id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.3 Rolnummer: P.23.0492.N Zaak: H. contra I. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2023-11-10 Raadplegingen: 595 - laatst gezien 2026-06-19 02:59 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.3 Fiches 1 - 3 Het moreel element van het misdrijf bepaald in artikel 2 Seksismewet bestaat in het opzet om misprijzen voor een bepaalde persoon te uiten of die persoon als minderwaardig te beschouwen, wetende dat het gebaar of de handeling van aard is om ernstige schade toe te brengen aan de waardigheid van die persoon; bij afwezigheid van specifieke betwisting die daarover bij conclusie is gevoerd, moet de rechter dat opzet niet uitdrukkelijk of in welbepaalde bewoordingen bewezen verklaren; dat opzet kan bovendien blijken uit feitelijke elementen die de rechter vermeldt, zoals de aard en de context van bepaalde gezegden van de dader, die redelijkerwijze voor geen andere uitlegging vatbaar zijn
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen - 22-05-2014 - Art. 2 - 40 ELI link Pub nr 2014000586 Thesaurus CAS: RACISME. XENOFOBIE Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen - 22-05-2014 - Art. 2 - 40 ELI link Pub nr 2014000586 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen - 22-05-2014 - Art. 2 - 40 ELI link Pub nr 2014000586 Fiches 4 - 6 Om strafbaar te zijn, moeten de in artikel 2 Seksismewet beschreven gedragingen voldoen aan het openbaarheidsvereiste bepaald in artikel 444 Strafwetboek; dat artikel vereist in zijn tweede en derde lid dat de telastlegging geschiedt, hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen, hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken; bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet uitdrukkelijk te motiveren waarom hij bij de toepassing van artikel 2 Seksismewet het openbaarheidsvereiste van artikel 444 Strafwetboek vervuld acht; in dat geval kunnen de feitelijke omstandigheden op grond waarvan aan dit vereiste is voldaan, bovendien blijken uit de vaststellingen van de rechter
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen - 22-05-2014 - Art. 2 - 40 ELI link Pub nr 2014000586 Thesaurus CAS: RACISME. XENOFOBIE Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen - 22-05-2014 - Art. 2 - 40 ELI link Pub nr 2014000586 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen - 22-05-2014 - Art. 2 - 40 ELI link Pub nr 2014000586 Fiches 7 - 9 Artikel 27, 3° en 4°, Genderwet vereist eenzelfde openbaarheid als artikel 2 Seksismewet, dat in zijn tweede en derde lid vereist dat de telastlegging geschiedt, hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen, hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken; bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet uitdrukkelijk te motiveren waarom hij het openbaarheidsvereiste van artikel 444 Strafwetboek vervuld acht; in dat geval kunnen de feitelijke omstandigheden op grond waarvan aan dit vereiste is voldaan, bovendien blijken uit de vaststellingen van de rechter
(1).
(1)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Art. 27, 3° en 4° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Thesaurus CAS: RACISME. XENOFOBIE Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Art. 27, 3° en 4° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen - 10-05-2007 - Art. 27, 3° en 4° - 36 ELI link Pub nr 2007002098 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0492.N J. L. M. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recollettenlei 39-40, waar de eiser woonplaats kiest, tegen INSTITUUT VOOR DE GELIJKHEID VAN VROUWEN EN MANNEN, met zetel te 1070 Brussel, Ernest Blerotstraat 1, burgerlijke partij, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist en mr. Beatrix Vanlerberghe, beiden advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 14 augustus 2023 een schriftelijke conclusie neergelegd ter griffie. Op de rechtszitting van 19 september 2023 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht en heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- In zoverre gericht tegen de hem verleende vrijspraken, is het cassatieberoep van de eiser bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 2 van de wet van 22 mei 2014 ter bestrijding van seksisme in de openbare ruimte en tot aanpassing van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie teneinde de daad van discriminatie te bestraffen (hierna Seksismewet): het arrest oordeelt dat de eiser minachting heeft uitgedrukt jegens C. V. B. omwille van haar geslacht en in bewoordingen die haar waardigheid ernstig aantasten; het stelt echter niet vast dat de eiser het misdrijf wetens en willens heeft gepleegd en dat aldus het morele bestanddeel van het misdrijf werd vervuld; zodoende laat het arrest het Hof evenmin toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
- Artikel 2 Seksismewet bepaalt: “Voor de toepassing van deze wet wordt begrepen onder seksisme elk gebaar of handeling die, in de in artikel 444 van het Strafwetboek bedoelde omstandigheden, klaarblijkelijk bedoeld is om minachting uit te drukken jegens een persoon wegens zijn geslacht, of deze, om dezelfde reden, als minderwaardig te beschouwen of te reduceren tot diens geslachtelijke dimensie en die een ernstige aantasting van de waardigheid van deze persoon ten gevolge heeft.”
