← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.12 Rolnummer: P.23.1134.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 409 - laatst gezien 2026-06-18 22:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Volgens artikel 10 Interneringswet kan ingeval van internering, indien de geïnterneerde niet of niet meer aangehouden is, de rechter de onmiddellijke opsluiting van de betrokkene bevelen indien te vrezen is dat hij zich aan de uitvoering van de veiligheidsmaatregel zou trachten te onttrekken of indien te vrezen is dat hij een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de fysieke of psychische integriteit van derden of voor hemzelf zou vormen en die beslissing moet nader aangeven welke omstandigheden die vrees wettigen; eens de beslissing tot internering definitief is, beslist de kamer voor bescherming van de maatschappij als gespecialiseerd en multidisciplinair rechtscollege volgens de in de Interneringswet bepaalde procedures op korte termijn en vervolgens periodiek over de wijze van tenuitvoerlegging van de interneringsbeslissing en zij kan beslissen tot plaatsing van de geïnterneerde, in voorkomend geval gepaard gaande met uitgaansvergunningen, verlof of beperkte detentie, tot de toekenning van elektronisch toezicht, tot de toekenning van invrijheidstelling op proef, tot de toekenning van een vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en tot de definitieve invrijheidstelling, mits daartoe voldaan is aan de wettelijk bepaalde voorwaarden, zodat een interneringsbeslissing zelf niet noodzakelijk een vrijheidsberoving van een geïnterneerde impliceert

(1).
(1)Cass. 24 november 2020, AR P.20.0881.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.5, AC 2020, nr. 718. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 10 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 10 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiches 3 - 5 Indien hij tegen wie een interneringsmaatregel wordt gevorderd, aanvoert dat minder verregaande beschermingsmaatregelen kunnen volstaan ter bescherming van het individueel of publiek belang, dan moet de rechter dit verweer beantwoorden; de rechter oordeelt onaantastbaar of die minder verregaande beschermingsmaatregelen kunnen volstaan ter bescherming van het individueel of publiek belang maar de rechter dient rekening te houden met de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van minder verregaande beschermingsmaatregelen. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Tekst van de beslissing Nr. P.23.1134.N K. E. N., beklaagde, aangehouden om andere redenen, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 12 juli 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt op niet pertinente wijze het uitgebreide verweer van de eiser dat zijn internering niet noodzakelijk is; de wetgever zag de interneringsmaatregel als een ultieme beveiligingsmaatregel; de interneringsbeslissing dient steeds bijkomend vast te stellen dat er geen mogelijkheid is om bijkomend een beroep te doen op een minder ingrijpende maatregel die volstaat om tegemoet te komen aan de bescherming van de fysieke of psychische integriteit van derden; die voorwaarde vloeit voort uit het EVRM; het oordeel dat het interneringsstatuut de beste garantie biedt en dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij de aangewezen instantie is, is nietszeggend en toont de noodzaak van de interneringsmaatregel niet aan; de eiser heeft een alternatief juridisch zorgkader voorgesteld dat in de lijn ligt van het door de deskundige geschetste ambulante traject, maar het arrest laat na om op basis van concrete elementen de afwijzing daarvan te motiveren. 2. Artikel 5.1 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op persoonlijke vrijheid en veiligheid en dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg:
  1. e)in het geval van een rechtmatige gevangenhouding van geesteszieken. Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is. 3. Uit deze verdragsbepalingen volgt dat: - de vrijheidsberoving van een geesteszieke slechts rechtmatig is, indien (
  2. a)uit een objectieve en medische expertise blijkt dat de betrokkene is getroffen door een reële en voortdurende mentale stoornis, (
  3. b)die stoornis van aard is dat zij de vrijheidsberoving rechtvaardigt en (
  4. c)de vrijheidsberoving niet langer duurt dan noodzakelijk is; - bij de voormelde beoordeling niet alleen strikt medische elementen een rol spelen, maar ook het gevaar dat de betrokkene vormt voor de samenleving; - de vrijheidsberoving van een geesteszieke slechts gerechtvaardigd is indien blijkt dat andere minder ernstige maatregelen in overweging zijn genomen en ontoereikend zijn bevonden om het individueel of publiek belang te beschermen. 4. De internering is volgens artikel 2, eerste lid, Interneringswet een veiligheidsmaatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Volgens artikel 2, tweede lid, Interneringswet zal rekening houdend met het veiligheidsrisico en de gezondheid van de geïnterneerde hem de nodige zorg worden aangeboden om een menswaardig leven te leiden, waarbij die zorg is gericht op een maximaal haalbare vorm van maatschappelijke re-integratie en verloopt waar aangewezen en mogelijk via een zorgtraject waarin aan de geïnterneerde persoon telkens zorg op maat wordt aangeboden. 5. De rechter kan volgens artikel 9 Interneringswet slechts beslissen tot internering, na de uitvoering van een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of de actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek, voor zover (
  5. a)de betrokkene misdaden of wanbedrijven heeft gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten of bedreigen, (
