← België

A. contra FOD FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 47s

epties - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47s

epties - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47s

epties - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 6 Een vonnisgerecht heeft geen rechtsmacht om de regelmatigheid van de beslissing van een onderzoeksgerecht rechtstreeks of onrechtstreeks te onderzoeken of te beoordelen; eens de kamer van inbeschuldigingstelling de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie heeft gecontroleerd, bindt haar beslissing het vonnisgerecht, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 189ter, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt: “De rechtbank kan, op basis van concrete gegevens, die pas aan het licht zijn gekomen na de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling krachtens artikel 235ter, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beklaagde, de burgerlijke partij of hun advocaten, de kamer van inbeschuldigingstelling gelasten de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie, infiltratie en burgerinfiltratie uit te oefenen met toepassing van artikel 235ter”

(1).
(1)Cass. 14 februari 2023, AR P.22.1547.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.11, AC 2023, nr. 115, NC 2023, 229; Cass. 18 april 2017, AR P.17.0108.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.7, AC 2017, nr. 265; Cass. 28 mei 2014, AR P.14.0424.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140528.3, AC 2014, nr. 386 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 16 februari 2010, AR P.10.0012.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3, AC 2010, nr. 104 met concl. van advocaat-generaal M. TIMPERMAN. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 189ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 189ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 235ter- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.23.0382.N E. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christophe Marchand, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1060 Sint-Gillis, Henri Jasparlaan 128, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, voor wie optreedt de directeur der Douane en Accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 16 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene motiveringsplicht van de rechter: het arrest dat, zoals hier, vaststelt dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak is overschreden, kan niet wettig oordelen dat die overschrijding de eiser niet grieft of geen afbreuk doet aan zijn fundamenteel recht van verdediging; dat laatste is namelijk altijd het geval; het arrest stelt niet vast dat het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eiser zijn miskend en het koppelt evenmin een daadwerkelijk rechtsherstel aan de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn; het arrest is gewezen meer dan een jaar na het beroepen vonnis dat zelf reeds de overschrijding van de redelijke termijn had vastgesteld, maar het legt aan de eiser een hogere straf op dan dat vonnis zonder die strafverzwaring in het licht van de bijkomende overschrijding van de redelijke termijn te motiveren; het arrest motiveert evenmin waarom een eenvoudige schuldigverklaring of een straf lager dan de wettelijke minimumstraf hier niet wordt overwogen; het arrest verleent aan de eiser, anders dan aan een medebeklaagde, geen uitstel van tenuitvoerlegging van de opgelegde straffen en motiveert het niet-toekennen van dat uitstel niet.
  3. Enkel wanneer de overschrijding van de redelijke termijn leidt tot een onherstelbare aantasting van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de beklaagde, kan die overschrijding de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering ten aanzien van die beklaagde tot gevolg hebben. Is dat niet het geval, dan kan de vonnisrechter het leed dat de beklaagde ondervindt als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn compenseren door zich op grond van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering te beperken tot een veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring of tot het opleggen van een straf die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Het arrest oordeelt niet dat de overschrijding van de redelijke termijn de eiser niet grieft. Het oordeelt wel dat die overschrijding niet heeft geleid tot het teloorgaan van bewijsmateriaal noch de eiser heeft gehinderd in het voeren van tegenspraak over het bewijsmateriaal, zodat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  5. De appelrechter dient de straf die hij bij toepassing van voormeld artikel 21ter aan de beklaagde oplegt, op reële en meetbare wijze te verminderen tegenover de straf die hij aan de beklaagde zou hebben opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn. Het is de appelrechter zelf die bepaalt welke straf en strafvermindering hij passend acht in functie van de aard en de ernst van de feiten, de persoonlijkheid van de beklaagde, de bijzondere omstandigheden van de zaak en de aard en de duur van de overschrijding van de redelijke termijn die hij eveneens zelf vaststelt. De appelrechter dient die straf en strafvermindering dan ook niet te vergelijken met de door de eerste rechter toegepaste straf en strafvermindering en dient derhalve niet te motiveren waarom hij aan de beklaagde een eventueel zwaardere straf oplegt, ook al stelt hij dezelfde overschrijding van de redelijke termijn vast als de eerste rechter en is er inmiddels meer tijd verstreken. Daardoor ontneemt de appelrechter aan de beklaagde geen daadwerkelijk rechtsherstel.
