← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.17 Rolnummer: P.23.1255.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 408 - laatst gezien 2026-06-15 08:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Uit de tekst van artikelen 44, eerste lid, eerste zin, en 44, tweede lid, Wegverkeerswet, in hun geheel gelezen, volgt dat het aan het openbaar ministerie te richten verzoekschrift tot herziening slechts kan worden ingediend na het verstrijken van een termijn van minstens zes maanden te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis van vervallenverklaring dat in kracht van gewijsde is gegaan, of ingeval van afwijzing van een eerder verzoek, vanaf de datum van die afwijzing; het doel dat de wetgever met het instellen van een wachttermijn heeft beoogd, kan enkel worden bereikt door vroegtijdig ingediende verzoeken onontvankelijk te verklaren; noch de tekst van artikel 44 Wegverkeerswet, noch de wetsgeschiedenis van dit artikel, noch het normdoel ervan, laten toe dat een verzoeker tot herziening van een vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid zijn verzoek tot herziening aan het openbaar ministerie richt vóór het verstrijken van de wachttermijn en dit ongeacht of het verzoek een vraag bevat om de zaak slechts op te roepen voor een rechtszitting na het verstrijken van die wachttermijn, dan wel of de verzoeker op deze rechtszitting zijn verzoek herhaalt. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 44 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 44, eerste en tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1255.N S. V. D. S., verzoeker tot herziening van een vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, eiser, met als raadsman mr. Nathalie Brys, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9820 Bottelare, Koningin Astridlaan 1 bus 101, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 14 juni 2023. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen 1. Het eerste middel voert schending aan van artikel 44 Wegverkeerswet: het vonnis oordeelt ten onrechte dat eisers verzoek vroegtijdig is ingediend; de eiser heeft het openbaar ministerie gevraagd de zaak op te roepen op een rechtszitting vanaf 12 juni 2023; artikel 44 Wegverkeerswet bepaalt niet dat het verzoek tot herziening slechts kan worden ingediend na minstens zes maanden te rekenen vanaf de dag van de vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan; dit artikel bepaalt niet op welke datum het herzieningsverzoek wordt geacht te zijn gedaan; het indienen van het verzoek kan dus gebeuren voor het verstrijken van de termijn van zes maanden. Het tweede middel voert schending aan van artikel 44 Wegverkeerswet: het vonnis oordeelt ten onrechte dat eisers verzoek vroegtijdig is ingediend; de eiser heeft op de rechtszitting van 14 juni 2023 zijn verzoek tot herziening herhaald; op dat ogenblik was de wachttermijn van zes maanden reeds verstreken. Het derde middel voert schending aan van artikel 44 Wegverkeerswet: het vonnis verklaart eisers verzoek ten onrechte onontvankelijk wegens vroegtijdigheid; de wet bepaalt geen sanctie voor het niet-respecteren van de wachttijd; aangezien de politierechtbank zich slechts na de wachttijd dient te buigen over het verzoek, is het normdoel bereikt. 2. Artikel 44, eerste lid, eerste zin, Wegverkeerswet bepaalt: “Hij die wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het recht tot sturen vervallen is verklaard, kan, na minstens zes maanden te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, een herziening vragen via een aan het openbaar ministerie gericht verzoekschrift voor het gerecht dat het verval heeft uitgesproken”. Artikel 44, tweede lid, Wegverkeerswet bepaalt: “Wordt het verzoek afgewezen dan kan geen nieuw verzoek worden ingediend voordat een termijn van zes maanden te rekenen van de datum van de afwijzing, is verstreken”. 3. Uit de tekst van deze bepalingen, in hun geheel gelezen, volgt dat het aan het openbaar ministerie te richten verzoekschrift tot herziening slechts kan worden ingediend na het verstrijken van een termijn van minstens zes maanden te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis van vervallenverklaring dat in kracht van gewijsde is gegaan, of ingeval van afwijzing van een eerder verzoek, vanaf de datum van die afwijzing. 4. Het doel dat de wetgever met het instellen van een wachttermijn heeft beoogd, kan enkel worden bereikt door vroegtijdig ingediende verzoeken onontvankelijk te verklaren. 5. Noch de tekst van artikel 44 Wegverkeerswet, noch de wetsgeschiedenis van dit artikel, noch het normdoel ervan, laten toe dat een verzoeker tot herziening van een vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid zijn verzoek tot herziening aan het openbaar ministerie richt vóór het verstrijken van de wachttermijn en dit ongeacht of het verzoek een vraag bevat om de zaak slechts op te roepen voor een rechtszitting na het verstrijken van die wachttermijn, dan wel of de verzoeker op deze rechtszitting zijn verzoek herhaalt. 6. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht. 7. Het vonnis dat oordeelt dat eisers verzoek tot herziening van de vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid dat werd ingediend vóór het verstrijken van de wachttermijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van de beslissing tot vervallenverklaring, wegens vroegtijdigheid onontvankelijk is, ook al bevat het verzoek een vraag om de zaak slechts vast te stellen op een rechtszitting na het verstrijken van de wachttermijn of heeft hij op die rechtszitting zijn verzoek herhaald, is naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 8. De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten Bepaalt de kosten op 53,68 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.17 Gerelateerde publicatie(
  2. s)zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260505.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.