← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.23 Rolnummer: P.23.1294.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 542 - laatst gezien 2026-06-18 17:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het gerecht dat overeenkomstig artikel 27 Voorlopige Hechteniswet uitspraak doet over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling moet de beslissing tot verwerping van een dergelijk verzoek volgens paragraaf 3, vierde lid, van die bepaling motiveren met in achtneming van wat is voorgeschreven in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet; uit die bepaling volgt dat indien de beklaagde in zijn verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling of in een conclusie het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld betwist, de rechter dit verweer moet beantwoorden

(1).
(1)Cass. 16 februari 2000, AR P.00.0226.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000216.8, AC 2000, nr.
  1. Over de motiveringsplicht, het beantwoorden van argumenten ingeroepen in het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling, zie Cass. 28 september 2011, P.11.1593.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110928.1, AC 2011, nr.
  2. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VONNISGERECHT Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.23.1294.N F. B., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 8 september
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. Het arrest verklaart eisers verzoek tot invrijheidstelling ontvankelijk. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 16, § 5, 23, 4°, en 27, § 2, Voorlopige Hechteniswet: het arrest laat na artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet te vermelden, terwijl de daarin bepaalde voorwaarden moeten worden in acht genomen; met het oordeel dat “er nog steeds ernstige aanwijzingen van schuld (bestaan) welke begrepen zijn in de voldoende bezwaren op grond waarvan [de eiser] naar de correctionele rechtbank werd verwezen” verwijst het arrest uitsluitend naar de verwijzingsbeschikking van de raadkamer van 13 januari 2023 en beantwoordt het niet de door eiser in zijn verzoekschrift tot invrijheidstelling aangevoerde betwistingen over het bestaan van de ernstige aanwijzingen van schuld.
  6. Het gerecht dat overeenkomstig artikel 27 Voorlopige Hechteniswet uitspraak doet over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling moet de beslissing tot verwerping van een dergelijk verzoek volgens paragraaf 3, vierde lid, van die bepaling motiveren met in achtneming van wat is voorgeschreven in artikel 16, § 5, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet.
  7. Uit die bepaling volgt dat indien de beklaagde in zijn verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling of in een conclusie het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld betwist, de rechter dit verweer moet beantwoorden.
  8. De eiser heeft in zijn verzoekschrift het bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld voor de telastlegging van verkrachting betwist met verwijzing naar de inhoud van de verklaring van het slachtoffer, de afwezigheid van objectieve bewijselementen voor een penetratie en de afwezigheid van een medisch onderzoek van het slachtoffer. Met het in het middel vermelde oordeel verwijst het arrest uitsluitend naar de door de raadkamer aangenomen maar niet nader gespecificeerde bezwaren om de eiser te verwijzen naar het vonnisgerecht. Met die enkele verwijzing beantwoordt het arrest niet eisers verweer betreffende het niet bestaan van ernstige aanwijzingen van schuld. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige grieven
  9. De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling ongegrond verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van het cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 182,88 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.23 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000216.8 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110928.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.