← België

V. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.12 Rolnummer: P.23.0829.N Zaak: V. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 596 - laatst gezien 2026-06-19 00:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Volgens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn; die bepaling strekt ertoe te vermijden dat een beklaagde te lang in onzekerheid leeft over het lot van de tegen hem ingestelde strafvervolging; aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn is het tijdstip waarop een persoon het voorwerp uitmaakt van een beschuldiging, dit is het ogenblik dat hij in verdenking is gesteld of door kennisname van enige andere daad van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek onder de dreiging leeft van een strafvervolging, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen de beschuldiging

(1); indien een strafvervolging tegen een beklaagde meerdere gedurende een zekere tijdsperiode gepleegde misdrijven tot voorwerp heeft, waarvan de rechter aanneemt dat ze werden gepleegd met eenzelfde misdadig opzet, vangt de redelijke termijn aan op het ogenblik waarop de beklaagde voor één of meerdere van die misdrijven wordt beschuldigd
(2); hoewel de rechter bij de beoordeling van de redelijkheid van het tijdsverloop het gegeven dat een beklaagde gedurende een zekere tijdsperiode meerdere misdrijven heeft gepleegd in aanmerking kan nemen als een element dat de strafvervolging complex of complexer maakt of als een gedraging van de beklaagde die de voortgang van de vervolging beïnvloedt, verzet artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zich ertegen dat in een dergelijk geval de rechter aanneemt dat de redelijke termijn slechts een aanvang neemt op het einde van de incriminatieperiode van één of meer van de bewezen verklaarde misdrijven en dit ongeacht het tijdstip waarop de beklaagde voor één of voor meerdere van de misdrijven werd beschuldigd
(3).
(1)Cass. 17 november 2020, AR P.20.0884.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.4, AC 2020, nr. 704, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS, RW 2021-22, 1189; Cass. 13 februari 2018, AR P.17.0610.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180213.3, AC 2018, nr. 96; Cass. 23 mei 2017, AR P.17.0186.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.3, AC 2017, nr. 347, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, NC 2017, 562 noot J. MEESE; Cass. 12 januari 2016, AR P.15.0514.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160112.2, AC 2016, nr. 22; EHRM 27 november 2007, Hamer t/België, RABG 2008, 419 noot F. VAN VOLSEM; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 51-52.
(2)Cass. 13 februari 2018, AR P.17.0610.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180213.3, AC 2018, nr. 96; Cass. 23 mei 2017, AR P.17.0186.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.3, AC 2017, nr. 347, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, NC 2017, 562 noot J. MEESE.
(3)Cass. 13 februari 2018, AR P.17.0610.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180213.3, AC 2018, nr. 96; Cass. 23 mei 2017, AR P.17.0186.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.3, AC 2017, nr. 347, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, NC 2017, 562 noot J. MEESE. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0829.N B. C. E. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Louise Scholliers, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 24 april
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest kan niet oordelen dat de redelijke termijn in deze zaak niet is overschreden; het beginpunt van de redelijke termijn is het ogenblik waarop de beklaagde weet dat hij zich moet verdedigen; het eindpunt is het tijdstip waarop de strafvervolging definitief is beslecht; met betrekking tot de feiten omschreven onder de telastleggingen A, B en F heeft het onderzoek volledig stilgelegen tussen 27 mei 2019 en 23 september 2019; er zijn bovendien meer dan veertien maanden verstreken tussen de laatste relevante onderzoeksdaad en de eerste rechtszitting in eerste aanleg; wat betreft de feiten omschreven onder de telastleggingen C en D, met een relatief beperkte complexiteit, verliepen er meer dan twintig maanden tussen de laatste onderzoeksdaad en de inleiding voor de eerste rechter; verder zijn er meer dan veertien maanden verstreken tussen het instellen van hoger beroep en de eerste rechtszitting in hoger beroep; de loutere verwijzing naar het aantal partijen en naar de procedureverrichtingen kunnen dergelijk lange periodes van inactiviteit niet verantwoorden; bovendien werd in hoger beroep het arrest maar uitgesproken tweeëntwintig maanden na het instellen van het hoger beroep.
  3. Volgens artikel 6.1 EVRM heeft eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Die bepaling strekt ertoe te vermijden dat een beklaagde te lang in onzekerheid leeft over het lot van de tegen hem ingestelde strafvervolging.
  4. Aanvangspunt voor de berekening van de redelijke termijn is het tijdstip waarop een persoon het voorwerp uitmaakt van een beschuldiging, dit is het ogenblik dat hij in verdenking is gesteld of door kennisname van enige andere daad van het opsporings- of gerechtelijk onderzoek onder de dreiging leeft van een strafvervolging, waardoor hij verplicht is bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen tegen de beschuldiging.
  5. Indien een strafvervolging tegen een beklaagde meerdere gedurende een zekere tijdsperiode gepleegde misdrijven tot voorwerp heeft, waarvan de rechter aanneemt dat ze werden gepleegd met eenzelfde misdadig opzet, vangt de redelijke termijn aan op het ogenblik waarop de beklaagde voor één of meerdere van die misdrijven wordt beschuldigd.
  6. Hoewel de rechter bij de beoordeling van de redelijkheid van het tijdsverloop het gegeven dat een beklaagde gedurende een zekere tijdsperiode meerdere misdrijven heeft gepleegd in aanmerking kan nemen als een element dat de strafvervolging complex of complexer maakt of als een gedraging van de beklaagde die de voortgang van de vervolging beïnvloedt, verzet artikel 6.1 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zich ertegen dat in een dergelijk geval de rechter aanneemt dat de redelijke termijn slechts een aanvang neemt op het einde van de incriminatieperiode van één of meer van de bewezen verklaarde misdrijven en dit ongeacht het tijdstip waarop de beklaagde voor één of voor meerdere van de misdrijven werd beschuldigd.
  7. Het arrest neemt aan dat de feiten omschreven onder de telastleggingen A1 (op 12 juni 2017 en van 17 augustus 2017 tot 15 april 2020), A2 (op 7 september 2017 en van 7 september 2017 tot 15 april 2020), B (van 17 juni 2017 tot 15 april 2020, meermaals, op niet nader bepaalde data), C (13 juli 2018), D (van 19 juni 2018 tot en met 13 juli 2018) en F (op 14 januari 2019 en 20 januari 2019) werden gepleegd met eenzelfde misdadig opzet. Het oordeelt dat de incriminatieperiode voor de feiten van de telastleggingen A1, A2 en B verstrijkt op 15 april 2020 en dat die einddatum kan worden beschouwd als startpunt voor de berekening van de redelijke termijn. Het arrest dat aldus als beginpunt van de redelijke termijn voor alle lastens de eiser bewezen verklaarde feiten, de einddatum van de incriminatieperiode voor de bewezen verklaarde feiten van de telastleggingen A1, A2 en B aanneemt en dit ongeacht het ogenblik waarop de eiser voor één of voor meerdere van de bewezen verklaarde feiten werd beschuldigd, is niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
  8. De onwettigheid van de vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn leidt tot de vernietiging van de aan de eiser opgelegde bestraffing met inbegrip van zijn veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds, maar laat de overige beslissingen van het arrest onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de aan de eiser opgelegde bestraffing met inbegrip van zijn veroordeling tot betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 190,47 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160112.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180213.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.