisers appelconclusie daarover; aldus laat het arrest de eiser niet toe de beslissing te begrijpen; het arrest is ook tegenstrijdig gemotiveerd waar het oordeelt dat eisers verklaring enerzijds geloofwaardig en coherent is en ze anderzijds een aantal ongerijmdheden bevat.
- Uit artikel 6 EVRM volgt voor de strafrechter de verplichting om een duidelijk antwoord te geven op een aanvoering die of een verweer dat beslissend is voor de beoordeling van de zaak, zonder dat van de rechter wordt verwacht dat hij op elk argument van een partij een gedetailleerd antwoord verstrekt. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat een partij in een conclusie ter ondersteuning van haar verweer aanwendt, maar dat zelf geen zelfstanding verweer uitmaakt. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- De verweerder wordt vervolgd voor feiten van verkrachting (telastlegging A) en aanranding van de eerbaarheid, thans aantasting van de seksuele integriteit (telastlegging B), gepleegd als gezaghebbende persoon ten aanzien van de eiser, te (…) op een niet nader te bepalen tijdstip in de periode van 1 juli 1997 tot 31 augustus
- Het arrest (p. 10-29) verhaalt de verklaringen die de partijen en getuigen hebben afgelegd. Het (p. 30-31) leidt uit die verklaringen en de overige feitelijke vaststellingen die het bevat af dat de schuld van de verweerder aan de telastleggingen A en B onvoldoende bewezen voorkomt. Het steunt daarbij op de volgende redenen: de eiser verklaart dat hij in de zomervakantie van 1997 alleen is blijven slapen in de woning van de verweerder te (…), en bij die gelegenheid seksueel werd misbruikt door de verweerder. De verweerder stelt echter dat de eiser nooit alleen bij hem is blijven overnachten, laat staan dat er ooit seksuele handelingen zouden zijn gesteld; de verklaring van de eiser is coherent en geloofwaardig, maar ze vermeldt weinig controleerbare gegevens en bevat een aantal ongerijmdheden (bijvoorbeeld in verband met de Mercedes cabriolet of de elektrische poort van de woning). Het onderzoek leverde geen doorslaggevend steunbewijs op; daartegenover staat dat ook de uitleg van de verweerder in se coherent en geloofwaardig is, terwijl het onderzoek geen elementen oplevert die zijn verweer objectief weerleggen; weliswaar beweren zowel een broer als de vader van de eiser dat de eiser en die broer bij de verweerder hebben verbleven, maar zij bevestigen niet dat de eiser ook alleen bij de verweerder heeft overnacht. Daarenboven blijkt uit het onderzoek dat de verweerder ten tijde van de feiten woonde te (…) en in het pand aan huisnummer (…) verbouwingswerken uitvoerde. Zelfs indien overnachting in huisnummer (…), ondanks de verbouwingen, mogelijk was, toch waren de omstandigheden alleszins niet comfortabel. Het is onduidelijk waarom de verweerder daar zou overnachten, laat staan met een elfjarige jongen; de eiser beweert verder dat ook zijn vermelde broer door de verweerder seksueel zou zijn misbruikt, maar deze broer zelf wenst dit in zijn verhoor niet te bevestigen. Verder houdt de vader van de eiser voor dat een andere van zijn zonen door de verweerder anaal zou zijn verkracht, maar ook hiervan verschaft het strafdossier geen enkele bevestiging; de vermelde broer van de eiser beweert dat de verweerder zich ten aanzien van anderen zeer opdringerig of handtastelijk gedroeg, maar dat blijkt dan weer niet uit de andere verhoren van getuigen. Zelfs de vader van de eiser heeft nooit iets abnormaal gemerkt aan het gedrag of de omgang van de verweerder; - de bewijslast van een feit ten laste van een beklaagde ligt bij de vervolgende partij. De beklaagde moet zijn onschuld niet bewijzen. De verklaring van de eiser staat diametraal tegenover de verklaring van de verweerder. Er zijn onvoldoende objectieve elementen die toelaten de ene verklaring te verkiezen boven de andere; - daarbij komt dat de feiten intussen dateren van 1997, zijnde meer dan 25 jaar geleden, zodat herinneringen aan betrouwbaarheid hebben ingeboet en eventueel tegenbewijs moeilijker te leveren valt. Kort na de feiten had het onderzoek met meer zekerheid kunnen uitmaken of de eiser, al dan niet met zijn broer, is