  6. De rechter bepaalt de straf die hij aan een beklaagde oplegt en de strafvermindering die hij bij toepassing van voormeld artikel 21ter toekent voor elke beklaagde afzonderlijk. Hij dient die straf of die strafvermindering dan ook niet te vergelijken tussen de beklaagden, noch dient hij de verschillen in straftoemeting tussen de beklaagden te motiveren.
  7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het eveneens naar recht.
  8. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest (p. 14) dat de redelijke termijn is overschreden ingevolge het tijdsverloop tussen de beschikking tot mededeling en de behandeling van eisers zaak in eerste aanleg. Het oordeelt daarmee rekening te zullen houden bij de straftoemeting.
  9. Het arrest veroordeelt de eiser voor de vermengde telastleggingen tot onder meer een hoofdgevangenisstraf van twee jaar en een geldboete van 102.000,00 euro. Het (p. 16) oordeelt dat die straffen zijn aangepast aan de ernst van de feiten die mede van aard zijn de fiscale en economische ordening ernstig te ondermijnen, de persoon van de eiser en zijn rol bij de feiten, het gunstige strafregister van de eiser, het beoogde voordeel, de financiële situatie van de eiser en de financiële drijfveer waarmee de eiser handelde. Het oordeelt verder dat die straffen strekken tot bijkomend preventief effect en dat zonder overschrijding van de redelijke termijn aan de eiser een geldboete van 204.000,00 euro en een hoofdgevangenisstraf van vier jaar zou zijn opgelegd.
  10. Uit die redenen blijkt dat de appelrechters aan de eiser straffen opleggen die zij wegens de overschrijding van de redelijke termijn, zoals vastgesteld op het moment van hun uitspraak, op een reële en meetbare wijze verminderen tegenover de straffen die zij hem zouden hebben opgelegd zonder die overschrijding, alsook waarom zij hem die straffen opleggen en waarom zij wat hem betreft geen veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken, noch een straf beneden de wettelijke minimumstraf opleggen of uitstel van tenuitvoerlegging verlenen. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 47sexies, 47septies en 235ter Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest verwerpt eisers verzoek om de kamer van inbeschuldigingstelling te gelasten met een nieuwe controle van de uitgevoerde observaties omdat die kamer, vooraleer bij arrest van 30 augustus 2018 geen onregelmatigheid bij de uitvoering van die bijzondere opsporingsmethode vast te stellen, geen kennis heeft genomen van het ganse dossier of van alle observaties; het arrest beantwoordt niet eisers tot staving van dat verzoek aangevoerde verweer; meer bepaald antwoordt het arrest niet, minstens niet concreet, op eisers verweer dat in het strafdossier geen processen-verbaal kunnen worden teruggevonden in antwoord op het kantschrift van 23 juni 2015 waarin de onderzoeksrechter heeft gevraagd waarom de bijzondere opsporingsmethoden noodzakelijk zijn en niet kunnen worden vervangen door andere onderzoeksverrichtingen, noch op eisers verweer over een gebrek aan duiding of machtiging inzake bepaalde observaties; het arrest gaat evenmin naar recht na of de kamer van inbeschuldigingstelling het in artikel 235ter Wetboek van Strafvordering bedoelde onderzoek volledig en daadwerkelijk heeft uitgevoerd; het arrest kon dit zelfs niet nagaan gelet op de ontbrekende elementen om een volledig en daadwerkelijk onderzoek van de wettigheid van de observaties na te gaan.
  12. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  13. De kamer van inbeschuldigingstelling die op grond van artikel 235ter, § 1, Wetboek van Strafvordering wordt gevorderd de regelmatigheid te onderzoeken van de bijzondere opsporingsmethode observatie die in het kader van een gerechtelijk onderzoek of in het daaraan voorafgaand opsporingsonderzoek werd toegepast, moet dat onderzoek uitvoeren aan de hand van het vertrouwelijk dossier en van de stukken die aan het open dossier zijn gevoegd overeenkomstig artikel 47septies Wetboek van Strafvordering. Behoudens bij in een conclusie aangevoerde betwisting moet die kamer niet specifiek opgeven op welke observaties haar regelmatigheidsonderzoek betrekking heeft, noch moet zij uitdrukkelijk vaststellen dat zij de beschikking had over het ganse strafdossier.
