← België

E. contra V.

Obsah (6)Art. 228Art. 229Art. 230Art. 231Art. 235Art. 55

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 228

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 229

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 230

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 231

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 228

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 229

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 230

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 231

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 228

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 229

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 230

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 231

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 7 Artikel 55, eerste lid, Wetboek van Strafvordering definieert het gerechtelijk onderzoek als het geheel van de handelingen die ertoe strekken de daders van misdrijven op te sporen, de bewijzen te verzamelen en de maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken uitspraak te doen, maar er bestaat geen verplichting om in het kader van een gerechtelijk onderzoek handelingen te stellen of te bevelen die niet beantwoorden aan deze finaliteit; evenmin verplichten de artikelen 6 en 13 EVRM de kamer van inbeschuldigingstelling om onderzoekshandelingen te bevelen die deze kamer niet nodig acht omdat zij van oordeel is dat de haar overgelegde stukken volstaan om met de vereiste kennis van zaken de rechtspleging te kunnen regelen en noch het feit dat die stukken niet zijn opgeleverd door het gerechtelijk onderzoek of het voorwerp hebben uitgemaakt van onderzoek, noch het feit dat de onderzoeksrechter geen onderzoekshandelingen heeft gesteld, doet afbreuk aan het desbetreffend onaantastbare oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 55