blijven overnachten in de woning van de verweerder, minstens wanneer dit zou zijn voorgevallen; het tijdsverloop mag niet tot gevolg hebben dat de verweerder in een zwakkere (bewijs)positie terechtkomt, noch mogen uit het ontbreken van bepaalde bewijselementen gevolgtrekkingen worden afgeleid in het nadeel van de beklaagde [verweerder]; het vermoeden van onschuld is een algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de vervolgende partij of de burgerlijke partij het bewijs moet leveren van het misdrijf (actori incumbit probatio; artikel 6.2 EVRM en 14.2 IVBPR). In geval van twijfel over de schuld geldt deze twijfel in het voordeel van de verweerder; de feiten van de telastleggingen A en B zijn niet bewezen op grond van twijfel. Eensdeels sluiten de redenen van het arrest dat de verklaringen van de eiser geloofwaardig en coherent zijn, maar dat die verklaringen zekere ongerijmdheden bevatten en onvoldoende overtuigend zijn om tot de schuld van de verweerder te besluiten, elkaar binnen de context van de voormelde motivering niet uit, noch heffen zij elkaar op. Die redenen zijn bijgevolg niet tegenstrijdig. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Anderdeels preciseren de appelrechters met de vermelde redenen, die zij in de plaats stellen van eisers andersluidende aanvoeringen, waarom zij twijfelen aan de schuld van de verweerder. Met het geheel van die redenen beantwoorden de appelrechters eisers verweer op een adequate wijze en laten zij de eiser en de samenleving toe de beslissing te begrijpen. Daartoe dienden de appelrechters niet tot in het detail in te gaan op elke aanvoering van de eiser, noch dienden zij nog bijkomend de onderliggende feitelijke elementen te specificeren waaruit zij bepaalde ongerijmdheden in eisers verklaringen hebben afgeleid. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel Het onderdeel voert aan dat het arrest tegenstrijdig is gemotiveerd door te oordelen, enerzijds, dat de verweerder ondanks het tijdsverloop sinds de feiten wel degelijk in de mogelijkheid was om zijn verdediging te voeren en, anderzijds, dat het tijdsverloop sedert de feiten eventueel tegenbewijs bemoeilijkt. De redenen, eensdeels, dat het tijdsverloop sinds de feiten het de verweerder niet definitief onmogelijk maakt zijn recht van verdediging nog uit te oefenen en, anderdeels, dat dit tijdsverloop bijdraagt tot een bewijsproblematiek die niet in het nadeel van de verweerder mag worden beslecht, heffen elkaar niet op, noch sluiten zij elkaar uit. Die redenen zijn bijgevolg niet tegenstrijdig. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel Het onderdeel voert aan dat het arrest tegenstrijdig is gemotiveerd; het arrest oordeelt: “Kort na de feiten had het onderzoek met meer zekerheid kunnen uitmaken of [de eiser], al dan niet met zijn broer, is blijven overnachten in de woning van [de verweerder], minstens wanneer dit zou zijn voorgevallen”; het spreekt dat oordeel echter manifest tegen met de reden: “Weliswaar beweren zowel [eisers broer E. als eisers vader] dat [de eiser] en zijn broer [E.] bij [de verweerder] hebben verbleven, zij bevestigen niet dat [de eiser] ook alleen bij [de verweerder] heeft overnacht.”; met die laatste reden leidt het arrest uit de getuigenverklaringen immers af dat de eiser zeker bij de verweerder heeft overnacht, maar dat het alleen niet duidelijk is of dat alleen dan wel samen met zijn broer gebeurde. Met de laatst aangehaalde reden oordeelt het arrest (p. 30-31) niet dat het vaststaat dat de eiser bij de verweerder heeft overnacht. