← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 september 2023 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 163

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 195

, tweede lid, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 163

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 195

, tweede lid, tweede zin - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.23.0854.N K. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christophe Daerden, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 19 april

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 163, derde lid en 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis houdt bij het bepalen van het effectief gedeelte van de geldboeten geen rekening met de financiële toestand van de eiser; er wordt geen melding gemaakt van de door de eiser aangevoerde gegevens betreffende zijn financiële toestand; de eiser had nochtans in het grievenformulier gevraagd met die precaire financiële toestand rekening te houden; voor de eerste rechter heeft de eiser een stukkenbundel ingediend met documenten betreffende zijn precaire financiële toestand.
  3. Volgens de artikelen 163, derde lid, en 195, tweede lid, tweede zin, Wetboek van Strafvordering houdt de rechter die veroordeelt tot een geldboete bij het bepalen van het bedrag ervan rekening met de door de beklaagde met betrekking tot zijn sociale toestand ingeroepen elementen.
  4. Volgens de artikelen 163, vierde lid, en 195, zesde lid, Wetboek van Strafvordering kan de rechter een geldboete uitspreken beneden het wettelijk minimum indien de overtreder met het om het even welk document dat hij overlegt zijn precaire financiële toestand bewijst.
  5. Uit deze bepalingen volgt weliswaar dat de rechter bij het bepalen van het bedrag van de geldboete en het effectieve gedeelte ervan de door de beklaagde ingeroepen elementen betreffende zijn sociale toestand moet betrekken, alsook de documenten in aanmerking moet nemen die de beklaagde heeft overgelegd met betrekking tot zijn precaire financiële toestand, maar niet dat de rechter in zijn beslissing deze gegevens of documenten moet vermelden of aangeven op welke wijze zij de bepaling van het bedrag van de geldboete en het effectieve gedeelte ervan hebben beïnvloed, behoudens bij daartoe strekkende conclusie.
  6. Indien een beklaagde voor het appelgerecht slechts heeft aangevoerd dat de eerste rechter bij het opleggen van de geldboetes te weinig rekening heeft gehouden met zijn precaire financiële toestand, zonder daarover concrete gegevens aan te voeren betreffende zijn financiële situatie, dient het appelgerecht een dergelijk onnauwkeurig verweer niet te beantwoorden.
  7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  8. De eiser heeft in het grievenformulier aangevoerd dat de eerste rechter bij het opleggen van de geldboetes te weinig rekening heeft gehouden met zijn precaire financiële toestand. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser dit verweer voor het appelgerecht nader heeft geconcretiseerd of dat hij daarvoor heeft verwezen naar de voor de eerste rechter ingediende stukken. De appelrechters dienen bijgevolg dit onnauwkeurig verweer niet te beantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 19 september 2023 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230919.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.