- Het moreel element van het misdrijf bepaald in artikel 2 Seksismewet bestaat in het opzet om misprijzen voor een bepaalde persoon te uiten of die persoon als minderwaardig te beschouwen, wetende dat het gebaar of de handeling van aard is om ernstige schade toe te brengen aan de waardigheid van die persoon. Bij afwezigheid van specifieke betwisting die daarover bij conclusie is gevoerd, moet de rechter dat opzet niet uitdrukkelijk of in welbepaalde bewoordingen bewezen verklaren. Dat opzet kan bovendien blijken uit feitelijke elementen die de rechter vermeldt, zoals de aard en de context van bepaalde gezegden van de dader, die redelijkerwijze voor geen andere uitlegging vatbaar zijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 15) haalt het geheel van de gezegden van de eiser over de wetenschapster C. V. B. aan en oordeelt verder: “Deze contextuele gezegden laten er niet de minste redelijke twijfel over bestaan dat het onbetwistbaar minachtende gezegde van [de eiser] met betrekking tot C. V. B., bedoeld onder de tenlastelegging A.2 en hoger weergegeven, te kaderen was in zijn overtuiging dat vrouwen niet in staat zijn om wetenschappen te bedrijven, en deze overtuiging beoogden kracht bij te zetten. [De eiser] heeft daarmee zijn minachting uitgedrukt jegens C. V. B. omwille van haar geslacht en in bewoordingen die haar waardigheid ernstig aantastten”, alsook “De omstandigheid dat [de eiser] in ditzelfde verband nog verklaarde niet te willen “veralgemenen”, en eveneens aan de kaak wilde stellen dat - naar zijn oordeel - de betrokken persoon over aanzienlijke financiering kon beschikken dank zij haar politieke contacten, doet aan het voorgaande geen afbreuk, vermits uit wat voorafgaat blijkt dat de essentie van zijn betoog erin bestond om C. V. B. aan te reiken als voorbeeld waarom vrouwen niet in staat zijn om wetenschap te bedrijven, in welk kader zij, zoals hoger aangetoond, minachtend werd bejegend in bewoordingen die haar waardigheid ernstig aantastten.” Met die redenen stelt het arrest het vermelde opzet van de eiser ten aanzien van C. V. B. vast en laat het aan het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 2 Seksismewet en artikel 444 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de eiser minachting heeft uitgedrukt jegens C. V. B. omwille van haar geslacht en in bewoordingen die haar waardigheid ernstig aantasten; het stelt echter niet vast dat het misdrijf werd gepleegd in de in artikel 444 Strafwetboek bedoelde omstandigheden; aldus laat het aan het Hof evenmin toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen.
- Om strafbaar te zijn, moeten de in artikel 2 Seksismewet beschreven gedragingen voldoen aan het openbaarheidsvereiste bepaald in artikel 444 Strafwetboek. Dat artikel vereist in zijn tweede en derde lid dat de telastlegging geschiedt, hetzij in openbare bijeenkomsten of plaatsen, hetzij in tegenwoordigheid van verscheidene personen, in een plaats die niet openbaar is, maar toegankelijk voor een aantal personen die het recht hebben er te vergaderen of ze te bezoeken.
- Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet uitdrukkelijk te motiveren waarom hij bij de toepassing van artikel 2 Seksismewet het openbaarheidsvereiste van artikel 444 Strafwetboek vervuld acht. In dat geval kunnen de feitelijke omstandigheden op grond waarvan aan dit vereiste is voldaan, bovendien blijken uit de vaststellingen van de rechter. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest stelt vast dat: - de eiser is vervolgd voor het misdrijf dat onder de telastlegging A.2 is omschreven in de bewoordingen van artikel 2 Seksismewet, dit is onder meer om de hem verweten gebaren of handelingen te hebben gesteld in de in artikel 444 Strafwetboek bedoelde omstandigheden; - de eiser op 4 december 2019, op uitnodiging van een (…) studentenvereniging, in een lokaal van de Universiteit (…) een ongeveer twee uren durende voordracht heeft gehouden met de titel “(…)”, tijdens dewelke een veelheid van onderwerpen werd besproken op een zeer onverbloemde wijze, waarbij de eiser een aantal gezegdes heeft gedaan die tot de strafvervolging aanleiding hebben gegeven; - de verweerster de opname van die voordracht heeft bijgebracht en de eiser de uitgeschreven weergave van deze voordracht heeft bijgebracht. Uit die redenen blijkt dat de appelrechters van oordeel zijn dat de eiser de hem verweten gezegden heeft gedaan ten overstaan van een publiek in een zaal, zoals bedoeld in artikel 444, tweede of derde lid, Strafwetboek. Met die redenen, die volstaan opdat het Hof zijn wettigheidscontrole kan uitoefenen, is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede en derde middel
- Het tweede middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 27, 3°, van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen (hierna Genderwet) en artikel 444 Strafwetboek: het arrest verklaart de telastlegging D.2 bewezen in zoverre die telastlegging betrekking heeft op het gezegde van de eiser waarin vrouwen met honden worden vergeleken en het vermeldt redenen op grond waarvan de appelrechters van oordeel zijn dat dit gezegde het misdrijf aanzetting tot discriminatie jegens een groep wegens het beschermd criterium geslacht uitmaakt, maar stelt nergens vast dat de eiser aldus het misdrijf van aanzetting tot discriminatie in de in artikel 444 Strafwetboek geviseerde omstandigheden heeft gepleegd. Het derde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 27, 4°, Genderwet en artikel 444 Strafwetboek: het arrest verklaart de telastlegging E.2 bewezen in zoverre die telastlegging betrekking heeft op het gezegde van de eiser waarin kinderen van alleenstaande moeders “uitschot” worden genoemd en het vermeldt redenen op grond waarvan de appelrechters van oordeel zijn dat dit gezegde aanzetting tot haat of geweld jegens een groep wegens het beschermd criterium geslacht uitmaakt, maar stelt nergens vast dat eiser het misdrijf van aanzetting tot haat of geweld in de in artikel 444 Strafwetboek geviseerde omstandigheden heeft gepleegd.
- Artikel 27, 3° en 4°, Genderwet vereist eenzelfde openbaarheid als artikel 2 Seksismewet. Aldus hebben de middelen dezelfde strekking als het eerste middel, tweede onderdeel, en kunnen zij om dezelfde reden niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 163,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230919.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div