id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 2230
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 2268
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 2279
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens Wettelijke bepalingen: oud
Art. 2230
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 2268
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 oud
Art. 2279
- 30 ELI link Pub nr 1804032150 Burgerlijk Wetboek - Boek 8: Bewijs - 13-04-2019 - Art. 8.4 - 29 ELI link Pub nr 2019A12168 Fiche 3 Een kennelijk onredelijke situatie in de zin van artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, veronderstelt niet noodzakelijk dat een partij procesrechtsmisbruik begaat
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 4 De rechter kan de proceshouding van een partij in de zaak zelf of in andere gedingen in overweging nemen bij de beoordeling van het criterium van de kennelijk onredelijke situatie
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.21.0421.N
- H.V.,
- W.V.,
- W.L.,
- D.L., eisers, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
- 3D DIAMONDS nv, met zetel te 2018 Antwerpen, Schupstraat 20, bus 20, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0471.812.948,
- A.V.L.,
- E.V.L.,
- M.V.L,
- J.V.L.,
- G.P., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 10 juni
- Advocaat-generaal Els Herregodts heeft op 1 augustus 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede middel (…) Derde onderdeel
- Artikel 2279 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, bepaalt dat, met betrekking tot roerende goederen, het bezit geldt als titel. Krachtens artikel 2230 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, wordt men steeds geacht voor zichzelf, en als eigenaar, te bezitten. In een geschil tussen de huidige bezitter van een lichamelijk roerend goed en de bezitter die hem onmiddellijk voorafging of diens rechthebbenden, vormt het bezit een weerlegbaar vermoeden van titel in het voordeel van de bezitter die te goeder trouw is.
- Krachtens artikel 2268 Oud Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing, wordt goede trouw steeds vermoed en moet hij die zich op kwade trouw beroept, die bewijzen.
- Overeenkomstig artikel 8.4 Burgerlijk Wetboek, dient hij die beweert dat een bezit niet te goeder trouw of gebrekkig is, die bewering te bewijzen.
- Hoewel het gezag van het rechterlijk gewijsde als onweerlegbaar vermoeden betrekkelijk is in die zin dat het slechts tussen de partijen kan worden ingeroepen, belet het niet dat de rechterlijke beslissing, bij gebrek aan een geslaagd derdenverzet, bewijswaarde heeft ten aanzien van derden als weerlegbaar vermoeden.
- Weerlegbare vermoedens houden een omkering in van de bewijslast. Het tegenbewijs is toegelaten met alle middelen van recht.
- Hieruit volgt dat de rechter, op grond van een feitelijke beoordeling, kan besluiten dat het vermoeden van titel dat voormelde artikelen 2279 en 2230 Oud Burgerlijk Wetboek creëren in het voordeel van de bezitter te goeder trouw wordt weerlegd aan de hand van het vermoeden dat voortvloeit uit een andersluidende rechterlijke beslissing. Het onderdeel dat in zijn geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. (…) Derde middel
- Krachtens artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door hem, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de rechtsplegingsvergoeding verminderen, ofwel die verhogen ten opzichte van het basisbedrag, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen, de complexiteit van de zaak, de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij en het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.
- Een kennelijk onredelijke situatie in de zin van voormelde bepaling veronderstelt niet noodzakelijk dat een partij procesrechtsmisbruik begaat. In zoverre het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht.
- De proceshouding van een partij in de zaak zelf of in andere gedingen zijn elementen die de rechter in overweging kan nemen bij de beoordeling van het criterium van de kennelijk onredelijke situatie in de zin van voormelde bepaling. In zoverre het middel ervan uitgaat dat het kennelijk onredelijk karakter van de situatie in de zin van voormelde bepaling uitsluitend mag worden beoordeeld in het licht van de procedure die aanleiding geeft tot de toekenning van de rechtsplegingsvergoeding, faalt het naar recht.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare feitelijke beoordeling door de rechter van het kennelijk onredelijke karakter van de situatie in de zin van voormelde bepaling en is het in zoverre niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 1.167,90 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Maxime Marchandise, Sven Mosselmans en Myriam Ghyselen, en in openbare rechtszitting van 7 september 2023 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230907.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230907.1N.7 geciteerd door: ECLI:BE:COHSAV:2024:ORD.20240221.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div