  14. Een vonnisgerecht heeft geen rechtsmacht om de regelmatigheid van de beslissing van een onderzoeksgerecht rechtstreeks of onrechtstreeks te onderzoeken of te beoordelen. Eens de kamer van inbeschuldigingstelling de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie heeft gecontroleerd, bindt haar beslissing het vonnisgerecht, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 189ter, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt: “De rechtbank kan, op basis van concrete gegevens, die pas aan het licht zijn gekomen na de controle van de kamer van inbeschuldigingstelling krachtens artikel 235ter, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beklaagde, de burgerlijke partij of hun advocaten, de kamer van inbeschuldigingstelling gelasten de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden observatie, infiltratie en burgerinfiltratie uit te oefenen met toepassing van artikel 235ter”.
  15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters concrete gegevens heeft aangevoerd die pas aan het licht zijn gekomen na het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 30 augustus
  16. Evenmin blijkt dat de eiser heeft aangevoerd dat de door hem aangevoerde onduidelijkheden de inzage van het vertrouwelijk dossier van de uitgevoerde observaties vereisten. Bijgevolg waren de appelrechters niet ertoe gehouden de kamer van inbeschuldigingstelling te gelasten met een nieuwe controle van de uitgevoerde bijzondere opsporingsmethode observatie. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  17. De vonnisrechter dient niet in het bijzonder te antwoorden op het doelloze verweer waarmee een beklaagde de regelmatigheid betwist van een bijzondere opsporingsmethode waaromtrent de kamer van inbeschuldigingstelling bij een bindend arrest overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering geen onregelmatigheid heeft vastgesteld. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  18. Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen oordeelt het arrest als volgt: - in het kader van haar controle overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering nam de kamer van inbeschuldigingstelling kennis van het kantschrift van de onderzoeksrechter waarin om meer duidelijkheid werd verzocht over de noodzaak tot het uitvoeren van observaties. Ondanks het gegeven dat hierover geen expliciete bijkomende processen-verbaal aan het strafdossier werden gevoegd, besloot de kamer van inbeschuldigingstelling dat er geen onregelmatigheid voorlag. Er is geen reden om aan deze conclusie te twijfelen; - uit niets blijkt dat de kamer van inbeschuldigingstelling in haar arrest van 30 augustus 2018 niet haar wettelijke controleopdracht zou hebben vervuld en dus niet alle observaties zou hebben gecontroleerd die werden uitgevoerd zowel tijdens het gerechtelijk onderzoek als tijdens het daaraan voorafgaande onderzoek, met inbegrip van de daden van onderzoek gesteld door de administratie van douane en accijnzen; - het proces-verbaal (…) van 10 februari 2016 werd aan het strafdossier gevoegd, zodat de kamer van inbeschuldigingstelling hiervan in haar arrest van 30 augustus 2018 kennis heeft genomen en de regelmatigheid ervan heeft beoordeeld; - er is geen enkele reden om aan te nemen dat de controle door de kamer van inbeschuldigingstelling zou zijn gebeurd zonder dat kennis werd genomen van het gehele dossier. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eiser en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de eiser niet wordt vervolgd voor eventuele in het buitenland gepleegde strafbare feiten, zodat niet kan worden vastgesteld naar welke relevante internationale observaties de eiser concreet verwijst, die zouden moeten worden getoetst en die niet het voorwerp zouden hebben uitgemaakt van de toetsing van de kamer van inbeschuldigingstelling bij arrest van 30 augustus 2018; het arrest oordeelt dat in elk geval geen enkele miskenning van het recht van verdediging wordt vastgesteld; de eiser heeft in zijn appelconclusie wel degelijk vermeld naar welke internationale observaties hij verwijst; het betreft in het bijzonder berichten uitgaande van Europol van 5 augustus 2015 en 13 augustus 2015 en de daaraan gegeven gevolgen met inbegrip van observaties, contacten met de douane bij de Luchthaven te Wenen op 25 en 26 augustus 2015 en internationale samenwerking met OLAF.