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek. Eerste onderdeel Het onderdeel voert aan dat het arrest de bewijskracht van de processen-verbaal (…), (…), (…) en (…) miskent; het arrest oordeelt: “Daarenboven blijkt uit het onderzoek dat [de verweerder] ten tijde van de feiten woonde te (…) en in het pand aan huisnummer (…) verbouwingswerken uitvoerde. Zelfs indien overnachting in huisnummer (…), ondanks de verbouwingen, mogelijk was, toch waren de omstandigheden alleszins niet comfortabel. Het is onduidelijk waarom [de verweerder] daar zou overnachten, laat staan met een elfjarige jongen”; “het onderzoek” waarvan sprake kan enkel slaan op de voormelde processen-verbaal; daarin bevestigen meerdere getuigen dat de verweerder wel degelijk woonachtig was op het adres te (…) terwijl daar verbouwingswerken aan de gang waren. Het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel Het onderdeel voert aan dat het arrest, met het oordeel dat de verklaring van eiser “weinig controleerbare gegevens” bevat, de bewijskracht van de verklaringen van de eiser en van de processen-verbaal (…), (…), (…), (…), (…) en (…) miskent; de gegevens over de woning waar de feiten plaatsvonden en de verbouwingswerken konden immers wel degelijk worden gecontroleerd en werden tevens door het onderzoek bevestigd. Het arrest geeft geen uitlegging van de verklaringen van de eiser, maar het beoordeelt enkel de bewijswaarde van die verklaringen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 34 Kinderrechtenverdrag en artikel 33 van het verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, ondertekend te Lanzarote op 25 oktober 2007: het arrest oordeelt: “Daarbij komt dat de feiten intussen dateren van 1997, zijnde meer dan 25 jaar geleden, zodat herinneringen aan betrouwbaarheid hebben ingeboet en eventueel tegenbewijs moeilijker te leveren valt. Kort na de feiten had het onderzoek met meer zekerheid kunnen uitmaken of [de eiser], al dan niet met zijn broer, is blijven overnachten in de woning van [de verweerder], minstens wanneer dit zou zijn voorgevallen. Het tijdsverloop mag niet tot gevolg hebben dat [de verweerder] in een zwakkere (bewijs)positie terechtkomt, noch mag uit het ontbreken van bepaalde bewijselementen gevolgtrekkingen genomen worden in het nadeel van [de verweerder]”; wanneer zoals hier de verklaring van een slachtoffer als “nauwkeurig en coherent” wordt beschouwd en wordt bevestigd door de gegevens van het onderzoek, terwijl de verklaringen van de beklaagde worden weerlegd, kan het niet de bedoeling zijn dat los van elke andere overweging de beklaagde wordt vrijgesproken uitsluitend omdat het tijdsverloop sinds de feiten hem niet de mogelijkheid biedt om bepaalde tegenbewijzen te leveren en dit niet in zijn nadeel mag spelen; de facto komt het arrest erop neer te zeggen dat het bewijs van seksueel misbruik op minderjarigen nooit kan worden geleverd omwille van het tijdsverloop sinds de feiten, terwijl dat tijdsverloop inherent is aan dit soort misdrijven en, in de veronderstelling dat een beklaagde effectief schuldig is, dit tijdsverloop het rechtstreeks gevolg is van het feit dat hij ervoor koos om zich aan een kind te vergrijpen. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, eerste onderdeel, spreekt het arrest de verweerder niet louter vrij wegens het tijdsverloop sinds de feiten. Het weegt integendeel de feiten die het vaststelt, in het bijzonder de verklaringen van de partijen, die het beide een zekere coherentie en geloofwaardigheid toedicht, en de verklaringen van de getuigen onderling af en het vergelijkt die verklaringen met de overige door het onderzoek opgeleverde gegevens. Het besluit dat de gegevens waarover het aldus beschikt onvoldoende duidelijk zijn om de verweerder te veroordelen voor de hem ten laste gelegde feiten en het wijt dit gedeeltelijk aan de vaagheden en onbetrouwbaarheden die zijn ontstaan door het tijdsverloop sinds de feiten. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. Voor het overige verplicht geen enkele internationale bepaling de rechter ertoe om een beklaagde over wiens schuld hij twijfelt wegens het onvoldoende vaststaan van de feiten, te veroordelen. Het speelt daarbij geen rol dat die twijfel mee in de hand is gewerkt door het tijdsverloop sedert de feiten of dat de verklaringen van het slachtoffer een zekere coherentie en geloofwaardigheid hebben, dan wel worden ondersteund door zekere dossierelementen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 156,61 euro, waarvan 121,61 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 5 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230905.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221207.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div