← België

V. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.13 Rolnummer: P.23.0906.N Zaak: V. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 541 - laatst gezien 2026-06-16 01:16 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Uit artikel 6.1 EVRM volgt dat de rechter bij de beoordeling van de redelijke termijn volgens de criteria van de aard en complexiteit van de zaak, de houding van de met opsporing en vervolging belaste instanties, de houding van de beklaagde en het belang dat de zaak heeft voor de betrokkene, alsook van het desgevallend te verlenen rechtsherstel, rekening moet houden met alle periodes van niet te verantwoorden stilstand in de opsporing en de vervolging vanaf het aanvangspunt voor de bepaling van de redelijke termijn

(1); daaruit volgt evenwel niet dat de rechter voor elke periode van stilstand in de opsporing en de vervolging uitdrukkelijk moet aangeven dat die periode al dan niet verantwoord is, behoudens bij daartoe strekkende regelmatig ingediende conclusie.
(1)Over het beginpunt van de redelijke termijn Cass. 1 maart 2022, AR P.21.1303.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10, AC 2022, nr. 156; Cass. 17 november 2020, AR P.20.0884.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.4, AC 2020, nr. 704, met concl. van advocaat-generaal D. SCHOETERS, RW 2021-22, 1189; Cass. 23 mei 2017, AR P.17.0186.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.3, AC 2017, nr. 347, met concl. van advocaat-generaal L. DECREUS, NC 2017, 562 noot J. MEESE; M.-A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 51-
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0906.N B. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gust Detienne, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 5 mei
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het bestreden vonnis houdt bij de beoordeling van de redelijke termijn enkel rekening met de periode van stilstand tussen het hoger beroep door de eiser en de behandeling van de zaak in hoger beroep en het laat aldus na rekening te houden met andere periodes van stilstand, zoals het tijdsverloop tussen het verrichten van de nodige vaststellingen door de politie op 30 november 2019 en de beslissing tot dagvaarding op 6 augustus 2020 (periode van stilstand van acht maanden) en het tijdsverloop tussen de rechtszittingen voor de eerste rechter van 26 april 2021 en 20 september 2021 (periode van stilstand van vier maanden); die periodes hadden ook in rekening moeten worden gebracht bij de beoordeling van de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn en dus ook bij het te verlenen rechtsherstel.
  4. Het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  5. In zoverre het middel aanvoert dat er een niet te verantwoorden periode van stilstand is tussen 30 november 2019 en 6 augustus 2020, gegeven dat niet blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
  6. Uit artikel 6.1 EVRM volgt dat de rechter bij de beoordeling van de redelijke termijn volgens de criteria van de aard en complexiteit van de zaak, de houding van de met opsporing en vervolging belaste instanties, de houding van de beklaagde en het belang dat de zaak heeft voor de betrokkene, alsook van het desgevallend te verlenen rechtsherstel, rekening moet houden met alle periodes van niet te verantwoorden stilstand in de opsporing en de vervolging vanaf het aanvangspunt voor de bepaling van de redelijke termijn. Daaruit volgt evenwel niet dat de rechter voor elke periode van stilstand in de opsporing en de vervolging uitdrukkelijk moet aangeven dat die periode al dan niet verantwoord is, behoudens bij daartoe strekkende regelmatig ingediende conclusie. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Er blijkt niet dat de eiser in een voor het appelgerecht regelmatig ingediende conclusie heeft aangevoerd dat bij de bepaling van de redelijke termijn de appelrechters rekening dienden te houden met andere periodes van stilstand dan die van na het instellen van hoger beroep. De appelconclusie die namens de raadsman van de eiser per e-mail op 6 maart 2023 aan de griffie van het appelgerecht is overgemaakt, is geen voor het appelgerecht regelmatig ingediende conclusie.
  8. De appelrechters dienen dan ook niet uitdrukkelijk vast te stellen dat, behoudens wat betreft het tijdsverloop sinds het instellen van eisers hoger beroep en de behandeling van de zaak in hoger beroep, er andere periodes van stilstand waren waarvoor geen verantwoording kan worden verstrekt en met die periodes bij de bepaling van de redelijke termijn rekening te houden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170523.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201117.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.