  20. De enkele samenwerking tussen internationale organisaties en Belgische autoriteiten, ook al levert die samenwerking informatie op die aanleiding kan geven tot observaties, maakt op zich nog geen toepassing uit van de bijzondere opsporingsmethode observatie in de zin van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  21. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest dat, in de mate dat de eiser verwijst naar de politionele informatie die werd verkregen via Europol of andere internationale samenwerkingsorganisaties, er dient te worden vastgesteld dat ook deze informatie aan het strafdossier werd gevoegd en werd onderworpen aan de wettelijk voorziene controle zoals vermeld in artikel 235ter Wetboek van Strafvordering. In zoverre het onderdeel die reden niet in de kritiek betrekt, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  22. De kamer van inbeschuldigingstelling dient op grond van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering niet de regelmatigheid na te gaan van eventuele observaties die buitenlandse autoriteiten op eigen initiatief, ingevolge een internationale seining of ingevolge internationale samenwerkingsovereenkomsten hebben uitgevoerd en waarvan zij de Belgische autoriteiten op de hoogte hebben gebracht, noch dient die kamer de regelmatigheid te controleren van de desbetreffende buitenlandse informatiegaring. In zoverre faalt het onderdeel eveneens naar recht.
  23. Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Derde middel
  24. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM, artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14.7 IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en de motiveringsplicht van de rechter: het arrest oordeelt dat de eiser niet wordt vervolgd voor de feiten die het voorwerp uitmaken van de processen-verbaal (…) van 29 november 2017 en (…) van 4 oktober 2016, zodat de strafvordering niet steunt op de daarin opgenomen gegevens en dat de eiser niet concreet aanvoert dat hij effectief het voorwerp uitmaakt van enige vervolging waarvoor een toetsing aan het non bis in idem-beginsel zou dienen plaats te vinden; de uit Italië ontvangen stukken werden niet vertaald; de eiser wordt vervolgd voor feiten vermeld in het eerst vermelde proces-verbaal en er is informatie gebruikt vanuit Letland; het arrest doet een onjuiste beoordeling van de gegevens van de strafvordering; het Italiaanse dossier dient volledig te worden vertaald en de verdediging dient integrale inzage te krijgen van de informatie uit Letland; het arrest beantwoordt eisers verweer niet, meer bepaald waar de eiser in zijn appelconclusie concreet aangaf waarom onder meer de voeging van bijkomende informatie over de exacte stand van de lopende onderzoeken vermeld in onder andere het proces-verbaal (…) van 4 oktober 2016 van belang is in kader van het non bis in idem-beginsel; de eiser verwees eveneens naar het feit dat volgens de gegevens van het dossier door het Oostenrijkse douanekantoor Eisenstadt een fiscaal-gerechtelijke procedure werd geopend naar aanleiding van de uitgewisselde informatie.
  25. Met de redenen die het arrest overneemt van het beroepen vonnis (p. 13-14), oordeelt het dat: - de strafvervolging lastens de eiser en andere beklaagden niet steunt op de gegevens die zijn opgenomen in het proces-verbaal (…) van 29 november 2017, zodat eisers recht van verdediging niet wordt miskend door het gegeven dat meer dan honderd bladzijden aan bijlagen bij dit proces-verbaal, gevoegd aan het strafdossier, niet in het Nederlands werden vertaald; - voor wat betreft de informatie vervat in het proces-verbaal (…) van 4 oktober 2016, uit niets blijkt dat de vervolgende partijen zouden beschikken over bijkomende stukken, die slechts informatie inhouden over procedures die in het buitenland tegen de eiser worden gevoerd; - de eiser thans niet wordt vervolgd voor feiten van illegale sigarettenproductie in het buitenland, zodat deze informatie niet relevant is voor de beoordeling van de thans voorliggende zaak; - in zoverre de eiser thans het voorwerp uitmaakt van meerdere procedures in het buitenland, hij daarbij betrokken partij is en per definitie kennis kan hebben van de stukken die in deze procedures lastens hem worden aangewend. Met eigen redenen voegt het arrest daaraan toe dat: - de eiser niet aannemelijk maakt dat er stukken niet zouden zijn gevoegd; - de eiser niet concreet aanvoert dat hij effectief het voorwerp zou uitmaken van enige vervolging waarvoor een toetsing aan het non bis in idem-beginsel zou dienen plaats te vinden; - de eiser niet concreet aanvoert welke stukken zouden zijn opgesteld in een taal die hij en zijn raadslieden niet afdoende zouden beheersen om hiervan kennis te nemen; - de eiser kennis heeft kunnen nemen van de essentie van de inhoud van de bijlagen bij het proces-verbaal (…) van 29 november 2017 door de vermeldingen van het proces-verbaal zelf; - eisers recht van verdediging niet is miskend door het niet vertalen van de bijlagen bij het proces-verbaal aangezien de eiser niet wordt vervolgd voor de feiten waarop het proces-verbaal betrekking heeft. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiser en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  26. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 123,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.24 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.7 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140528.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230214.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.