  6. b)de betrokkene op het ogenblik van die beslissing lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvorming of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast en (
  7. c)het gevaar bestaat dat hij als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw de voormelde misdaden of wanbedrijven zal plegen. Aan die voorwaarden moet cumulatief zijn voldaan. 6. Volgens artikel 10 Interneringswet kan ingeval van internering, indien de geïnterneerde niet of niet meer aangehouden is, de rechter de onmiddellijke opsluiting van de betrokkene bevelen indien te vrezen is dat hij zich aan de uitvoering van de veiligheidsmaatregel zou trachten te onttrekken of indien te vrezen is dat hij een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de fysieke of psychische integriteit van derden of voor hemzelf zou vormen. Die beslissing moet nader aangeven welke omstandigheden die vrees wettigen. 7. Eens de beslissing tot internering definitief is, beslist de kamer voor bescherming van de maatschappij als gespecialiseerd en multidisciplinair rechtscollege volgens de in de Interneringswet bepaalde procedures op korte termijn en vervolgens periodiek over de wijze van tenuitvoerlegging van de interneringsbeslissing. Die kamer kan beslissen tot plaatsing van de geïnterneerde, in voorkomend geval gepaard gaande met uitgaansvergunningen, verlof of beperkte detentie, tot de toekenning van elektronisch toezicht, tot de toekenning van invrijheidstelling op proef, tot de toekenning van een vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en tot de definitieve invrijheidstelling, mits daartoe voldaan is aan de wettelijk bepaalde voorwaarden. 8. Uit het voorgaande volgt dat een interneringsbeslissing zelf niet noodzakelijk een vrijheidsberoving van een geïnterneerde impliceert. 9. Indien hij tegen wie een interneringsmaatregel wordt gevorderd, aanvoert dat minder verregaande beschermingsmaatregelen kunnen volstaan ter bescherming van het individueel of publiek belang, dan moet de rechter dit verweer beantwoorden. 10. De rechter oordeelt onaantastbaar of die minder verregaande beschermingsmaatregelen kunnen volstaan ter bescherming van het individueel of publiek belang. 11. De rechter dient rekening te houden met de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van minder verregaande beschermingsmaatregelen. 12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 13. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - uit het deskundigenverslag blijkt dat de eiser als minderjarige psychiatrische opnames heeft gehad in het OPZC Geel, in het algemeen ziekenhuis Middelheim Antwerpen en in de instelling De Branding te Melle en dat hij als meerderjarige nog niet in psychiatrische behandeling is geweest; - de deskundige maakt melding van een psychotische stoornis, afhankelijkheid en misbruik van cannabis en een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken; - de deskundige besluit dat de voorwaarden voor internering vervuld zijn en dat een psychiatrische behandeling met het oog op de re-integratie in de maatschappij aangewezen is, die op het ogenblik van het psychiatrisch deskundigenonderzoek nog op ambulante wijze kan worden uitgewerkt, mits er voldoende aandacht is voor de forensisch-psychiatrische aspecten van de psychiatrische pathologie van de eiser en deze voldoende intensief is en er wordt voorzien in een residentiële opname bij crisissituaties; - er moet worden vastgesteld dat de eiser repetitief agressief gedrag heeft gesteld en ook meermaals een baseball bat of mes bij zich had in een ruime tijdspanne van ongeveer anderhalf jaar, zodat moet worden aangenomen dat de eiser de reële gevaren voor de psychische gezondheid en levenskwaliteit van de slachtoffers volkomen heeft genegeerd; - de bevindingen van de deskundige worden bijgetreden, behoudens wat betreft de voorgestelde behandeling: er is wel degelijk de noodzaak aan een geïnstitutionaliseerde opvolging van het psychisch welzijn van de eiser, waartoe de kamer voor de bescherming van de maatschappij de aangewezen instantie is en het interneringsstatuut de beste garantie biedt, niet alleen voor de maatschappij maar vooral voor de eiser zelf; - het loutere feit dat het strafregister van de eiser toelaat nog alternatieve minder ingrijpende strafmaatregelen op te leggen, is niet van aard om de appelrechters tot een andere overtuiging te brengen. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het arrest eisers aanvoering dat minder verregaande beschermingsmaatregelen en met name probatie-opschorting, een autonome probatiestraf, probatie-uitstel en een toekomstige toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, kunnen volstaan ter bescherming van het individueel of publiek belang. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 14. In zoverre het middel formeel een motiveringsgebrek aanvoert, maar in werkelijkheid opkomt tegen het onaantastbaar oordeel van de appelrechters dat de door eiser voorgestelde beschermingsmaatregelen niet kunnen volstaan ter bescherming van het individueel of publiek belang, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke opsluiting 16. Door de hierna uit te spreken verwerping van eisers cassatieberoep, verkrijgt de interneringsbeslissing kracht van gewijsde. In zoverre het cassatieberoep ook gericht is tegen de beslissing tot onmiddellijke opsluiting, heeft eisers cassatieberoep geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 12 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.12 Gerelateerde publicatie(
  8. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201124.2N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241029.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.