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 55

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 55

, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek

Art. 55, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.0471.N Y. E. B., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Martelaarslaan 134, waar de eiser woonplaats kiest, tegen M. V. L., inverdenkinggestelde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM en de artikelen 70 en 127 Wetboek van Strafvordering: het arrest dat de klacht met burgerlijkepartijstelling van de eiser ontvankelijk verklaart, kan niet wettig oordelen dat de raadkamer tot onmiddellijke afsluiting van het onderzoek kon overgaan zonder dat de onderzoeksrechter enige onderzoekshandeling heeft gesteld; het arrest oordeelt ten onrechte dat de onderzoeksrechter heeft beslist dat geen verdere onderzoekshandelingen op nuttige wijze kunnen geschieden; een dergelijke beslissing volgt niet uit de enkele mededeling van het dossier door de onderzoeksrechter aan het openbaar ministerie op grond van artikel 70 Wetboek van Strafvordering; die beslissing vereist dat de onderzoeksrechter een beschikking tot mededeling neemt en het dossier overeenkomstig artikel 127 Wetboek van Strafvordering overmaakt aan het openbaar ministerie opdat dit de regeling van de rechtspleging kan vorderen; bovendien rust er een positieve verplichting op de Staat om de door de eiser aangeklaagde valsheid van de processen-verbaal te onderzoeken, aangezien de uitkomst van dat onderzoek consequenties heeft voor de uitkomst in de zaken voor het vonnisgerecht waarin dit proces-verbaal wordt aangewend en een gebrek aan onderzoek bovendien ertoe leidt dat eisers klacht met burgerlijkepartijstelling geen effectief rechtsmiddel uitmaakt.
  3. Op grond van de gegevens vervat in het dossier van het gerechtelijk onderzoek, waarin de onderzoeksrechter geen onderzoekshandelingen heeft gesteld maar waarin zich een schriftelijke toelichting van de federale procureur bevindt, heeft de raadkamer overeenkomstig de vordering van de procureur des Konings beslist dat de klacht met burgerlijkepartijstelling van de eiser van meet af aan niet ontvankelijk was omdat het relaas zoals omschreven in die klacht geen misdrijf oplevert. Het arrest hervormt die beschikking. Het verklaart eisers klacht met burgerlijkepartijstelling wel ontvankelijk, maar stelt de verweerder buiten vervolging wegens het bestaan van onvoldoende bezwaar voor de valsheidsmisdrijven waarvoor de eiser nog de verwijzing van de verweerder naar de vonnisrechter vraagt en het ontlast de onderzoeksrechter van verder onderzoek naar onbekende daders.
  4. Op grond van artikel 228, 1°, Wetboek van Strafvordering kan de kamer van inbeschuldigingstelling ter gelegenheid van de regeling van de rechtspleging nieuwe onderzoekshandelingen bevelen. Overeenkomstig artikel 235 Wetboek van Strafvordering kan de kamer van inbeschuldigingstelling, zolang zij niet beslist heeft of de inbeschuldigingstelling dient te worden uitgesproken, om het even of de eerste rechters al dan niet een onderzoek hebben ingesteld, in alle zaken ambtshalve vervolgingen gelasten, zich de stukken doen overleggen, de zaak onderzoeken of doen onderzoeken en daarna beschikken zoals het behoort. Artikel 229 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, indien de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel is dat er tegen de inverdenkinggestelde geen voldoende bezwaren bestaan, zij verklaart dat er geen reden is tot vervolging. De artikelen 230 en 231 Wetboek van Strafvordering regelen de verwijzing van de inverdenkinggestelde door de kamer van inbeschuldigingstelling naar de politierechtbank, de correctionele rechtbank en het hof van assisen.
  5. Met toepassing van die bepalingen heeft de kamer van inbeschuldigingstelling de meest ruime bevoegdheden om de rechtspleging te regelen, om te oordelen of het gerechtelijk onderzoek nog onderzoekshandelingen vereist met het oog op de regeling van de rechtspleging en om die onderzoekshandelingen zo nodig te bevelen. Bijgevolg kan de eiser niet gegriefd zijn door het oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de raadkamer wettig kon beslissen tot de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek zonder dat de onderzoeksrechter enige onderzoekshandeling heeft gesteld. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  6. Artikel 55, eerste lid, Wetboek van Strafvordering definieert het gerechtelijk onderzoek als het geheel van de handelingen die ertoe strekken de daders van misdrijven op te sporen, de bewijzen te verzamelen en de maatregelen te nemen die de rechtscolleges in staat moeten stellen met kennis van zaken uitspraak te doen. Er bestaat geen verplichting om in het kader van een gerechtelijk onderzoek handelingen te stellen of te bevelen die niet beantwoorden aan deze finaliteit.
  7. Evenmin verplichten de artikelen 6 en 13 EVRM de kamer van inbeschuldigingstelling om onderzoekshandelingen te bevelen die deze kamer niet nodig acht omdat zij van oordeel is dat de haar overgelegde stukken volstaan om met de vereiste kennis van zaken de rechtspleging te kunnen regelen. Noch het feit dat die stukken niet zijn opgeleverd door het gerechtelijk onderzoek of het voorwerp hebben uitgemaakt van onderzoek, noch het feit dat de onderzoeksrechter geen onderzoekshandelingen heeft gesteld, doet afbreuk aan het desbetreffend onaantastbare oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling.
  8. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  9. Het arrest oordeelt niet dat de door de eiser aangeklaagde feiten geen onderzoek vereisen, maar enkel dat gelet op de reeds beschikbare informatie onderzoek verder niet nodig is. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM: het arrest oordeelt dat er onvoldoende bezwaren bestaan om de verweerder naar het vonnisgerecht te verwijzen en ontlast de onderzoeksrechter van verder onderzoek naar onbekenden; het stelt echter vast dat de onderzoeksrechter geen enkele onderzoekshandeling heeft gesteld en het oordeelt dat dit ook niet nodig is omdat de federale procureur de nodige toelichting heeft gegeven over de totstandkoming van de betwiste processen-verbaal; aldus wordt de positieve verplichting tot het verrichten van onderzoek miskend; zo wordt de vermelde toelichting immers niet onderzocht terwijl het arrest niet met zekerheid vaststelt dat die toelichting allesomvattend is; ook oordeelt het arrest dat er bij de verweerder geen bedrieglijk opzet aanwezig is, terwijl de verweerder niet eens is ondervraagd en die conclusie louter wordt afgeleid uit de vermelde toelichting; het arrest kan dan ook niet oordelen dat de artikelen 6 en 13 EVRM niet zijn geschonden.
  11. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, kan het om de daar vermelde redenen niet worden aangenomen.
  12. Uit de redenen van het arrest blijkt geen twijfel bij de appelrechters over de volledigheid of accuraatheid van de toelichting van de federale procureur. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  13. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel door de kamer van inbeschuldigingstelling over het nut of de noodzaak om in het licht van de voorliggende informatie nog onderzoekshandelingen te bevelen teneinde de rechtspleging met kennis van zaken te kunnen regelen. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 193, 194, 195, 196 en 197 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het arrest kan op grond van de redenen die het vermeldt, namelijk het niet aangetoond zijn van de constitutieve bestanddelen van het eventueel bedrieglijk opzet bij de verweerder of zijn doel om zichzelf een onrechtmatig voordeel te verschaffen, niet wettig besluiten tot het bestaan van onvoldoende bezwaren voor het bestaan van de misdrijven valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken; de appelrechters stellen immers vast dat de verweerder twee versies van eenzelfde proces-verbaal heeft opgesteld, zodat er een waarheidsvermomming is; dat de doelstelling van de ontwerpversie van het proces-verbaal legitiem voorkomt, sluit de valsheid niet uit aangezien drijfveer niet mag worden verward met opzet; dat het Europees onderzoeksbevel uiteindelijk werd ingehouden, sluit het bestaan van een potentieel nadeel niet uit; het bedrieglijk opzet is erin gelegen dat men zich een onrechtmatig voordeel wou verschaffen door het opstellen van het Europees onderzoeksbevel te willen versnellen; de appelrechters oordelen dat de verweerder zichzelf geen onrechtmatig voordeel wou verschaffen, maar stellen niets vast over het verschaffen van een onrechtmatig voordeel aan een andere persoon.
  15. Onder bezwaren die de verwijzing van een inverdenkinggestelde naar het vonnisgerecht verantwoorden, worden de gegevens verstaan die, nadat ze op het einde van het gerechtelijk onderzoek zijn verzameld en getoetst, voldoende ernstig blijken zodat een veroordeling door het vonnisgerecht waarschijnlijk lijkt. Het onderzoeksgerecht kan het gebrek aan bezwaren afleiden uit de vaststelling dat één of meerdere van de bestanddelen van het aan een inverdenkinggestelde verweten misdrijf ontbreekt.
  16. Met de redenen die het arrest (p. 9-10) vermeldt en waaruit het besluit: “Recapitulerend en concluderend wordt gesteld dat [de verweerder] inderdaad twee versies van een zelfde proces-verbaal heeft opgesteld, meer bepaald eerst een ontwerpversie om te gebruiken bij de opstelling van een Europees onderzoeksbevel dat echter ingehouden is geworden. Twee dagen later heeft hij dat ontwerp in een definitieve vorm gegoten en gefinaliseerd na er nog iets meer informatie aan toe te voegen. Die beide processen-verbaal werden opgesteld op concrete vraag van de onderzoeksrechter en werden ook overgemaakt aan de onderzoeksrechter. Daarna heeft [de verweerder] geen daden van gebruik meer gesteld” verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing tot buitenvervolgingstelling van de verweerder bij gebrek aan bezwaren omdat bij hem onvoldoende een bedrieglijk opzet is vastgesteld. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,31 euro, waarvan 52,31 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 12 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230912.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.